Ondersteunende instrumenten

De Omgevingswet biedt naast zes kerninstrumenten ook ondersteunende instrumenten. Die zijn in te zetten voor de uitvoering van het beleid uit de omgevingsvisie. Daarnaast kunnen hogere bestuursorganen met de instrumenten zorgen dat lagere bestuursorganen hun beleid uitvoeren. Ondersteunende instrumenten voor de doorwerking van beleid zijn:

Daarnaast is er het instrument 'voorbereidingsbesluit'. Daarmee voorkomt een bestuursorgaan ongewenste nieuwe ontwikkelingen in de voorbereidingsperiode dat een kerninstrument wordt opgesteld.

Algemene regels

Voor sommige activiteiten gelden onder de Omgevingswet geen algemene rijksregels meer. Het gaat om activiteiten waarvoor de lokale situatie bepalend is. Zoals horeca, sportfaciliteiten, detailhandel, bouwmarkten, onderwijs- en kantoorgebouwen en dierenpensions. Het is aan elke gemeente om aan deze activiteiten wel of geen regels te stellen binnen de daarvoor mogelijk geldende instructieregels. Ook voor bouwwerken regelt het Rijk niet langer hinderaspecten. Waar het Rijk wel algemene regels stelt, komen er ruime mogelijkheden voor gemeenten om die te verbijzonderen als de lokale omstandigheden daarom vragen. Dat noemen we maatwerkregels.

Maatwerkregels

Een gemeente kan bijvoorbeeld hogere eisen stellen aan standaardwaarden op het gebied van energiebesparing voor nieuwe gebouwen. Met maatwerkregels kunnen gemeenten een impuls geven aan duurzaam materiaal- of energieverbruik. Deze ruimte wordt overigens begrensd door Europese verplichtingen.

Instructieregels

Ook binnen de instructieregels die het Rijk meegeeft aan gemeenten om besluiten te nemen, komt meer ruimte. Voor geluid van bedrijven kunnen gemeenten binnen een bandbreedte eigen normen stellen. En voor bestaande regels waarvoor gemeenten voorheen eerst bij de minister om toestemming moesten vragen voordat die toegepast mocht worden, kunnen gemeenten straks zelf beslissen.

Lokale omgevingswaarden

Hoe zit het met het stellen van lokale omgevingswaarden? Gemeenten mogen keuzes op maat maken die, gelet op de aard van het gebied, het meest passend zijn. Er is een standaardwaarde voor geluid, trilling, geur en bodem. Deze waarden zijn aanvaardbaar voor het gehele land. Maar gemeenten kunnen variëren – dat wil zeggen strenger zijn, of minder streng zijn dan de standaard. Voor lucht en externe veiligheid geldt daarentegen een minimale norm: de standaardwaarde. Gemeenten mogen dan wel nog strengere waarden aanhouden.

Naast deze aspecten van de fysieke leefomgeving die in (kwantitatieve) instructieregels zijn geregeld, bestaat er vrije regelruimte voor gemeenten. In de vrije regelruimte zijn gemeenten volledig vrij om regels te stellen. Zo kunnen gemeenten bijvoorbeeld een lichtnorm introduceren.

Bodemkwaliteit wordt geregeld in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving en in de Aanvullingswet bodem, die opgaat in de Omgevingswet. Exacte waarden zijn nog niet vastgesteld. Deze volgen nog. Bekend is wel dat er een systeem komt waarbij gemeenten (per functie) eigen bodemwaarden mogen bepalen en vastleggen in het omgevingsplan. Ook hier is sprake van meer bestuurlijke afwegingsruimte.

Omgevingswaarden zijn alleen gericht tot gemeenten die deze opstellen, niet tot burgers en bedrijven. Een omgevingswaarde schept twee verplichtingen voor gemeenten: de plicht tot monitoren en de plicht tot het opstellen van een programma met maatregelen als sprake is van een
dreigende overschrijding.

Gebruiksruimte

Een belangrijk begrip dat in dit kader nog moet worden genoemd, is dat van de ‘gebruiksruimte’. Een definitiebepaling van gebruiksruimte is niet opgenomen in de tekst van de Omgevingswet zelf omdat het geen juridisch instrument is, maar een beleidsmatig concept betreft.

Met de gebruiksruimte bedoelt de wetgever de binnen een gebied aanwezige juridische ruimte voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Binnen deze ruimte zijn activiteiten mogelijk zonder dat er doelen in het gedrang komen of dat er niet voldaan wordt aan omgevingswaarden. Binnen de gebruiksruimte moeten bedrijven, burgers en de overheid samen zorgen dat afgesproken omgevingswaarden binnen de gestelde grenzen blijven.

Afhankelijk van wat een gebied nodig heeft, kan de gemeente kiezen uit verschillende instrumenten om met de gebruiksruimte om te gaan.