Overzicht veelgestelde vragen over Beschermd wonen, maatschappelijke opvang en ggz

Hieronder treft u de categorieen aan met vragen en antwoorden binnen het betreffende dossier. U kunt deze openklappen en lezen door op een categorie/vraag te klikken.

De gemeente is niet verplicht om zich te verdiepen in de boekhouding van de zorgaanbieder. Het is wel goed om met hen hierover in dialoog te gaan, om te weten met welke kosten de zorgorganisatie te maken heeft. Het is daarom aan te bevelen om inzicht te krijgen in de kosten.

Er loopt nu (voorjaar 2018) een onafhankelijk onderzoek (evaluatie van de AMvB) in opdracht van het ministerie. Er wordt onderzocht wat de werking van de AMvB is op de prijsontwikkeling en wat dit betekent voor aanbieders en gemeenten. De resultaten van dat onderzoek worden verwacht in het eerste kwartaal van 2019.

Ja, er worden al rechtszaken gevoerd, maar er is nog weinig jurisprudentie.

Lid 2: Het college stelt een reële prijs vast overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van de dienst;

Lid 3: De reële prijs is gebaseerd op de volgende kostprijselementen:

  • kosten van de beroepskracht
  • redelijke overheadkosten
  • kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg
  • reis- en opleidingskosten
  • indexatie van loon binnen een overeenkomst
  • kosten als gevolg van gemeentelijke eisen, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen

 

Volgens de regels betaalt deze persoon de eigen bijdrage voor verblijf, dus intramuraal, maar wel de lage eigen bijdrage. Als u als gemeente vindt dat dit niet klopt gezien de inkomsten van deze burger, kunt u overwegen om deze ondersteuning bij het CAK aan te melden als extramurale ondersteuning.

Er zijn ook gemeenten die in het verleden een tussenvorm hebben afgesproken met het CAK, bijvoorbeeld een etmaal tarief extramuraal (wonen en zorg gescheiden). Dit is niet langer mogelijk. In de ‘factsheet Beschermd wonen’ van het CAK vindt u alle mogelijkheden.

In dit geval dien je als gemeente door te geven dat iemand extramuraal woont, om te voorkomen dat de hoge eigen bijdrage wordt opgelegd. Deze burger betaalt dan de extramurale eigen bijdrage.

Op dit moment betaalt iemand met een pgb altijd de extramurale eigen bijdrage, ook als hij intramuraal woont. In dat geval dien je als gemeente het pgb zonder wooncomponent te verstrekken. Deze burger kan de huur betalen uit zijn uitkering.

Ja, dat kan. U kunt hiervoor afspraken maken binnen de centrumgemeenteregio. De andere gemeenten uit de regio kunnen de centrumgemeente mandateren voor het aanleveren van deze gegevens.

U kunt met de aanbieder afspreken dat u het tekort onder de zak- en kleedgeldnorm (2016:€304?) aanvult, bijvoorbeeld door een module huisvesting toe te kennen aan de instelling bij de jaarlijkse subsidie. Ook kunt u via de Bijzondere bijstand een individuele voorziening treffen voor deze burgers.

Daarnaast kunt u door extra regels in de Verordening Wmo 2015 de eigen bijdrage voor specifieke vormen van beschermd wonen verlagen.

Het CAK is nog niet in staat om de eigen bijdrage-opbrengst voor pgb naar de centrumgemeente te herleiden. De burger kan een postcode buiten de centrumgemeentegrenzen hebben omdat hij in een andere gemeente woont. In dat geval worden de eigenbijdrage-opbrengsten naar de gemeente waar de burger woont herleid. De gemeente waar de burger woont kan dit verrekenen met de centrumgemeente op basis van de minimale eigen bijdrage bij pgb beschermd wonen. Het is niet mogelijk om de daadwerkelijk betaalde eigen bijdrage per inwoner te achterhalen.

Het is afhankelijk van de verstrekkingsvorm, welke gemeente in dit geval de eigen bijdrage opbrengst ontvangt. In geval van in natura, ontvangt de centrumgemeente de eigen bijdrage opbrengst. In geval van pgb, ontvangt de gemeente waar de burger woont de eigen bijdrage opbrengst.

Het gaat erom wat reëel is en in hoeverre het vastgoed ook bijdraagt aan de gestelde eisen van de opdrachtgever. Zorgaanbieders die hoge kapitaallasten hebben (die niet direct te maken hebben met de aard van de werkzaamheden) hoeven daarvoor niet te worden vergoed.
Bijvoorbeeld als een organisatie zich op een dure A-locatie bevindt.

Wel dient de gemeente rekening te houden met het feit dat de kosten van vastgoed niet direct door de zorgaanbieder naar beneden kunnen worden bijgesteld. Een afbouwregeling zou daarvoor een optie kunnen zijn.

  • Ambulante begeleiding is over het algemeen planbare zorg die geboden wordt tijdens reguliere werktijden. Dan is er (nagenoeg) geen sprake van onregelmatig en kan de ORT op 0% worden gesteld.
  • Gemeenten kunnen er voor kiezen om ook bij een % ORT te vergoeden als contractueel wordt afgesproken dat begeleiding ook buiten de reguliere werktijden plaats dient te vinden.
  • Bij begeleiding in een intramurale setting kan wel sprake zijn van ORT (als de begeleiding ook buiten reguliere werktijden wordt geboden).

Op hoofdlijnen bestaat de prijs uit twee componenten:

  • huisvestingskosten;
  • de (personele) kosten (naast begeleiding ook toezicht).


(NB: bij ambulante vormen van ondersteuning is huisvesting niet van toepassing)

Dat mag uiteraard, maar dan hoeft de opdrachtgever (gemeente in dit geval) de eventuele meerkosten daarvan niet te vergoeden.

Om een prijs te kunnen vaststellen heb je inzicht nodig in parameters (componenten) die de prijs bij de aanbieders bepalen. Dit kan je doen op basis van uitvraag bij aanbieders of benchmarkinformatie.

  • uurloon volgens CAO (mix van CAO’s / mix van FWG-niveaus);
  • opslagen op het uurloon (werkgeverslasten, vakantietoeslag eindejaarsuitkeringen etc.);
  • overheadkosten;
  • productiviteit (hoeveel uren zijn declarabel);
  • groepsgrootte bij dagbesteding;
  • kapitaallasten (huur/afschrijving) voor huisvesting;
  • hotelmatige kosten;
  • voeding.

N.B. Een marge/risico-opslag maakt geen onderdeel uit van de AMvB, maar als gemeente kan je er voor kiezen hiervoor een opslag te hanteren. Afhankelijk van o.a. wat je wilt inkopen, welke kwaliteitseisen je stelt, welke sector het betreft, welk deel van het land het om gaat, verschillen de waarden van bovenstaande parameters.

  • Bovenstaande aanpak levert een reële prijs op (per uur of per dagdeel als het gaat om de begeleiding; of per etmaal bij huisvestingslasten).
  • Om te komen tot arrangements-, pakket- of trajectprijzen, moet je naast de reële prijs ook goed inzicht hebben in de verwachte benodigde inzet (frequentie, inzet per week) en de duur van het traject (weken/maanden).

De hotelmatige kosten zijn de materiële kosten die samenhangen met de ‘hotelfunctie’ van de instelling. Denk aan schoonmaakkosten, afvalverwijdering, meubilair en linnenvoorziening.

Voor het begrip overhead bestaan verschillende definities. Een veelgebruikte definitie is: de overhead bestaat uit het totaal van:

  • De personeelskosten (salarissen, sociale kosten en andere personeelskosten) van het niet-cliëntgebonden personeel
  • De algemene kosten
  • De hotelmatige kosten voor de kantoren
  • De terrein en gebouwen gebonden kosten voor de kantoren
  • De afschrijvingen, huur, leasing en interest voor de kantoren

Er is niet één universeel geldend percentage te noemen. Dit verschilt per sector (o.a. de eisen die gesteld worden landelijk en contractueel; de grootte van de zorgaanbieder en aard van de werkzaamheden die gevraagd worden). Zo heeft een aanbieder van huishoudelijke hulp gemiddeld een lagere overhead dan bijvoorbeeld een GGZ-instelling.

Er kan ook gewerkt worden met een vast bedrag aan overhead per medewerker per jaar. Voordeel hiervan is de overhead per medewerker gelijk blijft ongeacht de hoogte van de totale loonsom. Nadeel is dat hiermee geen recht wordt gedaan aan het feit dat bij complexere zorg de overhead ook relatief hoger wordt. Uit onderzoek naar omvang en kosten van overhead blijkt dat overhead qua omvang toeneemt als sprake is van meer complexiteit in het primaire proces.

Je kan bijvoorbeeld uitgaan van een huurprijs per m2. Om dit goed te bepalen spelen diverse factoren een rol, zoals de locatie, de aard van het gebouw en onder welk bestemmingsplan de kapitaallasten vallen. Tip is om samen met collega’s van vastgoed/grondbedrijf/ruimtelijke ordening hierover in gesprek te gaan.

  • Blijf in dialoog met zorgaanbieders. Niet alleen tijdens marktconsultaties bij inkooptrajecten, maar ook vooraf en daarna (marktoriëntatie, overlegtafel, ontwikkeltafel).
  • Zorg voor een open en transparant proces bij de totstandkoming van tarieven.
  • Stel de tarieven herleidbaar op.
  • Gebruik de huidige praktijk om inzichten te verzamelen.
  • Maak keuzes en communiceer deze met zorgaanbieders.

Er is niet één algemeen geldend antwoord te geven op deze vraag. Het is namelijk sterk afhankelijk van de diensten/prestaties die je wilt inkopen en keuzes die de gemeente daarbij reëel vindt. Uit jurisprudentie blijkt dat rekening gehouden dient te worden met lokale aanbieders, zeker wanneer deze van significante omvang zijn. Wellicht zijn er nog andere zaken die uit jurisprudentie nu of later naar boven komen. Daarom wordt geadviseerd de jurisprudentie hierover in de gaten te houden.

  • In de regel worden uren voor algemeen werkoverleg en opleiding niet als declarabel gezien en uren die direct met de cliënt te maken hebben wel.
  • Hierover dienen heldere afspraken gemaakt te worden in het contract.
  • Zo kan het zijn dat uitsluitend de directe uren (dus uren die ‘ face-to-face’, ‘ear-to-ear’ of ‘screen-to-screen’ zijn geleverd) worden gedeclareerd (conform advies landelijke standaard, zoals opgesteld door i-sociaal domein). Mogelijk wordt in de toekomst deze standaard verplicht gesteld dus is het advies hierbij aan te sluiten
  • Het aantal cliëntgebonden uren (direct en indirect) varieert in de regel tussen de 1.250 en 1.350 uur per fte per jaar bij BW/MO.

De huisvestingscomponent maakt altijd onderdeel uit van het tarief, ongeacht of tarieven nog gebaseerd zijn op de voormalige ggz-c tarieven of anders tot stand komen.

Voordat je (reële) prijzen gaat bepalen, moet je als gemeente eerst een aantal basale vragen beantwoorden, zoals:

  • Hoe wil je het zorglandschap inrichten?
  • Hoe wil je contracteren?
  • Hoe beschrijf je je te contracteren diensten/prestaties? (zo concreet mogelijk, zodat het door zorgaanbieders op dezelfde manier wordt geïnterpreteerd).
  • Wat is je (toekomstige) doelgroep?
  • Wat hebben zij nodig (aan ondersteuning/begeleiding en huisvesting)?
  • Welke varianten wil je onderscheiden?

Daarna kun je per dienst/prestatie een reële prijs bepalen.

  • Zorg dat je vooraf goed inventariseert welke parameters de prijs bepalen.
  • Verzamel gegevens (FWG-mix, ureninzet, etc.) bij de betrokken aanbieders.
  • Maak gebruik van openbaar beschikbare gegevens (benchmarks, tariefopbouw andere gemeenten, enz.).
  • Laat eventueel een onafhankelijk onderzoek doen.
  • alle aanbieders ermee akkoord gaan?
  • dit een gemiddelde is van te contracteren zorgaanbieders in de regio?
  • deze is gebaseerd op landelijke brancherapporten?
  • het een landelijke norm is, bijvoorbeeld een landelijk huisvestingstarief, zoals de Normatieve Huisvestingscomponent (NHC) die de NZa hanteert bij landelijke tarieven?
  • deze politiek gedragen wordt, (bijvoorbeeld als de gemeenteraad taakstellend een maximum overheadpercentage vaststelt)?

Er is geen eenduidig antwoord op de vraag 'Wat is reëel'?

De gemeente is als opdrachtgever degene die de prijs bepaalt. Als voor een andere inkoopvorm wordt gekozen, waarbij zorgaanbieders inschrijven met een prijs, moet de zorgaanbieder kunnen aantonen dat zij zowel voor de korte termijn als langere termijn daadwerkelijk voor die prijs de dienst kunnen leveren conform de gestelde eisen in het inkoopcontract. Het is aan de gemeente om vast te stellen of deze prijs reëel is.

Daarover bestaan verschillende denkbeelden:


De AMvB koppelt reëel aan de “goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van diezelfde voorziening”, en legt de kostprijselementen vast waarop het college een reële prijs moet baseren.

De kwaliteitseisen neem je op in de beschrijving van de te contracteren diensten/prestaties. De kosten daarvan komen terug in: het kwalificatieniveau van het directe personeel, de productiviteit en de overheadkosten.