Stichten van scholen in het primair en speciaal onderwijs

Inhoud

1. Stichten van basisscholen

2. Stichting scholen voor speciaal basisonderwijs (sbo)

3. Stichting scholen voor speciaal onderwijs (so)

4. Veel gestelde vragen Plan van Scholen

   5. Jurisprudentie

 

Inleiding

De laatste tijd ontvangen wij veel vragen over het stichten van scholen voor primair onderwijs. Hieronder wordt eerst de procedure voor het stichten van een school voor basisonderwijs uiteengezet. Daarna wordt de stichting van een school voor speciaal basisonderwijs behandeld. Tot slot komt de stichting van so-scholen aan de orde.

 

1.         Stichten van basisscholen
Om een school te kunnen stichten moet die eerst worden opgenomen op het Plan van scholen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de vraag aan welke voorwaarden een school(bestuur) moet voldoen om te worden opgenomen in het Plan van scholen en welke procedure daaraan verbonden is.

 

1.1 Voorwaarden voor stichting

Om een school te kunnen stichten, en opgenomen te worden op het Plan van Scholen, moet een school voldoen aan een aantal voorwaarden.  Daarvoor is het volgende nodig op basis van artikel 75, lid 1 WPO:

    • een prognose van het te verwachten aantal leerlingen;
    • een beschrijving van het voedingsgebied (het gebied, vastgesteld door de prognoseopsteller, waaruit minimaal 70% van de leerlingen van de school afkomstig is);
    • een aanduiding van de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven;
    • datum van ingang van de bekostiging;
    • de school moet voldoen aan de stichtingsnorm.

Stichtingsnorm, plaats en behoefte

Om op het Plan van scholen terecht te komen, moet een schoolbestuur aantonen dat voldoende leerlingen de school zullen bezoeken. Dit gebeurt op grond van een leerlingenprognose. Het aantal leerlingen moet minimaal de stichtingsnorm (=10/6 maal de opheffingsnorm) bedragen, waarbij een ondergrens geldt van 200 leerlingen. Dit aantal leerlingen moet binnen vijf jaar op de school aanwezig zijn en dit moet gedurende 15 jaar in elk geval zo blijven. Een overzicht van de stichtingsnormen per gemeente vindt u hieronder:

Leerlingenprognose

Een prognose van het te verwachten aantal leerlingen (artikel 75, lid 3 WPO):

-   geeft inzicht in het te verwachten aantal leerlingen voor elk jaar van het tijdvak waarop de prognose betrekking heeft;

-    is gebaseerd op statistische gegevens over een tijdvak van vijf jaar;

-    vermeldt de berekeningen die tot de uitkomsten hebben geleid.

 

De prognose bevat bovendien gegevens omtrent:

-          het voedingsgebied: het gebied (vastgesteld door de prognoseopsteller) waaruit de school ten minste 70% van zijn leerlingen betrekt;

-          de plaats in de gemeente waar het onderwijs gegeven moet worden;

-          de bevolking in het voedingsgebied van 0 t/m 14 jaar, verdeeld in leeftijdsgroepen van één jaar;

-          de te verwachten instroom naar en uitstroom uit die bevolking;

-          het te verwachten aantal levendgeborenen;

-          indien het openbaar onderwijs betreft waarvoor nog geen basisonderwijs binnen de gemeente wordt gegeven: het belangstellingspercentage voor het openbaar onderwijs in een vergelijkbare gemeente. Indien het openbaar onderwijs betreft waarvoor reeds een school binnen de gemeente aanwezig is: het belangstellingspercentage voor de openbare school of scholen binnen de gemeente;

-     het Ministerie van OCW kan nadere eisen voor een prognose stellen o.g.v. artikel 75, lid 4 WPO.

 

 

Deelname- en belangstellingspercentage

De leerlingenprognose dient uit te gaan van de basisgeneratie voor het stichten van scholen. Uit de basisgeneratie wordt, met behulp van deelname- en belangstellingspercentages, het leerlingenaandeel van de verlangde school berekend. Het deelnamepercentage betreft dat deel van de basisgeneratie, dat daadwerkelijk basisonderwijs zal gaan volgen. Het uitgangspunt mag niet langer dan 2 jaar in het verleden liggen, omdat de prognose moet worden gebaseerd op recente gegevens.

 

Wanneer er binnen de gemeente van vestiging van de te stichten school geen andere school van dezelfde denominatie aanwezig is, dient het schoolbestuur de aanvraag te onderbouwen met een prognose op basis van het belangstellingspercentage van een vergelijkbare gemeente. Bij het bepalen van een vergelijkbare gemeente dient er niet alleen naar het bevolkingsaantal te worde gekeken, maar dient er een uitgebreid onderzoek te worden gedaan naar geografische ligging, leerlingdichtheid en de verwachte demografische samenstelling van de bevolking van de wijk (Afdeling Bestuursrechtspraak RvS, 4 september 2000).

 

Directe meting

De Wet op het primair onderwijs biedt de mogelijkheid om naast de verplicht in te dienen prognose zoals hierboven beschreven (de zogenaamde indirecte meting), ook gegevens aan te leveren die gebaseerd zijn op een directe meting, waarbij het belangstellingspercentage gebaseerd is op de resultaten van die meting (artikel 75, lid 3, punt 7).

De directe meting is bedoeld als aanvullende methode voor het geval de prognose die is gemaakt via de indirecte meting, onvoldoende gegevens oplevert voor de bepaling van de behoefte aan een school.

Wanneer door de aanvrager gebruik wordt gemaakt van de directe meting, dienen er dus twee prognoses te worden ingediend. Eén op basis van het reguliere belangstellingspercentage van de betreffende of vergelijkbare gemeente en één op basis van het belangstellingspercentage dat is gebaseerd op de resultaten van de directe meting.

 

De directe meting moet voldoen aan enkele minimumvoorwaarden.

-     De directe meting mag niet langer dan drie jaar geleden zijn uitgevoerd. Dit gerekend vanaf het moment dat een bestuur het verzoek indiende om te worden opgenomen op het Plan van scholen. Bovendien moet een onafhankelijk onderzoeksbureau de directe meting hebben uitgevoerd op basis van een schriftelijke enquête;

-    De directe meting moet verder zijn gebaseerd op een representatieve aselecte steekproef uit de onderzoekspopulatie die bestaat uit de ouders of verzorgers van kinderen van 0 tot en met 11 jaar, en die woont in het voedingsgebied van de gewenste school. Het onderzoek moet zich richten op de voorkeuren van de ondervraagden voor alle richtingen en moet de anonimiteit van de ondervraagden garanderen.

 

Ingang bekostiging

De bekostiging van een school kan pas beginnen, als de school voorkomt op een Plan van scholen dat betrekking heeft op de gemeente waar men de school wil vestigen, en dat door de minister is goedgekeurd. Als er aanvragen zijn ingediend, dan stelt de gemeenteraad het Plan elk jaar vóór 1 augustus vast. Het Plan bestrijkt drie achtereenvolgende schooljaren die volgen op het jaar van de vaststelling, en vermeldt in elk geval welke scholen bij de aanvang van het eerste schooljaar van de planperiode voor bekostiging in aanmerking komen. Daarnaast wordt gemotiveerd onderbouwd waarom aangevraagde scholen niet op het Plan zijn opgenomen. De bekostiging van een nieuwe school kan alleen starten op 1 augustus (artikel 74, lid 2 WPO).

 

1.2 Verzoekprocedure en termijnen

Het verzoek om te worden opgenomen op het Plan van scholen wordt ingediend bij de gemeenteraad  van de gemeente waar het schoolbestuur de school wil vestigen. De gemeenteraad stelt het Plan vast en stuurt het ter goedkeuring naar de minister.

 

Termijnen openbaar onderwijs

De Wet op het primair onderwijs heeft geen termijnen opgenomen voor het indienen van een verzoek tot opneming in het Plan van scholen van een openbare school. Wij adviseren om hierover op lokaal niveau in het op overeenstemming gericht overleg (o.o.g.o.) afspraken te maken. Voor openbare scholen die zelfstandig zijn geworden en dus los staan van de gemeenten is het raadzaam om naar analogie van de bijzondere scholen te handelen voor wat betreft het indienen van de aanvragen.  Hierbij dient uiteraard wel rekening gehouden te worden met de wettelijke kaders. Zo is op basis van artikel 75 WPO alleen het college bevoegd een aanvraag voor opneming in het Plan van scholen bij de gemeenteraad in te dienen. Een (verzelfstandigd) openbaar schoolbestuur heeft die bevoegdheid niet.

Raad van State, 9 januari 2008,  zaaknummer 200703448/1, Maasbree

Termijnen bijzonder onderwijs

Voor het indienen van een verzoek tot opneming in het Plan van scholen van een bijzondere school gelden de volgende (fatale) termijnen:

-   vóór 1 februari: verzoek van het schoolbestuur aan de gemeenteraad om opneming in het Plan van scholen (artikel 76, lid 1 WPO);

-    vóór 1 maart wordt door burgemeester en wethouders meegedeeld of er aanvullende gegevens nodig zijn (artikel 76, lid 2 WPO);

-    vóór 1 april moet het bevoegd gezag deze aanvullende gegevens verstrekken. Gebeurt dit niet dan wordt het verzoek buiten behandeling gelaten (artikel 76, lid 2 WPO).

 

Termijn van besluitvorming gemeenteraad

Vóór 1 augustus stelt de gemeenteraad, al dan niet in samenwerking met de raad van een of meerdere

gemeenten, het Plan vast, zowel voor het openbaar als voor het bijzonder onderwijs. Aan het Plan wordt een overzicht toegevoegd van de verzoeken die niet zijn ingewilligd, inclusief de motivering daarvoor. Binnen twee weken na de vaststelling van het Plan wordt het aan alle verzoekers toegestuurd, met vermelding van de datum waarop het ter goedkeuring aan de minister is gezonden (artikel 79, lid 1 WPO). Ook dient de besluitvorming binnen twee weken ter goedkeuring aan de minister van OCenW te worden toegezonden (artikel 79, lid 2 WPO). Het Plan ligt gedurende zes weken ter inzage in het gemeentehuis.

 

Termijn van besluitvorming minister

In artikel 79 van de WPO is geregeld op welke wijze de minister de aanvragen beoordeelt. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:

-          indien de bij de aanvraag gevoegde gegevens onvoldoende zijn om het verzoek te kunnen beoordelen, vraagt de minister vóór 15 september om aanvullende gegevens die door burgemeester en wethouders vóór 15 oktober aan de minister moeten worden toegestuurd. Geven dezen hieraan geen gehoor, dan wordt het verzoek verder buiten behandeling gelaten;

-          de minister beslist vóór 1 januari van het daaropvolgende jaar over de goedkeuring van het Plan en stuurt binnen twee weken daarna een afschrift van de beslissing aan de gemeenteraad. Indien de minister niet vóór 1 januari beslist, wordt het Plan geacht te zijn goedgekeurd. Indien de minister beslist dat een school verwijderd moet worden van het Plan, dan deelt hij deze beslissing binnen twee weken mee aan de indiener van het verzoek, de gemeenteraad (zie voor verdere actie hieronder: weigeringsgronden goedkeuring minister).

 

1.3 Weigeringsgronden goedkeuring minister

De minister onthoudt zijn goedkeuring indien in het Plan geen openbare school is opgenomen waar wel behoefte bestaat aan openbaar onderwijs en binnen 10 kilometer van de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven (gemeten over de weg) geen school aanwezig is waar openbaar onderwijs wordt gegeven. Wanneer de minister om deze reden goedkeuring weigert, dan draagt deze de gemeenteraad op alsnog een openbare school in het Plan op te nemen.

 

Goedkeuring blijft eveneens uit indien:

-          het op grond van de gegevens die bij het verzoek om goedkeuring zijn overgelegd, niet aannemelijk is dat een school overeenkomstig de artikelen 77 en 78 WPO zal worden bezocht door het vereiste aantal leerlingen;

-          de stichting van een openbare school niet noodzakelijk is omdat bovenbeschreven situatie zich niet voordoet;

-          niet is voldaan aan de wettelijke eisen met betrekking tot de prognoses;

-          men is uitgegaan van kennelijk ondeugdelijke prognoses of,

-          ten aanzien van een op het Plan geplaatste school ten onrechte niet is bepaald dat zij voor bekostiging in aanmerking komt bij de aanvang van het eerste schooljaar van de planperiode. In dit geval draagt de minister de gemeenteraad op in het Plan alsnog te vermelden dat de betrokken school bij de aanvang van het eerste schooljaar van de planperiode in aanmerking komt.

 

Indien door toepassing van één van vorenstaande punten door de minister een school uit het Plan moet

vervallen, maakt de minister dit besluit binnen 2 weken bekend aan de indiener van het verzoek. Als de uitspraak c.q. het naar aanleiding daarvan genomen besluit van de minister aangeeft dat de school voor bekostiging in aanmerking komt, dient de gemeenteraad de school op te nemen in het eerstvolgende vast te stellen Plan.

 

Bekostiging van scholen die op het Plan voorkomen

Als scholen gedurende een periode van drie achtereenvolgende jaren in het Plan zijn opgenomen en niet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, dient de gemeenteraad in het daarop volgende schooljaar de school voor bekostiging in aanmerking te brengen (artikel 81 WPO).

 

Scholen uit voorgaand Plan

In elk Plan worden de scholen uit het voorgaande Plan opgenomen, die (artikel 82, lid 1, WPO):

-          die nog niet voor bekostiging in aanmerking komen of,

-          voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, maar waaraan het onderwijs nog niet is aangevangen.

 

Uit het voorgaande Plan worden aanvragen niet opgenomen, indien (artikel 82, lid 2, WPO):

-     de indiener van een verzoek heeft gevraagd de school te laten vervallen;

-     het onderwijs aan een bijzondere school niet is gestart bij aanvang van het tweede schooljaar dat volgt op het schooljaar waarvoor de school het eerst voor bekostiging in aanmerking is gebracht, tenzij opneming in het plan op grond van de bij een nieuw verzoek overgelegde gegevens gerechtvaardigd is, of,

-    zich naar het oordeel van de gemeenteraad omstandigheden hebben voorgedaan die bij de vaststelling van het Plan niet bekend waren, en die, waren zij wel bekend geweest, tot een ander besluit zouden hebben geleid.

 

Bezwaar en beroepsmogelijkheden

Als de gemeenteraad een verzoek tot opneming in het Plan van een bijzondere of openbare school niet heeft ingewilligd, kunnen de verzoekers administratief beroep instellen bij de minister (artikel 80, lid 1, WPO). Indien een onherroepelijk geworden beslissing in beroep of een uitspraak naar aanleiding van de beslissing in beroep, dan wel het naar aanleiding daarvan genomen besluit van de minister, strekt tot het voor bekostiging in aanmerking brengen van een school, neemt de gemeenteraad de school op in het na de beslissing in beroep, de uitspraak of het besluit vast te stellen Plan (artikel 80, lid 2, WPO).

 

2.         Stichting scholen voor speciaal basisonderwijs (sbo)Voor de speciale scholen voor basisonderwijs geldt een aparte regeling. Dit is weergegeven in de artikelen 86 tot en met 89 van de WPO.

De minister kan een school op aanvraag van het bevoegd gezag van de school voor bekostiging in aanmerking brengen. De minister willigt de aanvraag slechts in, indien (artikel 87 WPO):

-          de schoolbesturen van alle basisscholen in het samenwerkingsverband met het verzoek instemmen;

-          het samenwerkingsverband meer dan de helft van de basisscholen omvat in een nieuwe woningbouwlocatie van ten minste 15.000 woningen of in aan elkaar grenzende woningbouwlocaties waar binnen 10 jaar in totaal ten minste 15.000 woningen worden gebouwd;

-          het samenwerkingsverband nog niet over een speciale school voor basisonderwijs beschikt en,

-        als gevolg van de oprichting van het samenwerkingsverband niet een reeds bestaand samenwerkingsverband onder de norm van een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18 WPO terecht zou komen.

 

De aanvraag kan op ieder moment worden ingediend. De daadwerkelijke start van de school kan alleen maar op 1 augustus plaatsvinden.

 

3.         Stichting scholen voor speciaal onderwijs (so)

Binnen het speciaal onderwijs is de Plan van Scholen procedure buiten werking gesteld (artikel 75, WEC). Dat betekent dat er ? uitzonderingen daargelaten ? geen nieuwe scholen voor speciaal onderwijs kunnen worden gesticht. Daarnaast is het via de Plan van Scholen procedure ook niet mogelijk om een nevenvestiging te starten. De inwerkingtreding van de Regeling LeerlingGebondenFinanciering (LGF) heeft geen gevolgen voor de Plan van Scholen procedure. Ook na 1 augustus 2003 is het in principe niet mogelijk een nieuwe school te stichten. Om toch tot een betere spreiding van het speciaal onderwijs te kunnen komen, wordt in de Regeling LGF geregeld dat:

a. scholen nevenvestigingen kunnen inrichten;

b. scholen leerlingen kunnen toelaten die zijn geïndiceerd voor een andere onderwijssoort binnen het REC dan de onderwijssoort die door de school wordt verzorgd (verbrede toelating).

 

Het REC dient hiertoe een spreidingsplan op te stellen (artikel 76a WEC). De minister gaat ervan uit dat het spreidingsplan in goed overleg binnen het REC en met de aanpalende REC?s totstandkomt. Elk betrokken schoolbestuur dient in te stemmen met het spreidingsplan.

Het speciaal onderwijs is ingedeeld in vier clusters. Voor cluster I geldt een aparte systematiek; dit cluster bestaat slechts uit drie REC?s, waarvoor reeds eerder een regeling getroffen is. Voor de overige drie clusters geldt dat per REC een spreidingsplan gemaakt dient te worden. Een gemeente kan derhalve met drie spreidingsplannen en de daaruit voortkomende verzoeken tot nevenvestiging worden geconfronteerd. REC?s binnen een cluster kunnen elkaar niet overlappen; de gemeente kan daarom per cluster slechts van één REC een spreidingsplan ontvangen.

 

Nevenvestiging

De bevoegdheid tot het inrichten van een nevenvestiging is voorbehouden aan schoolbesturen (WEC 76a). Een schoolbestuur meldt bij het REC dat zij een nevenvestiging wil inrichten. Indien het verzoek aan alle eisen voldoet dan wordt de nevenvestiging opgenomen in het spreidingsplan van het REC. Dit plan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de minister.

Een nevenvestiging kan alleen in een andere gemeente dan de gemeente van hoofdvestiging worden aangevraagd. Binnen het REC dient overeenstemming te zijn tussen de in het REC participerende schoolbesturen en de schoolbesturen in de aanpalende REC?s over de start van een nevenvestiging. Het REC kan niet zelfstandig een nevenvestiging starten.

Bij het inrichten van een nevenvestiging wordt de gemeente waar de nevenvestiging gestart gaat worden gevraagd hiermee in te stemmen. Op basis van het spreidingsplan ? waarin de nevenvestiging is aangegeven ? verzoekt het REC de gemeente een ?verklaring tot geen bezwaar? te ondertekenen. De gemeenteraad is het bevoegd orgaan te besluiten over de komst van een nevenvestiging; het gaat immers om een uitbreiding van de gemeentelijke zorgplicht met financiële consequenties. Na het raadsbesluit is het aan het college om uitvoering te geven aan dit besluit en de verklaring van geen bezwaar al dan niet te tekenen.

 

In artikel 76a WEC is de procedure voor het starten van een nevenvestiging vastgelegd. Het schoolbestuur van de school voor speciaal onderwijs dient voor 1 februari een verzoek in bij het REC om opgenomen te worden in het spreidingsplan van het REC. Voor 1 augustus daaropvolgend stelt het REC het spreidingsplan vast. De minister keurt uiterlijk 1 december daaropvolgend het spreidingsplan goed. Bij goedkeuring start de bekostiging van de nevenvestiging op 1 augustus daaropvolgend. Na goedkeuring door de minister kan het schoolbestuur bij de gemeente een aanvraag voor huisvesting indienen.

 

Consequenties voor gemeenten

Bij een nevenvestiging wordt de gemeente gevraagd een verklaring van geen bezwaar te ondertekenen. De afweging in te stemmen met de nevenvestiging is aan de gemeenteraad. Er zijn geen beperkingen aan deze afweging opgelegd. De gemeenteraad kan de financiële consequenties als belangrijk argument gebruiken om een verklaring van geen bezwaar wel of niet te tekenen. Het is daarom van belang goed in beeld te krijgen wat de financiële effecten zullen zijn van de te starten nevenvestiging. Wellicht heeft de komst van een nevenvestiging consequenties voor het leerlingenvervoer? Welke voorzieningen wenst de gemeente te realiseren?

Bij een door de minister goedgekeurde nevenvestiging ontvangt de gemeente van de nevenvestiging een vergoeding voor de zorgplicht in het gemeentefonds (via het bedrag per leerling SO). De gemeente van hoofdvestiging ontvangt dus geen vergoeding meer voor het aantal leerlingen dat ingeschreven staat op de nevenvestiging.

Er bestaat geen normering voor een nevenvestiging. Voor de materiële instandhouding en het personeel beschouwt de minister de hoofdvestiging en de nevenvestiging als één school met één bekostiging. De school ontvangt dus geen extra vergoeding ten behoeve van de nevenvestiging.

Gemeente en schoolbestuur dienen in onderling overleg te komen tot afspraken over de huisvesting van de nevenvestiging. Het is hierbij niet vanzelfsprekend dat de nevenvestiging als een volwaardige ? dus inclusief alle speciale voorzieningen waarover een hoofdvestiging beschikt ? zelfstandig functionerende school wordt gehuisvest. Uiteraard dient altijd rekening gehouden te worden met de minimumeisen zoals vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO (Staatsblad 1997, 125).

De gemeente heeft geen rol bij de verbrede toelating op scholen.

 

4. Veel gestelde vragen Plan van Scholen

 

 

Termijnen

Een aanvraag is te laat ingediend. Hoe wordt hiermee omgegaan?

Voor het indienen van een verzoek tot opneming in het Plan van scholen van een bijzondere school gelden de volgende termijnen:

 vóór 1 februari: verzoek van het schoolbestuur aan de gemeenteraad om opneming in het Plan van scholen (artikel 76, lid 1 WPO);

 vóór 1 maart wordt door burgemeester en wethouders meegedeeld of er aanvullende gegevens nodig zijn (artikel 76, lid 2 WPO);

   vóór 1 april moet het bevoegd gezag deze aanvullende gegevens verstrekken. Gebeurt dit niet dan wordt het verzoek buiten behandeling gelaten (artikel 76, lid 2 WPO).

 

Dit zijn zogenaamde fatale termijnen. Het betekent dat een te laat ingediende aanvraag niet ontvankelijk is en buiten behandeling wordt gesteld. Dit blijkt uit de elkaar opvolgende termijnen in de wet en het uiteindelijke fatale karakter voor de Minister zoals beschreven in artikel 79, derde lid, derde volzin van de Wet op het primair onderwijs en uit een uitspraak van de Raad van State van 8 augustus 2001. De Raad van State ging in deze zaak uit van de ontvangsttheorie. De datum waarop de aanvraag door de gemeente werd ontvangen, is daarbij bepalend.

 

Kan de termijn van 5 jaar waarbinnen de stichtingsnorm moet worden gehaald worden verlengd? Bijvoorbeeld omdat de woningbouw in het gebied wordt vertraagd?"
Nee, de termijn van 5 jaar is wettelijk vastgelegd.

 

Als de school nog niet is gesticht, kan een nieuwe stichtingsaanvraag worden ingediend. Zie hiervoor artikel 82, eerste lid WPO.
Als de school al wel is gesticht, maar in het vijfde jaar na aanvang van de bekostiging de stichtingsnorm niet zal halen, zijn er twee mogelijkheden:

a. In het derde jaar kan een nieuwe stichtingsaanvraag worden ingediend, de zogenaamde ?herstartprocedure?. Het bestaande Brinnummer blijft bij goedkeuring gehandhaafd. CfI schrijft overigens in het derde schooljaar na de start die scholen aan, die dreigen de stichtingsnorm niet te halen. Zie publicatie Gele Katern nr 18b van 26 juni 2000, Voorlichting CFI/FTO/BPL-2000/116981N onder punt 3.
b. De school wordt in stand gehouden op basis van artikel 157 WPO, de zogenaamde sytematiek van de ?gemiddelde schoolgrootte?.

 

Worden bij optie a, de leerlingen die op de opnieuw te starten school zijn ingeschreven in mindering gebracht op de nieuw te stichten school of niet?
Nee, in dat specifieke geval worden die leerlingen niet in mindering gebracht op de stichtingsruimte van de nieuw te stichten school.

De richting

Wat is een richting?

De Minister bepaalt na advies van de Onderwijsraad of er sprake is van een richting op basis waarvan een school bekostigd kan worden. Op dit moment zijn de volgende richtingen erkent: Openbaar, Rooms-katholiek, Protestants-christelijk, Gereformeerd Vrijgemaakt, Reformatorisch, Evangelisch, Evangelische Broedergemeente, Vrije School, Hindoe, Islamitisch, Joods, Algemeen Bijzonder.

Het begrip richting moet niet worden verward met de onderwijskundige methode die een school hanteert. Onder onderwijskundige methode wordt bijvoorbeeld Montessorisonderwijs of Jenaplanonderwijs verstaan. Zo kunnen er openbare en bijzondere (RK,PC) Jenaplanscholen zijn.

Het aanvragend schoolbestuur presenteert zich als algemeen bijzonder onderwijs: Moet de gemeente dit uitgangspunt toetsen ?

Ja, de richting bepaald onder andere het belangstellingspercentage voor de school. Dit is van belang om te bepalen of de school op termijn voldoet aan de stichtingsnorm.

Zo ja, hoe kan deze toetsing plaatsvinden ?

Uit de aanvraag moet blijken om welke richting het gaat. Uit de statuten moet duidelijk blijken wat het doel van de Stichting is die de aanvraag doet en op welke grondslag er onderwijs wordt gegeven.

Toetsing
Wat kan de gemeente doen wanneer twee of meer schoolbesturen van dezelfde richting een aanvraag hebben ingediend voor opneming op het Plan van Scholen, terwijl er stichtingsruimte is voor slechts één school.

De wet biedt de gemeente in dat geval geen mogelijkheden om tussen deze aanvragers te kiezen. Dat betekent dat deze aanvragen moeten worden afgewezen, tenzij de aanvragers er onderling uitkomen, er aanvragen worden ingetrokken zodat één aanvraag overblijft. Zie hiervoor deze uitspraak van de Raad van State. Uit de tekst onder r.o. 2.2 blijkt dat de Minister de keuze van de gemeente voor één van de twee aanvragers heeft afgewezen vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag daarvoor. Dit had overigens uiteindelijk om procedurele redenen in dat geval geen consequenties.

Uitspraak Raad van State van 28 februari 2007

 

 

Hoe ver gaat de rol van de gemeente als toetser van de aanvraag? Dient de gemeente zelf onderzoek uit te voeren als aanvrager onvoldoende helderheid biedt, of moet het de aanvraag juist o.b.v. die onduidelijkheid afwijzen? De gemeente dient de aanvraag volledig te toetsen, dus op alle aspecten die in de Wet genoemd worden. De gemeente heeft daarbij de wettelijke gelegenheid de aanvrager de mogelijkheid te bieden een aanvraag te completeren. Daarbij worden in de wet begrippen gebruikt die voor meerdere interpretatie vatbaar zijn. Te denken valt daarbij aan de begrippen ?redelijke afstand? en ?vergelijkbare gemeente?. In die gevallen is het aan de gemeente om, mede op basis van jurisprudentie, zelf een uitspraak te doen / een oordeel te vellen over hetgeen door de aanvrager hierover wordt aangeleverd / opgemerkt. Indien door de aanvrager niets wordt aangeleverd / opgemerkt over bijvoorbeeld de redelijke afstand (toepassing art 78 WPO) kan de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag toch met die gegevens (indien uiteraard voor zover van toepassing) rekening houden.

 

 

Voedingsgebied
Wat mag tot het voedingsgebied gerekend worden in relatie met de prognose? De prognose wordt vastgesteld aan de hand van de gegevens die gelden voor het voedingsgebied.

Het aangegeven voedingsgebied is groter dan de gemeente. Hoe moet hiermee omgegaan worden ?
Tot voor kort werd er in de meeste gevallen van uit gegaan dat het voedingsgebied de gemeentegrenzen kan overstijgen. In een recente uitspraak van 2 maart 2005, heeft de Raad van State opgemerkt dat:  ?Nog daargelaten dat de Afdeling uit het bepaalde in het vierde lid van artikel 77 van de WPO afleidt dat het aantal leerlingen dat noodzakelijk is om aan de stichtingsnorm te kunnen voldoen, in beginsel afkomstig moet zijn uit het deel van het voedingsgebied dat ligt in de gemeente waar het onderwijs zal worden gegeven?. Deze uitspraak lijkt het voedingsgebied te begrenzen tot het grondgebied van de gemeente. De  RvST heeft echter de term ?in beginsel? gehanteerd hetgeen ruimte biedt voor een ander uitgangspunt.

Kan een voedingsgebied ook een gedeelte van een gemeente bevatten?

Ja, dat kan. Dan geldt overigens wel het gemeentelijk belangstellingspercentage.

Speelt het gegeven dat de meeste kinderen van buiten de gemeente komen een rol bij de beoordeling van de aanvraag?

Dit gegeven speelt een rol bij de prognose. De prognose (die dus wordt vastgesteld aan de hand van de gegevens die gelden voor het voedingsgebied) dient in zo?n situatie te zijn opgebouwd uit bevolkings- en leerlinggegevens van meerdere gemeenten.

Wat wordt verstaan onder redelijke afstand?

Dat dient in eerste instantie door de gemeente zelf geïnterpreteerd te worden en is afhankelijk van de situatie ter plaatse. Vroeger werd een afstand van 3 kilometer gebruikt. Dit is vervangen door het begrip redelijke afstand omdat dit te star was. De redelijke afstand is niet alleen maar een hemelsbreed gemeten gegeven maar kan bijvoorbeeld ook worden beïnvloed door infrastructurele belemmeringen.

Aan welke eisen moet een vergelijkbare gemeente voldoen?
In de Wet op het primair onderwijs wordt de termijn ?vergelijkbaar? niet uitgelegd/ingevuld. Echter, uit de Memorie van Toelichting bij de behandeling van de wet in de Tweede Kamer valt te lezen dat toen werd gesproken over drie criteria, te weten leerlingendichtheid, aantal inwoners en regionale ligging.

Uit jurisprudentie blijkt echter dat ook de bevolkingssamenstelling een rol kan spelen. Zie hiervoor onder meer deze uitspraak. 

Prognose
Waaraan moeten prognoses voldoen?
Zie hiervoor de Modelprognose 2001

Komen de eisen overeen met de prognoses die in het kader van de onderwijshuisvesting worden gebruikt?

Ja, die prognoses kunnen ook hiervoor worden gebruikt. Met daarbij de toevoeging dat een huisvestingsprognose in de regel een termijn van 15 jaar beslaat terwijl de stichtingsprognose een tijdvak van 20 jaar dient te beslaan.

 

Moet bij de prognoses een opslag van 3% worden meegenomen? (zoals bij de  materiele instandhouding.)

Nee, hiervoor geldt geen opslag van 3%.

 

Bij een Iederwijsschool wordt onderwijs gegeven aan groepen met leerlingen van 4 tot 18 jaar. Hoe moet daarmee worden omgegaan?

In de prognose wordt alleen maar gekeken naar de 4-12 jarigen. Er wordt immers een basisschool gevraagd.

 

Daaraan gerelateerd: is het in zo?n geval een basisschool of een school voor voortgezet onderwijs?

Er wordt bekostiging gevraagd voor een basisschool. Er wordt dus beoordeeld of er een basisschool kan komen. De Wet op het Primair Onderwijs is daarbij van toepassing. Een school voor voortgezet onderwijs dient anders te worden aangevraagd. Hiervoor zijn de bepalingen in de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) van toepassing.

 

Overige

Wat zijn de mogelijkheden voor een school om een beroep te doen op de Experimentenwet 1970? En speelt de gemeente daarbij nog een rol?

Zie hier voor de tekst van die Wet. Dit is een aangelegenheid tussen de Minister en het aanvragende schoolbestuur. De gemeente speelt daarbij geen rol.

 

Artikel 83 WPO: besluit tot niet vaststellen PvS. Wie neemt dat?

De gemeenteraad.

 

Onze gemeente zit in een herindelingproces. Volgend jaar zal naar verwachting de erindeling een feit zijn. Wat zijn de consequenties voor de Plan van Scholenprocedure?

Normaal is de stichtingsnorm die geldt op de datum van de aanvang van de bekostiging van toepassing. Echter, in het geval van een gemeentelijke herindeling geldt de stichtingsnorm voor de gemeente op het moment van aanvraag.

 

Wanneer wordt de stichtingsnorm aangepast?
De stichtingsnorm wordt vastgesteld voor een periode van vijf jaar. De nieuwe periode begint op 1 augustus 2008. De nieuwe normen worden voor 1 november 2007 (zie art 77, derde lid WPO) gepubliceerd. Zolang deze normen nog niet bekend gemaakt zijn, wordt gewerkt met de huidige stichtingsnormen.

 

Wat is het verschil tussen een verhuizing en een verplaatsing van een school en welke rol speelt de gemeente daarbij?
Over dit onderwerp vindt u hier meer informatie.

 

Wat is de koppeling tussen het advies van de inspectie van het onderwijs, de erkenning van de school door de leerplichtambtenaar en het plaatsen op het Plan van Scholen?
De aanmerking van een school door de leerplichtambtenaar als school in de zin van de Leerplichtwet biedt geen enkele mogelijkheid voor bekostiging. Deze aanmerking heeft uitsluitend als gevolg dat aan de aangemerkte school aan de leerplicht kan worden voldaan.

De inspectie vervult twee rollen:

-          de inspectie kan op verzoek van de leerplichtambtenaar adviseren over de aanmerking van een school, en

-          zodra de school is aangemerkt valt de school onder het reguliere (kwaliteits)toezicht van de inspectie.

Meer informatie over leerplicht / inspectie particulier onderwijs.

 

5. Jurisprudentie
Waar kan ik jurisprudentie over dit onderwerp vinden?

Die treft u hier aan.