Decentralisatie-uitkering voorschoolse voorziening peuters

In 2015 waren er ongeveer 40.000 peuters die niet naar een voorschoolse voorziening gingen. Voor deze groep hebben Rijk en VNG bestuurlijke afspraken gemaakt, met als doel dat alle peuters gebruik kunnen maken van een voorschoolse voorziening. Hiervoor komt extra geld beschikbaar.

Het Rijk stelt via een decentralisatie-uitkering aan gemeenten een aanvullend budget beschikbaar dat oploopt tot structureel € 60 miljoen per jaar. Dit geld is specifiek bedoeld voor de leeftijdsgroep 2,5 tot 4 jaar. Vanaf 2016 neemt het binnen de gemeente hiervoor beschikbare budget jaarlijks met € 10 miljoen toe tot aan € 60 miljoen in 2021. Dit oplopende bedrag zal stapsgewijs vanaf 2016 structureel aan het gemeentefonds worden toegevoegd.

Doel

Het doel van de structurele decentralisatie-uitkering is om de peuters toe te leiden naar een plek in de opvang met een stimuleringsopdracht voor de gemeente om dit te realiseren. De bedoeling is: 

  • dat in 2019 het aantal peuters binnen de gemeente dat geen gebruikmaakt van opvang gehalveerd is
  • dat in 2021 alle peuters binnen de gemeente gebruikmaken van een voorschoolse voorziening/een aanbod hebben gekregen voor gebruik van een kinderopvangplek.

Uitgezonderde groepen

De decentralisatieuitkering is niet bedoeld voor:

  • Peuters van wie de ouders kinderopvangtoeslag ontvangen, gefinancierd door de belastingdienst.
  • Peuters met een VVE-indicatie die naar een gesubsidieerde vorm van voorschoolse educatie gaan. Dit wordt betaald vanuit het onderwijsachterstandenbeleid.
  • Peuters die al gebruikmaken van een kinderopvangplek die door de gemeente wordt gesubsidieerd op basis van een gemeentelijke subsidieverordening.

Monitoring gemeenten

Volgens de bestuursafspraken zal de VNG iedere twee jaar een monitor uitvoeren bij alle gemeenten. In 2017 start een eerste meting. De volgende metingen zijn in 2019 en 2021. Het doel van de monitor is om inzicht te krijgen in het aantal peuters dat de afgelopen twee jaar naar een voorschoolse voorziening is gegaan, en de inspanningen die gemeenten hebben geleverd om een aanbod te doen aan ouders met peuters die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag en die momenteel geen gebruik maken van een voorschoolse voorziening.

Voor de monitor zijn de volgende gegevens van belang:

  1. Hoeveel peuters van 2,5 tot 4 jaar zijn er in totaal in uw gemeente?
  2. Hoeveel peuters gaan naar een vorm van opvang?

Het verschil tussen bovenstaande groepen is het aantal peuters waarvoor de gemeenten een inspanningsverplichting heeft. Voor de laatste groep 2 wordt aan de gemeenten gevraagd: Hoeveel peuters gaan naar een door de gemeente gesubsidieerde opvangplek? Hoeveel peuters gaan met een vve-indicatie naar een opvangplek? Hoeveel peuters gaan naar een niet door de gemeente gesubsidieerde opvangplek (ouders ontvangen hiervoor kinderopvangtoeslag).

Andere monitorvragen

In de monitor worden verder nog vragen gesteld over:

  • De inspanningen die gemeenten hebben geleverd om ervoor te zorgen dat dit aanbod actief wordt aangeboden aan peuters van niet-werkende ouders, alleenverdieners of alleenstaande ouders die nu geen gebruikmaken van voorschoolse voorzieningen?
  • Gemeenten die een groep peuters niet hebben bereikt, moeten onderbouwen waarom deze peuters (nog) geen gebruik maken van opvang en wat zij hebben gedaan om deze groep beter te bereiken.

Het onderzoek wordt uitgevoerd door een onderzoeksbureau. Via de website en het Forum van de VNG maken we bekend welk bureau het onderzoek doet en wanneer de gemeenten gevraagd wordt om de gegevens te leveren.

Advies aan alle gemeenten: verzamel vooraf al zoveel mogelijk deze gegevens!