Overzicht veelgestelde vragen over Mobiliteitsbeleid

Hieronder treft u de categorieen aan met vragen en antwoorden binnen het betreffende dossier. U kunt deze openklappen en lezen door op een categorie/vraag te klikken.

Het is de eigen verantwoordelijkheid van de gehandicapte of hij (zonder rijbewijs) als bestuurder (B) gebruik gaat maken van een brommobiel (waarvoor, gelet op het bepaalde in artikel 2a van het RVV 1990, eveneens een GPK kan worden afgegeven). Hij doet er wel verstandig aan de verzekeringsmaatschappij te informeren over zijn handicap. NB een brommobiel is geen gehandicaptenvoertuig.

Uitgangspunt is dat de aanvrager slechts één GPK krijgt met de letter B en/of P. Ons advies is om op de kaart bij de vervaldatum zowel de vervaldatum van de bestuurderskaart, met daarachter de letter B, als de vervaldatum van de passagierskaart, met daarachter de letter P, op te nemen.
Bij ‘kaartsoort’ zou dan ‘B (5 jaar) / P (1 jaar)’ kunnen worden vermeld. Indien de houder van de kaart van mening is dat hij na één jaar nog steeds voor een passagierskaart in aanmerking komt, moet hij zich opnieuw laten keuren.
De kosten voor een eventuele nieuwe GPK zullen dan niet bezwaarlijk zijn. Is de aanvrager van mening dat hij na één jaar niet meer voor een passagierskaart in aanmerking komt, dan kan hij de afgegeven kaart als bestuurderskaart blijven gebruiken.

Voor kinderen is bepaald dat een van de ouders of verzorgers de kaart moet ondertekenen. Wanneer een volwassene door omstandigheden niet in staat is een handtekening te plaatsen kan de gemeente de tekst “niet in staat om te tekenen” op de kaart aanbrengen (bijvoorbeeld met een stempel).

Ja. Een handicap is immers niet leeftijdgebonden. Een kind komt in de regel in aanmerking voor een passagierskaart en moet dan ook voldoen aan de criteria die daarvoor gelden. Uiteraard dient op de kaart een pasfoto (of een soortgelijke foto) van het kind te worden aangebracht.

Het probleem van de diefstal van GPK’s is in het kader van de evaluatie van de Regeling GPK aangekaart bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Op dit moment is het gelet op de regelgeving niet mogelijk om op de GPK een of meerdere kentekens te vermelden. Het wel vermelden van kentekens wekt verwarring bij instanties belast met de handhaving. Wat te doen wanneer het kenteken niet in overeenstemming is met het voertuig?
Op grond van de regelgeving mag een GPK immers in elk willekeurig voertuig worden gebruikt. De regelgeving kent geen sanctie op het oneigenlijk gebruik van een GPK met kenteken. Verder wordt de mobiliteit van de houder van een GPK belemmerd wanneer de GPK gekoppeld wordt aan een of meerdere kentekens.
Bij wijziging van voertuig moet de GPK bovendien worden vernieuwd, met alle kosten van dien. Zonder wijziging van de regelgeving heeft kentekening van de GPK meer nadelen dan voordelen.
NB de overige EU landen kennen net als Nederland alleen een persoonsgebonden kaart zonder kenteken(s). Inmiddels hebben wij vernomen dat GPK’s met kenteken ook worden gestolen (juli 2003). In het kader van de evaluatie hebben wij bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat nogmaals aangedrongen op een oplossing voor het diefstalprobleem. De gedachten gaan vooralsnog uit naar een databestand waarin de unieke nummers van de gestolen of verloren kaarten worden opgenomen. Tijdens controle kan dan met behulp van dit databestand ‘simpel’ worden geconstateerd of het om een gestolen of verloren kaart gaat.

De aanvrager dient in ieder geval één pasfoto in te leveren voor op de achterzijde van de GPK. In het aanvraagformulier, dat kan worden besteld bij het CIB, is uitgegaan van twee pasfoto’s (één voor de GPK en één voor het dossier). Een extra pasfoto t.b.v. het dossier kan met name van belang zijn bij de overdracht van het dossier aan een andere gemeente.

De houder van de kaart moet een aanvraag indienen om zijn huidige kaart aan te vullen met de letter ‘B’ van bestuurderskaart. Indien de nieuwe kaart dezelfde geldigheid krijgt als de oude, dan is geen nieuwe keuring nodig. Indien de kaart een nieuwe geldigheidsduur krijgt dient de aanvrager een nieuwe keuring te ondergaan.

Het komt incidenteel voor dat een gehandicapte met zijn auto naar het vliegveld rijdt en daar zijn auto parkeert op een gehandicaptenparkeerplaats. Zijn GPK kan hij dan niet in het buitenland gebruiken. Wanneer dit onoverkomelijke problemen oplevert zou bijvoorbeeld voor de duur van het verblijf in het buitenland een extra GPK kunnen worden afgegeven.
Daarvoor zou eventueel een speciaal tarief in rekening kunnen worden gebracht. Een extra kaart om met meerdere auto’s van de parkeerfaciliteiten gebruik te kunnen maken is niet mogelijk. De kaart is persoonsgebonden en de regelgeving gaat uit van één GPK per persoon. Meerdere kaarten werkt bovendien misbruik in de hand.

Nee, op de GPK moet dan bij “kaarttype” zowel de hoofdletter B als de hoofdletter P worden genoteerd. Daarmee wordt in de regeling al aangegeven dat slechts één kaart per aanvrager wordt verstrekt. In incidentele gevallen kan dit voor problemen zorgen. Deze problemen wegen over het algemeen niet op tegen de kans op misbruik van de extra kaart.

Of de GPK geldig is in niet EU landen is centraal niet bekend. Houders van een GPK kunnen het beste contact opnemen met het betreffende verkeersbureau, de ANWB of eventueel de betreffende ambassade.

Ja. De nummers van de geleende kaarten, alsmede de nummers van de kaarten die worden teruggegeven moeten wel worden doorgegeven aan de leverancier. Deze is namelijk verplicht bij te houden welke kaartnummers hij aan welke gemeente heeft geleverd.

Nee, uit artikel 85 van het RVV 1990 blijkt dat de GPK bedoeld is voor (bestuurders van) motorvoertuigen op meer dan twee wielen. Volgens de begripsbepalingen van het RVV 1990, artikel 1 onder z, zijn motorvoertuigen alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen.

Nee. Per aanvraag mag slechts één kaart worden afgegeven, om misbruik te voorkomen. Een duplicaat wordt pas afgegeven na diefstal, verlies of slijtage van de GPK (zie artikel 52 van het BABW), en niet om iemand een extra kaart te gunnen. Op grond van het bepaalde in artikel 53 van het BABW verliest een GPK zijn geldigheid na afgifte van een duplicaat. Daaruit en uit de geest van de regeling blijkt dat slechts één GPK afgegeven mag worden. In incidentele gevallen kan dit voor problemen zorgen. Deze problemen wegen over het algemeen niet op tegen de kans op misbruik van de extra kaarten die zouden moeten worden verstrekt.

Ja. Zie artikel 5, tweede lid, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart.

Ja. Het lamineren van de GPK is een van de aanbevelingen van de Europese commissie. Nederland heeft de aanbeveling overgenomen, dus ook het lamineren. Belangrijker is evenwel het feit dat het laminaat deel uit maakt van de beveiliging van de GPK. Het laminaat is een van de beveiligingskenmerken.

De kaarten zijn voorzien van een uniek nummer. Registratie is niet verplicht, maar de VNG roept gemeenten wel op om tot registratie over te gaan. Hiermee kan fraude voorkomen worden en diefstal ontmoedigd. Voor meer informatie over de registratie  kan men contact opnemen met de RDW. (zie:  RDW, Servicehuis Parkeren)

Door het CIB wordt aanbevolen om de procedures te volgen die gelden voor paspoort en rijbewijs. Foutief ingevulde kaarten moeten worden vernietigd. De nummers van deze kaarten dienen geregistreerd te worden.

De kaarten zijn zo vervaardigd dat deze zowel met de pen, typemachine als met een printer bewerkt kunnen worden. Het gebruik van een zogenaamde AIT printer is niet verplicht. Door het CIB wordt evenwel aanbevolen om de personalisering op dezelfde wijze te verrichten als bij het paspoort en het rijbewijs.

In eerste instantie is het advies om bij de personialisering de aanbeveling van het CIB te volgen (als ware het een paspoort of rijbewijs). Achter “Naam:” alleen de achternaam, de beperkte ruimte zal een eventuele aanvulling met de meisjesnaam vaak niet mogelijk maken (is ook niet verplicht, is aanbeveling). Voorvoegsel achter de naam. Bij “Voornaam:” 1e “doopnaam voluit, de rest alleen de initialen.

Nee, de kaart die is afgegeven door de vorige gemeente hoeft niet te worden vervangen. Bij verhuizing wordt wel aanbevolen het (medisch) dossier van de houder van de kaart over te dragen aan de nieuwe gemeente.

In het laminaat is een uitsparing waardoor het mogelijk is om na het lamineren een handtekening te plaatsen. Deze mogelijkheid is opgenomen voor gehandicapten waarvoor het zeer moeilijk is om de GPK zelf op te halen. Na (aangetekende) toezending van de GPK kan de aanvrager dan alsnog zijn handtekening plaatsen. Wanneer de aanvrager wel in staat is om de kaart op te halen is het aan te bevelen om eerst de handtekening te laten plaatsen en pas daarna de kaart te lamineren. Door de beperkte uitsparing kan het lastig zijn om een handtekening te plaatsen.

Het CIB geeft als aanbeveling om de beveiligingsprocedures die op de afgiftepunten gelden rondom de opslag, het interne transport en de personalisering van bijvoorbeeld rijbewijzen en paspoorten, ook op de GPK van toepassing te verklaren.

Nee. Eisen m.b.t. de pasfoto, zoals kleur of zwart/wit, van voren of van opzij, zijn niet in de regelgeving opgenomen. Gemeenten kunnen wel verlangen dat het moet gaan om een recente, goed gelijkende pasfoto, van de houder van de kaart.

Met andere woorden is de hardheidsclausule, zoals bedoeld onder artikel 1, eerste lid onderdeel d van de Regeling GPK hierop van toepassing?
Wanneer de keurend arts deze informatie heeft kan hij daar in zijn beoordeling zeker rekening mee houden. Het moet dan wel gaan om andere medische redenen die zodanig ernstig en uniek zijn dat die het hebben van een GPK rechtvaardigen (zie ook vorige vraag). In dit geval zou je kunnen denken aan iemand met zeer ernstige pleinvrees.

Ja. Zie artikel 2 van de regeling GPK. Bovendien moet de keurende instantie aangeven of er sprake is van een aandoening of gebrek (anders dan een loopbeperking) die het hebben van een GPK rechtvaardigt.

Blinden vallen niet zonder meer onder de hardheidsclausule, anders had de wetgever ook blinden opgenomen in de regeling. In beginsel kan iedereen die ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, anders dan loopbeperkingen heeft, een beroep doen op de hardheidsclausule. Of sprake is van andere medische redenen die zodanig ernstig en in de regel uniek zijn dat die het hebben van een GPK rechtvaardigen dient door de medisch deskundige te worden beoordeeld. Hiervoor heeft de VIA in oktober 2001 een protocol opgezet.

De juridische basis is te vinden in artikel 1, eerste lid onderdeel d van de Regeling GPK. Criteria zijn er in zoverre dat de aanvrager ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, anders dan loopbeperkingen moet hebben. Het is aan de keurende instantie om te bepalen of de beperkingen zodanig zijn dat die het hebben van een GPK rechtvaardigen.

Voor zover dat in de legesverordening is opgenomen mag de gemeenten leges vragen. Er is geen limiet vastgesteld. Gemeenten mogen de hoogte van de leges zelf bepalen. Deze mag evenwel niet meer dan kostendekkend zijn.

Op grond van het gestelde in artikel 2 van de Regeling GPK moet de aanvrager een geneeskundig onderzoek hebben ondergaan alvorens een GPK kan worden verstrekt. In de regeling is niet aangegeven dat de kosten van een dergelijk onderzoek voor rekening komt van de met afgifte belaste instantie. De kosten zijn, vergelijkbaar met bijvoorbeeld de kosten voor een constructieberekening voor een bouwvergunning, voor rekening van de aanvrager.
Dit wordt gesteund door het bepaalde in de artikelen 4:2 en 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Een aantal gemeenten laat de kosten voor de keuring ten laste komen van bijvoorbeeld de WMO. Gemeenten zijn daarin vrij. Overigens is de GPK in de regel 5 jaar geldig, dus per saldo zullen de jaarlijkse kosten voor de kaart meevallen.

Artsen zijn niet verplicht om een eventuele actie richting het CBR te melden aan de gemeente. Vraag 6 zal daarom niet meer worden opgenomen in het vragenformulier. Voor zover deze vraag nog aanwezig is op het formulier hoeft deze dan ook niet beantwoord te worden. Verder zal het formulier worden voorzien van een mogelijkheid voor de arts om deze te dateren en te ondertekenen.

Het gaat hier om zaken die betrekking hebben op de Regeling eisen rijgeschiktheid. Daarover kan het best contact worden opgenomen met het CBR te Rijswijk 070-4130200.

Ja, via een zgn. stadsgewestelijke of gemeentelijke parkeerkaart (= een ontheffing). Dit is een initiatief van de gemeente zelf om gehandicapten die (net) niet aan de landelijke criteria voldoen, toch beperkte faciliteiten toe te kennen (op basis van artikel 87 van het RVV 1990).
Gebruik van de kaart is evenwel beperkt tot de eigen gemeente. Aangezien het veelvuldig uitreiken van dergelijke parkeerkaarten een te grote druk legt op de toch al schaarse gehandicaptenparkeerplaatsen heeft deze oplossing niet de voorkeur.

Dit is een punt dat door de arts, aan de hand van het dossier, moet worden beoordeeld. Aangezien de aanvrager niet onder de ‘standaard’ criteria valt, zou kunnen worden bezien of de betrokkene, op basis van de hardheidsclausule, in aanmerking komt voor een GPK.

Op grond van artikel 3 van de Regeling GPK wordt het geneeskundig onderzoek verricht door de GGD dan wel – bij externe advisering – door een vanwege het gemeentelijk gezag aangewezen deskundige.
Dit laatste is op dit moment de basis door het CIZ.  Keuring door huisarts/eigen specialist is dus niet toegestaan.

Alleen wanneer hij voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder. Daarbij moet men ten minste denken aan hulp van de bestuurder bij het in- en uitstappen van het voertuig en bij het betreden of verlaten van bijvoorbeeld een gebouw.
Om zich - buiten het voertuig - te verplaatsen, dient de aanvrager afhankelijk te zijn van de hulp van de bestuurder. Indien hij die hulp niet nodig heeft, komt hij niet voor een passagierskaart in aanmerking, tenzij de keurend arts op basis van de hardheidsclausule anders adviseert. Wanneer de bestuurder (blijkens keuring) permanent rolstoelgebonden is komt hij zonder meer in aanmerking voor een passagierskaart.

Wanneer de passagier zonder de hulp van de bestuurder daartoe in staat is komt deze niet voor een GPK in aanmerking. Wanneer de passagier bij het in- en uitstappen van het voertuig en bij het verlaten of betreden van bijvoorbeeld een winkel de hulp van de bestuurder nodig heeft komt deze mogelijk wel voor een passagierskaart in aanmerking. Het is aan de keurende instantie te bepalen in hoeverre medische redenen het hebben van een GPK noodzakelijk is.

De aanvraagformulieren zijn te bestellen op de website van CIB. Aanvraagformulieren zijn  niet rechtstreeks te downloaden.

Op zich is de GPK een gebonden beschikking waarbij de keurende instantie slechts controleert of de aanvrager aan de criteria voldoet. Afwijken van dat advies is dus in de regel niet mogelijk. Wanneer iemand een beroep doet op de hardheidsclausule heeft de keurende instantie een zekere adviserende vrijheid. Indien de gemeente over dat advies een andere mening heeft is het verstandig om op zijn minst contact op te nemen met de keurende instantie.
Komt men er niet uit, dan kan een nieuw onderzoek (second opinion) door een andere keurende instantie wellicht een oplossing bieden. Overigens wordt de aanvrager daar wel extra mee belast. Gemeenten hebben dus geen eigen beleidsvrijheid, wel kunnen zij in overleg met de keurende instantie bezien of iemand die niet voldoet aan de criteria alsnog op basis van de hardheidsclausule voor een GPK in aanmerking kan komen.
 NB. Gemeenten mogen keurende instanties altijd betrekken bij de behandeling van bezwaarschriftprocedures. De artsen kunnen dan immers uitleggen waarom zij tot een bepaald advies zijn gekomen.

Nee. De Regeling GPK gaat uit van een geneeskundig onderzoek en een dergelijke onderzoek wordt in de regel door een arts uitgevoerd (=standpunt VIA). Ook een allround verpleegkundige mag geen geneeskundig onderzoek verrichten (jurisprudentie).

Ja. Voor de GPK geldt specifiek een geneeskundig onderzoek. Een dergelijk onderzoek dient altijd plaats te vinden op het niveau van een arts.

De eerste keer wel. Bij verlenging van de GPK is een medische keuring alleen nog noodzakelijk als de medische situatie van de aanvrager mogelijk gewijzigd is. Een medisch onderzoek kan voortaan achterwege blijven, wanneer bij de gemeente bekend is dat de aanvrager nog steeds aan de vereisten voor het verkrijgen van een GPK voldoet. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit gegevens waarover de gemeente beschikt in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning of uit eerdere gegevens van de keurende instantie, waaruit blijkt dat de handicap chronisch / onomkeerbaar is of eventueel langer dan vijf jaar zal aanhouden. Wanneer bij de gemeente onvoldoende harde gegevens bekend zijn om zelf te kunnen vaststellen of de aanvrager nog aan alle eisen voldoet, dient - zoals voorheen - de keurende instantie hierover te oordelen. De keurende instantie kan zelf op basis van het medisch dossier van de aanvrager beoordelen of er al dan niet een fysieke medische keuring moet plaatsvinden.

Nee. De regel is dat de aanvrager voor een bestuurderskaart ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking moet hebben van langdurige aard, waardoor hij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat is zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen.
Met “met de gebruikelijke loophulpmiddelen” wordt bedoeld de loophulpmiddelen die de aanvrager ter beschikking heeft. Wanneer de aanvrager in het dagelijks leven gebruik maakt van een loophulpmiddel dient bij de keuring uit te worden gegaan van de afstand die haalbaar is met dat loophulpmiddel. Heeft de aanvrager geen loophulpmiddelen ter beschikking en worden deze niet geadviseerd in het kader van een integrale aanvraag, dan dient de keuring plaats te vinden zonder loophulpmiddelen.
Indien de aanvrager later alsnog een loophulpmiddel tot zijn beschikking heeft, zal bij de aanvraag voor een nieuwe GPK (in de regel na 5 jaar) een keuring moeten plaatsvinden met het gebruikelijke loophulpmiddel.

Wanneer uit de WMO keuring (door een arts) blijkt dat de aanvrager voldoet aan de criteria om voor een GPK in aanmerking te komen, kan een keuring achterwege blijven. Wanneer blijkt dat de aanvrager permanent rolstoelgebonden zal blijven, is de datum van de WMO keuring niet van belang voor de afgifte van de GPK.
Wanneer uit de keuring blijkt dat het om een handicap gaat die mogelijk op termijn kan verbeteren dient bij de afgifte van de GPK daar rekening mee gehouden te worden, met andere woorden, de GPK krijgt een geldigheidsduur die korter is dan maximaal 5 jaar.

Ja. Vastgesteld moet immers worden of de aanvrager, ongeacht diens leeftijd, permanent aan de rolstoel gebonden is. Daarna is het mogelijk om bij vernieuwing van de GPK telkens een keuring te laten plaatsvinden op basis van het aanwezige medisch dossier (papieren keuring).

Deze bevoegdheid is nergens wettelijk geregeld. De keurende instanties hebben destijds aangegeven dat zij graag meer zouden willen doen met de informatie die zij hebben over personen die ter keuring verschijnen, met name betreffende de rijgeschiktheid. Keurende artsen hadden tot voor kort niet de mogelijkheid om medische gegevens door te spelen naar het CBR.
Thans hebben zij die mogelijkheid wel via het aanvraagformulier voor een GPK. Het CBR gebruikt deze ‘formule’ ook bij aanvragen voor ontheffing van de draagplicht van de autogordel. Voor meer inhoudelijke informatie wordt verwezen naar het ministerie van Infrastructuur en Milieu, 0800-8051.

In de wet- en regelgeving m.b.t. de GPK is geen identificatieplicht opgenomen. In de Wet op de identificatieplicht is hierover ook niets opgenomen. Bij de aanvraag dient ten minste één pasfoto te worden ingeleverd (aanvraagformulier CIB gaat uit van twee pasfoto’s). De keurend arts kan de pasfoto, die met het dossier meegaat, vergelijken met de te keuren persoon. Bij twijfel kan de arts vragen om identificatie, dan wel zijn twijfel melden aan de gemeente.

Daarbij moet men ten minste denken aan hulp van de bestuurder bij het in- en uitstappen van het voertuig en bij het betreden of verlaten van bijvoorbeeld een gebouw. Om zich - buiten het voertuig - te verplaatsen, dient de aanvrager afhankelijk te zijn van de hulp van de bestuurder. Indien hij die hulp niet nodig heeft, komt hij niet voor een passagierskaart in aanmerking.
Een passagier die bijvoorbeeld de eerste 50 meter wel zonder hulp van de bestuurder kan overbruggen, maar aan het begin en aan het eind van het af te leggen traject, en mogelijk ook tussentijds, de hulp nodig heeft van de bestuurder komt in beginsel voor een passagierskaart in aanmerking.

Het informeren van de GGD’s en de CIZ ' s  is een taak van de Vereniging van Indicerende en Adviserende Artsen (VIA). Overigens staat het de gemeenten vrij om de keurende instanties waarmee zij afspraken hebben gemaakt eveneens te informeren.

Nee. Het bestuur van een instelling die op basis van de regeling voor een GPK in aanmerking komt, moet een schriftelijk verzoek indienen. De gemeente moet vervolgens beoordelen of het om een instelling gaat als bedoeld in artikel 3.1.1 WLZ.

Aangezien gemeenten niet allemaal over dezelfde systemen, programmatuur e.d. beschikken is geen software vervaardigd. Voor vragen over software kunnen gemeenten contact opnemen met het CIB.

Indien het apparaat is voorzien van een UV lamp in beginsel wel. Voor verdere info contact opnemen met het CIB.

Nee. Indien de kaart verloren is geraakt of teniet is gegaan, wordt een duplicaat slechts uitgereikt tegen overlegging van een door de aanvrager ondertekende verklaring, dat de kaart verloren is geraakt of teniet is gegaan. In de verklaring dienen de omstandigheden waaronder de kaart verloren geraakt of teniet is gegaan, te worden omschreven. Indien de kaart is versleten of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, wordt een duplicaat slechts uitgereikt tegen inlevering van die kaart.
Indien wordt verzocht om aan het duplicaat een nieuwe geldigheidsduur toe te kennen dient tevens het gebruikelijke aanvraagformulier te worden ingevuld. In beginsel is een duplicaat niets meer en niets minder dan een standaard GPK met een nieuw (uniek) nummer waaraan dezelfde geldigheidsduur is verbonden als aan de gestolen/verloren kaart. Uiterlijk is niet te zien dat het om een duplicaat gaat.

Het CIB geeft in haar circulaire onder hoofdstuk 7 aan welke extra hulpmiddelen gemeenten kunnen aanschaffen. Dit is dus niet verplicht. De GPK is een waardedocument. Genoemde hulpmiddelen zorgen er uiteraard wel voor dat er sprake blijft van een optimale situatie.

Het gebruiken van de fototang is in beginsel alleen toegestaan voor paspoort en rijbewijs. De pasfoto voor de GPK kan gewoon met een schaar op maat worden geknipt.

Nee. Voor de uniformiteit richting de aanvrager en in verband met het feit dat het formulier de nodige relevante informatie voor de aanvrager bevat, wordt aanbevolen dit formulier te gebruiken.

Hier ligt een schone taak voor gemeenten. Aan de hand van databestanden kunnen – per maand - uitdraaien gemaakt worden van kaarthouders om hen tijdig te attenderen van het feit dat zij een nieuw verzoek moeten indienen.

Nee. Of iemand in aanmerking komt voor een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats is afhankelijk van het beleid dat de gemeente daarvoor heeft geformuleerd. In het beleid kan worden aangegeven wanneer men wel/niet in aanmerking komt voor een gereserveerde parkeerplaats.
Zo kan het hebben van een oprit/garage aanleiding zijn een gereserveerde parkeerplaats te weigeren. Een beslissing kan tevens afhankelijk zijn van de beschikbare parkeerplaatsen in de directe omgeving van de woning/werkadres van de aanvrager. Het hebben van een GPK hoeft niet perse een eis te zijn om in aanmerking te kunnen komen voor een gereserveerde parkeerplaats. Onvoldoende vrije parkeerruimte binnen de afstand die een gehandicapte te voet kan overbruggen (kan meer zijn dan 100 meter) kan ook een criterium zijn.

Ja. Wanneer iemand alleen gedurende een paar dagen per week gebruik maakt van de gereserveerde parkeerplaats (bijvoorbeeld bij zijn werk) kan de werking van het bord worden beperkt tot die dagen of uren. Zie hiervoor ook publicatie 134 “Richtlijn parkeerbebording’ van het CROW.

Ja. De bestuurder van een brommobiel moet zich immers houden aan de regels die gelden voor motorvoertuigen (zie artikel 2a van het RVV 1990). Dus kan voor een dergelijk voertuig indien gewenst een gereserveerde parkeerplaats worden aangewezen. Zie hiervoor ook publicatie 134 “Richtlijn parkeerbebording’ van het CROW.

Ja. In beginsel moet iedereen betalen, dus ook voor het parkeren van voertuigen waarin een GPK aanwezig is. Zelfs wanneer een gehandicaptenvoertuig, die in beginsel overal mag worden neergezet, op een reguliere (gehandicapten)parkeerplaats wordt geparkeerd moet daarvoor in beginsel worden betaald. Gemeenten zijn vrij (autonomie) om voertuigen waarin een GPK aanwezig is en gehandicaptenvoertuigen geheel of gedeeltelijk vrij te stellen van de betaalplicht. Wanneer gemeenten geen of slechts een gedeeltelijke vrijstelling van de betaalplicht invoeren is het advies om goede voorzieningen te treffen zodat de gehandicapten zonder problemen aan de (gedeeltelijke) betaalplicht kunnen voldoen. Zie hiervoor ook publicatie 134 “Richtlijn parkeerbebording’ van het CROW.

Moeder en zoon wonen naast elkaar. De zoon heeft de vergunning aangevraagd voor een uitwegvergunning vanaf het perceel van zijn moeder. Moet de uitweg gaan over het perceel van de aanvrager naar de openbare weg of ben je vrij dat voor het buurperceel aan te vragen vgl. bouwvergunning? 
Een uitwegvergunning is zaaksgebonden en niet persoonsgebonden. Dus ook een derde kan een vergunning aanvragen voor het perceel van een ander.

In de Wegenwet, art. 14. Dit artikel wordt vaak verkeerd uitgelegd. Met ‘uitwegen’ wordt bedoeld dat de woning omsloten is door een perceel van een ander en dat de ander dan ook toestemming moet geven om via dat perceel de woning te kunnen verlaten. Hoeft niet per definitie op een auto te slaan maar het uitwegen kan ook bedoeld zijn voor personen (bijvoorbeeld van de voordeur naar de openbare weg.)

Volledigheidshalve maken we een uitsplitsing tussen de uitweg op eigen perceel en de uitweg op de openbare weg. Voor de uitweg op eigen perceel is de particulier zelf verantwoordelijk. Voor de uitweg op de openbare weg is de gemeente verantwoordelijk. De gemeente kan als beheerder van de openbare weg eisen dat alleen zij werken verricht aan de weg. De gemeente kan de kosten hiervan verhalen op de aanvrager.

Uiteraard moet gemeente zelf beslissen of en op welke manier ze willen handhaven. Om precedentwerking te voorkomen is het advies om op te treden als de vergunning(voorwaarden) door de particulier niet in acht worden genomen. Het verlenen van een uitritvergunning en de vergoeding voor de aanleg van de uitrit moeten overigens los van elkaar worden gezien. Het niet betalen is geen weigeringsgrond voor de uitwegvergunning.

In de Model-APV art. 2.1.5.3 (zie boven) staan de belangen genoemd die afgewogen kunnen worden bij het verlenen van een uitwegvergunning.

Indien een aanvrager, bijvoorbeeld uit veiligheidsoverwegingen, niet is ingeschreven in het GBA, dan is de minister van Infrastructuur en Milieu (Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen) bevoegd om een verklaring af te geven. Adres: CBR, Divisie Rijvaardigheid, Postbus 3012, 2280 GA Rijswijk. Telefoon 070-4130200.

In principe niet. Het advies van de keurende instantie is over het algemeen bepalend geweest voor de afwijzing. De bezwaarmaker moet zelf aantonen dat de GPK ten onrechte is geweigerd. Deze, eventuele nieuwe, gegevens kunnen voor de gemeente aanleiding zijn om een toelichting op het advies of een nieuw advies te vragen aan de keurende instantie. Daarnaast kan de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften de keurend arts horen.

Ja. Dit is een initiatief van gemeenten zelf om gehandicapten die (net) niet aan de landelijke criteria voldoen, toch beperkte faciliteiten toe te kennen (op basis van artikel 87 van het RVV 1990). Gebruik van de kaart is alleen in die gemeenten toegestaan.
Aangezien het veelvuldig uitreiken van dergelijke parkeerkaarten een te grote druk legt op de toch al schaarse gehandicaptenparkeerplaatsen heeft deze oplossing niet de voorkeur.

Nee. Voor het verstrekken van een duplicaat met eenzelfde geldigheidsduur als de “oude” kaart is geen nieuwe keuring vereist. Indien de aanvrager verzoekt om aan de GPK een nieuwe geldigheidsduur toe te kennen dient hij wel een geneeskundig onderzoek te ondergaan.

Op grond van. artikel 1 Regeling GPK kunnen alleen bestuurders van motorvoertuigen op meer dan 2 wielen + van brommobielen in aanmerking komen voor een GPK bestuurderskaart (B). Het besturen van deze motorvoertuigen / brommobielen mag alleen gebeuren door mensen die in het bezit zijn van een geldig rijbewijs respectievelijk een een bromfietsrijbewijs AM.
Voor het verkrijgen van een GPK bestuurderskaart moet de betreffende persoon dus in het bezit zijn van een geldig rijbewijs óf een bromfietscertificaat. Niet vereist is dat zij ook beschikken over een eigen motorvoertuig op meer dan 2 wielen of een brommobiel.

Ja, de kaart blijft geldig in Nederland. Wanneer na verloop van tijd de kaart vernieuwd moet worden, moet de gehandicapte uiteraard wel voldoen aan de criteria die gelden in Nederland.

Het moet gaan om instellingen die zijn toegelaten op grond van artikel 5, eerste lid van de Wet toelating zorginstellingen en die zorg verlenen waarop aanspraak bestaat op grond van artikel 3.1.1. van de Wet langdurige zorg (WLZ) of op grond van een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet (Zvw). In het Uitvoeringsbesluit Wet toelating zorginstellingen is opgenomen welke instellingen zijn aangewezen.
N.B.: taxibedrijven, busbedrijven, vrijwilligers, Rode Kruis etc. zijn geen instellingen als bedoeld in artikel 8 AWBZ en komen dus niet voor een GPK in aanmerking. Zij kunnen in voorkomende gevallen gebruik maken van de kaart van de instelling waarvoor zij vervoeren of van de GPK van de passagier(s) die zij vervoeren.
Toegelaten instellingen kan men vinden op de site over de Toelating zorginstellingen www.wtzi.nl

In beginsel niet. Het aanwijzen van (gereserveerde) gehandicaptenparkeerplaatsen staat los van de Regeling GPK. Over het algemeen hebben gemeenten eigen beleid geformuleerd m.b.t. het aanwijzen van gereserveerde parkeerplaatsen.
Dit beleid is vaak gekoppeld aan de afgifte van bestuurders- en passagierskaarten op basis van het ingetrokken Besluit invalidenparkeerkaarten. Geadviseerd wordt om na te gaan of het beleid afgestemd dient te worden op de nieuwe Regeling GPK.
Afhankelijk van de plaatselijke situatie en het door de gemeente gevoerde beleid (parkeerdruk, parkeren op eigen terrein e.d.), kan dus een gehandicaptenparkeerplaats worden toegekend aan personen die niet voor een GPK in aanmerking komen, maar wel een beperking hebben in hun mobiliteit.

Op grond van het bepaalde in artikel 50 van het BABW is het verboden misbruik te laten maken van de GPK. Wanneer misbruik is geconstateerd kan het gezag dat de GPK heeft afgegeven de kaart ongeldig verklaren (art. 53, derde lid, van het BABW). In artikel 54 van het BABW is bepaald dat de GPK dan zo spoedig mogelijk moet worden ingeleverd. Het niet zo spoedig mogelijk op de juiste wijze inleveren van de ongeldige GPK is een strafbaar feit (artikel 59 BABW). Of een GPK ter plekke in beslag mag worden genomen is een vraag voor Justitie/Politie.

Op grond van art. 54 van het BABW moet degene die een na het overlijden van de houder van de GPK deze kaart in zijn bezit heeft de GPK zo spoedig mogelijk inleveren bij het gezag (de gemeente) dat de GPK heeft verstrekt. Overtreding van art. 54 BABW is een strafbaar feit ogv. art. 59 BABW.
Procedure die gevolgd zou kunnen worden:
Eerst schriftelijk verzoek aan betreffende persoon die de GPK in bezit heeft om deze voor een bepaalde datum in te leveren bij de gemeente. Bij geen gevolg aan dit verzoek: schriftelijk nog een laatste kans geven + wijzen op gevolg bij niet inleveren: proces-verbaal door politie + inbeslagname door politie. Wanneer ook geen gevolg aan 2e verzoek: door politie proces-verbaal laten opmaken + GPK in beslag laten nemen.

Het aantal te verstrekken GPK’s is afhankelijk van het aantal bewoners in relatie met het aantal voertuigen dat de instelling tot haar beschikking heeft voor het vervoer van die bewoners. Hoofdzakelijk zal het gaan om “busjes” die de instelling heeft voor collectief vervoer.
De GPK mag evenwel ook worden gebruikt voor het individueel vervoer. De directeur van de instelling dient er uitdrukkelijk op te worden gewezen dat bij misbruik van de kaart deze door de gemeente ongeldig kan worden verklaard (artikel 53, derde lid BABW).

In de stukken die bij de ledenbrief zijn gevoegd zit een kopie van de regeling waarin inderdaad het tweede lid ontbreekt. Bij de publicatie in de Staatscourant is deze omissie rechtgezet (Het derde lid is vernummerd tot tweede lid).

Nee. In de wet- en regelgeving m.b.t. de GPK is geen identificatieplicht opgenomen. In de Wet op de identificatieplicht is hierover ook niets opgenomen, ook niet voor de keurend arts. Bij de aanvraag dient ten minste één pasfoto te worden ingeleverd (aanvraagformulier CIB gaat uit van twee pasfoto’s). De keurend arts kan de pasfoto, wanneer deze met het dossier meegaat, vergelijken met de te keuren persoon. Bij twijfel kan de arts de aanvrager verzoeken zich te ligitimeren, dan wel zijn twijfel melden aan de gemeente.

Sinds november 2011 is er een  registratie van alle GPK’s operationeel. De VNG roept gemeente op om hier gebruik van te maken. Op deze manier kan fraude met GPK’s voorkomen worden. Voor meer informatie hierover kan men contact opnemen met de RDW. (zie:  RDW, Servicehuis Parkeren)

Ja. Op grond van het bepaalde in artikel 6 van de regeling GPK kan een buitenlander die in het bezit is van een kaart met een rolstoelsymbool daarvan ook in Nederland gebruik maken.

Een client in een instelling kan inderdaad ook een eigen individuele GPK aanvragen. De client kan in sommige gevallen ook door bijvoorbeeld familieleden vervoerd worden, en dan is dus een eigen kaart nodig. Bovendien kan het voorkomen dat clienten al een GPK hebben en dan in een instelling terecht komen. Dit is geen probleem.

Omdat GPK's  de laatste jaren regelmatig worden gestolen (veelal uit auto's), is het verstandig om hiervan aangifte te doen bij de politie. Ter voorkoming van diefstal uit de auto kunt u de GPK-houder wijzen op de mogelijkheid een 'kaartkluis'aan te schaffen (zie: www.kaartkluis.nl).
Een proces-verbaal is formeel niet nodig om een duplicaat van de GPK te krijgen.  Indien de kaart verloren is geraakt of teniet is gegaan, wordt een duplicaat uitgereikt tegen overlegging van een door de aanvrager ondertekende verklaring, dat de kaart verloren is geraakt of teniet is gegaan. In de verklaring dienen de omstandigheden waaronder de kaart verloren geraakt of teniet is gegaan, te worden omschreven.

Nee, in de wetgeving is daarover niets geregeld. Overigens kunnen gehandicapten ook gebruik maken van autodate voertuigen, dan wel van leen- of huurauto’s. Iemand die dus niet voldoet aan de strenge criteria voor een passagierskaart kan dan ook een bestuurderskaart aanvragen en daar oneigenlijk (als passagier) gebruik van maken. Dit oneigenlijk gebruik kan alleen maar worden voorkomen door handhaving (bestuurlijke handhaving).

Gelet op het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht is dat mogelijk wanneer zich nieuwe feiten of omstandigheden voordoen die ten tijde van de eerdere aanvraag niet bekend waren.

Aangezien de GPK een EU model is en de Nederlander niet meer in de GBA van zijn voormalige woonplaats is ingeschreven dient hij de GPK in zijn huidige woonplaats aan te vragen op basis van de daar geldende regelgeving. De Nederlandse wetgeving biedt hiervoor geen faciliteiten.

In Paragraaf  2 (Geneeskundig Onderzoek) artikel 2 en 3  van de Regeling GehandicaptenParkeerKaart is hierover het volgende opgenomen:

2. Een geneeskundig onderzoek kan achterwege worden gelaten, indien:
a. aan de aanvrager eerder een gehandicaptenparkeerkaart is verstrekt en aan de verstrekkende instantie bekend is dat de aanvrager nog steeds voldoet aan de in artikel 1 omschreven criteria;
b. aan de aanvrager eerder een gehandicaptenparkeerkaart is verstrekt en de keurende instantie van oordeel is dat de aanvrager nog steeds voldoet aan de in artikel 1 omschreven criteria;
c. op grond van artikel 49, derde lid, van het BABW een gehandicaptenparkeerkaart wordt verstrekt in verband met een kortstondig verblijf.

3. Een geneeskundig onderzoek wordt achterwege gelaten indien een gehandicaptenparkeerkaart is aangevraagd door het bestuur van een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e.

De complete lijst van toegelaten instellingen is in te vinden op de website www.wtzi.nl

Het bestuur van de instelling (zie artikel 49, tweede lid, van het BABW). Het bestuur (hoofdvestiging) moet ook de kaarten aanvragen voor de nevenvestigingen, ook al zijn die in een andere stad gevestigd. Op de GPK moet de naam van de instelling en de naam van de directeur (van de nevenvestiging) worden vermeld. De kaart moet ook door die directeur worden getekend. Een pasfoto is niet nodig.