Overzicht veelgestelde vragen over Abonnementstarief Wmo

Hieronder treft u de categorieen aan met vragen en antwoorden binnen het betreffende dossier. U kunt deze openklappen en lezen door op een categorie/vraag te klikken.

De start/stop eigen bijdrage berichten aan het CAK zijn op persoonsniveau en niet op voorzieningsniveau.

Uitgangspunt is dat de gemeente op persoonsniveau weet en bijhoudt welke verstrekkingen aan de burger zijn verstrekt en voor welke periode. Op basis daarvan kan bij een eerste verstrekking een startbericht aan het CAK worden verstuurd. Bij meerdere verstrekkingen hoeft dus alleen bij de eerste verstrekking te worden aangemeld.

Bij opeenvolgende verstrekkingen hoeft alleen een mutatiebericht (met kostprijs) te worden verstuurd als

  • er sprake is van een hulpmiddel/woningaanpassing
  • bij nog een hulpmiddel/woningaanpassing sprake is van een kostprijs is die hoger ligt dan de resterende kostprijs van de initiële melding aan het CAK

Alleen als de laatste verstrekking wordt beëindigd, moet de gemeente een stop eigen bijdrage bericht versturen naar het CAK.

In 2020 is de gemeente – net als in de huidige situatie – vrij om te bepalen hoe het startmoment voor de eigen bijdrage inning wordt bepaald. Er zijn verschillende manieren om het start-/stopmoment te bepalen:

  • Op basis van de toekenning van de zorg (301 bericht). Hierbij moet rekening worden gehouden met eventuele wachttijden bij de zorgaanbieder.
  • Op basis van de eerste/laatste declaratie (303-bericht) van de zorgaanbieder. Risico hiervan is dat de gemeente afhankelijk is van het tijdig declareren van de aanbieder. Dat kan leiden tot ‘stapelfacturen’ voor de burger. Dat wil zeggen dat een cliënt met terugwerkende kracht een eigen bijdrage over een aantal maanden in één keer krijgt, omdat de aanbieder te laat declareert.
  • Op basis van feitelijke levering van de zorg (305/307 berichten). In dit geval moeten sluitende afspraken worden gemaakt over het consequent toepassen van het gebruik van de start/stop zorg berichten. Gebeurt dit niet, dan ontstaat het risico dat de cliënt geen of te lang een eigen bijdrage betaalt.

Voor 2021 is het voornemen van de minister van VWS om de start/stop berichten te standaardiseren. Daarbij zal de start van de eigen bijdrage worden gekoppeld aan de start van de daadwerkelijke zorg (met uitzondering van pgb’s). De komende periode wordt dit voornemen op uitvoerbaarheid getoetst.

Gemeenten zijn verzocht om een contactpersoon binnen de gemeente aan te leveren bij de VNG (graag een mail sturen met contactgegevens naar angela.potjens@vng.nl). Verder worden de volgende media ingezet:

Deze moeten net als bij de maatwerkvoorziening op persoonsniveau worden aangeleverd aan het CAK via iEb berichtenverkeer. De gemeente moet zich hierbij afvragen of zij hiervoor de noodzakelijke informatie krijgt van de aanbieder en of hierover voor volgend jaar aanvullende afspraken met de zorgaanbieder moeten worden gemaakt.

De gemeente kan de berekening van de kostprijs zelf bij verordening vastleggen (zoals ook nu al in de Wmo 2015 staat). Als bij een leaseconstructie ook service en/of onderhoud wordt gepleegd kan dit worden meegerekend over de economische levensduur van het product. Deze manier is echter niet verplicht opgelegd. Gemeenten kunnen daarin een eigen methodiek volgen.

Beschermd wonen intramuraal (in een instelling / met wooncomponent) zowel in natura als pgb valt onder de intramurale bijdragesystematiek en dus niet onder het abonnementstarief.

Er zijn twee opties:

  1. Wachten op het signaal van het CAK dat de kostprijs over drie maanden is bereikt
  2. In het eigen systeem een kostprijs bijhouden en daarop sturen

De gemeente is in 2020 – net als in de huidige situatie – vrij om dit naar eigen bevindingen in te richten. U kunt dit afstemmen met de zorgaanbieder en/of de burger rechtstreeks bij de gemeente een verzoek voor een pauze laten indienen. Het voornemen van de minister van VWS is om per 2021 voor het pauzeren enige standaardisatie aan te brengen. Hierbij dient als uitgangspunt dat de bijdrage (tijdelijk) wordt gestopt als de zorg en ondersteuning meer dan een maand niet wordt afgenomen door toedoen van gemeente of aanbieder of als gevolg van onvoorziene gebeurtenissen die redelijkerwijze niet toe zijn te schrijven aan de cliënt. Verder is het aan gemeenten om in specifieke situaties maatwerk te leveren voor het pauzeren van de bijdrage. Voor hulpmiddelen en woningaanpassingen geldt dat de bijdrage in principe niet gepauzeerd wordt, mits deze voorzieningen beschikbaar blijven voor de cliënt. Bovenstaande uitgangspunten worden de komende periode getoetst op uitvoerbaarheid.

Als dat gezinslid degene was die een Wmo-voorziening had, dan stopt het abonnementstarief in de eerstvolgende maand na de maand waarin die persoon is overleden. Als andere gezinsleden ook een Wmo-voorziening hebben, dan loopt het abonnementstarief voor die achterblijvende personen gewoon door. Hebben andere gezinsleden nog geen Wmo-ondersteuning, dan moeten zij een melding/aanvraag doen bij de gemeenten.

De ingangs- en einddatum van het pgb kunnen worden aangehouden voor de start/stop eigen bijdrage. De uitnutting van het pgb is niet meer relevant voor het abonnementstarief.

Als een gezinslid verhuist zal voor de personen binnen het oorspronkelijke huishouden die zijn aangemeld voor de eigen bijdrage (voor zowel abonnementstarief als Wlz als Beschermd wonen) opnieuw de huishoudsamenstelling worden getoetst door het CAK. Op basis van de uitkomst zal voor de personen opnieuw de eigen bijdrage worden vastgesteld door het CAK.

Via de AMvB abonnementstarief 2020 (die nu nog in procedure is) krijgt de gemeente de mogelijkheid het vervoer (zowel maatwerk- als algemene voorziening) uit te zonderen van het abonnementstarief. De gemeente moet dit wel in de verordening vastleggen. Doet de gemeente dit niet en vraagt deze wel een eigen bijdrage, dan valt het collectief vervoer automatisch onder het abonnementstarief.

Gemeenten moeten, als zij wel een bijdrage willen vragen voor het collectief vervoer, de hoogte van de eigen bijdrage in de verordening opnemen. Artikel 11 en artikel 12 van de modelverordening bevatten een lid dat betrekking heeft op het collectief vervoer. Meestal zal de gebruiker het OV-tarief betalen, per kilometer of per zone. En dat bedrag moet worden genoemd in de verordening.

Het CAK ziet erop toe dat het totaal van de te innen bijdrage de kostprijs van een woningaanpassing of hulpmiddel niet overschrijdt. Bij andere voorzieningen waarbij er sprake is van terugkerende dienstverlening met een hulpverleningsrelatie zal het feitelijk niet voorkomen dat de kostprijs per maand wordt overschreden. Het is daarom ook niet doelmatig en te kostbaar om daarop te controleren. Bij hulpmiddelen en woningaanpassingen met één aanschafprijs is het niet de bedoeling dat een cliënt na afbetaling van de kostprijs van het product nog steeds bijdragen betaalt.

De gemeente (het college) geeft de totale kostprijs van een hulpmiddel of woningaanpassing aan het CAK door. Het CAK gaat uit van deze prijs. De gemeente kan de berekening van de kostprijs zelf bij verordening vastleggen (zoals ook nu al in de Wmo 2015 staat). Het strekt tot aanbeveling om altijd uit te gaan van de aanschafwaarde in het economisch verkeer. Als bij een leaseconstructie ook onderhoud wordt gepleegd kan dit worden meegerekend over de economische levensduur van het product. Deze manier is echter niet verplicht opgelegd. Gemeenten kunnen daarin een eigen methodiek volgen. 

Als sprake is van bruikleen/huur/lease kan sprake zijn van twee situaties.

  1. De maandelijkse kosten (lease, huur of afschrijving) voor het hulpmiddel zijn hoger dan de maandelijkse eigen bijdrage van de cliënt. In dit geval vindt kostprijsbewaking plaats doordat maandelijks de €19,- niet wordt overschreden. Er hoeft daarom geen kostprijs te worden aangeleverd. Wel dient het college in dat geval te controleren of de kosten niet weer lager wordt dan de maandelijkse bijdrage (als bijvoorbeeld een hulpmiddel economisch is afgeschreven maar de bijdrage wel doorloopt).
  2. De maandelijkse kosten zijn lager dan de eigen bijdrage. Hierbinnen zijn twee mogelijkheden:
    1. Als er al een andere vorm van ondersteuning is, zoals huishoudelijke hulp, heeft dit geen invloed op de eigen bijdrage. Die blijft € 19,-.
    2. In het geval de voorziening in bruikleen de enige Wmo-voorziening is hoeft geen maandelijkse kostprijs te worden aangeleverd. Immers, de maandelijkse eigen bijdrage is dan elke maand weer hoger dan de kosten van het hulpmiddel. Elke maand zal het CAK opnieuw signaleren dat de kostprijs is bereikt. Er zijn in deze situatie verschillende alternatieven voor de gemeente:
      1. De gemeente kan ervoor kiezen een integrale kostprijs te berekenen en deze aan het CAK door te geven. Daar kan kostprijsbewaking op plaatsvinden.

Gemeenten kunnen er ook voor kiezen zelf toe te zien op het bewaken van de kostprijs. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn als de gemeente een lager bedrag dan het abonnementstarief in mindering wil brengen op de kostprijs per maand dan € 19, omdat de gemeente ook een lager bedrag dan het abonnementstarief per maand in rekening brengt. Wanneer gemeenten kostprijzen doorgeeft aan het CAK, ziet het CAK toe op het niet overschrijden van die kostprijs.

(In plaats van een eigen bijdrage koopt de inwoner een strippenkaart waarmee hij/zij een tegoed koopt voor bezoekjes aan de dagbesteding).

Zie het beschreven afwegingskader in het antwoord op deze vraag. Als de dagbesteding past binnen de criteria voor de duurzame hulpverleningsrelatie en dus binnen het abonnement, dan kan dit niet.

*vraag toegevoegd op 12 augustus

Gemeenten kunnen er voor kiezen zelf toe te zien op het bewaken van de kostprijs (art. 2.1.4a Wmo 2015). Het CAK start pas met het bewaken van de kostprijs zodra de gemeente het CAK in kennis stelt van een kostprijs. Indien zij dit niet doet zijn gemeente zelf verantwoordelijk voor de kostprijsbewaking.

Kostprijsbewaking is alleen van toepassing op hulp/vervoersmiddelen en woningaanpassingen. In de meeste gevallen zal pauzeren hiervan niet van toepassing zijn omdat de voorzieningen veelal  ter beschikking van de burger blijven. Het is echter aan gemeenten om de keuze te maken om wel of niet te pauzeren. Omdat pauzeren uitsluitend kan door middel van een stop en een startbericht, moet in het geval van een hulpmiddel of woningaanpassing na de “pauze” opnieuw de kostprijs worden doorgegeven. Het CAK zal bij een stopbericht immers niet alleen stoppen met het innen van de bijdrage, maar ook met de kostprijsbewaking. De bewaking wordt niet gepauzeerd, maar gestopt en kan niet herstart, behalve door het opnieuw aanleveren van een kostprijs.

Ja, dat klopt. Er wordt geen 'naar rato' eigen bijdrage berekend. Als de klant bijvoorbeeld drie dagen Wmo-ondersteuning heeft gehad, dan wordt 19 euro in rekening gebracht.

Dit is niet mogelijk voor de maatwerk- en algemene voorzieningen die onder het abonnementstarief vallen, maar wel voor de algemene voorzieningen die niet onder het abonnementstarief vallen.

De gemeente heeft op grond van de Wmo 2015 voor mantelzorgers een taak om hen te ondersteunen. Wanneer bij de algemene voorziening voor de mantelzorger sprake is van een eigen bijdrage en er sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie, zal die voorziening onder het abonnementstarief vallen. Wanneer bijvoorbeeld af en toe gebruik wordt gemaakt van de voorziening (een van de drie criteria) kwalificeert dat niet als een duurzame hulpverleningsrelatie en valt de voorziening buiten het abonnementstarief.

Bij het bepalen of de kostprijs is bereikt, wordt in alle gevallen gerekend met het geldende wettelijk tarief van € 19 per maand. Bij meerdere woningaanpassingen of hulpmiddelen, houdt het CAK alleen de overschrijding van de op dat moment hoogste (resterende) kostprijs in de gaten. Hierbij maakt het niet uit of de kostprijzen tegelijk, of over verloop van tijd worden aangeleverd. Bij elke aanlevering wordt voor de betreffende kostprijs een einddatum bepaald voor de periode waarin een kostprijs in rekening moet worden gebracht. Als er al een einddatum (vanwege een ander hulpmiddel) bekend is, dan wordt gekeken welke datum het verst in de toekomst ligt. Die datum is vanaf dat moment de geldende einddatum. Als een cliënt (tijdelijk) geen bijdrage is verschuldigd, bijvoorbeeld als gevolg van minimabeleid, dan wordt over deze periode het wettelijk tarief per maand in mindering gebracht op de totale kostprijs. Hiermee wordt voorkomen dat cliënten, waarop (niet voor niets) een vrijstelling van toepassing is, alsnog de volledige kostprijs moeten betalen, maar dan op een later tijdstip. Indien de bijdrage wordt opgeschort, dienen gemeenten de (resterende) kostprijs voor hulpmiddelen en woningaanpassingen opnieuw door te geven op het moment dat de bijdrage weer wordt gestart. Als de kostprijs is bereikt, geeft het CAK dit door aan het college. Het college kan vervolgens, eventueel in overleg met de cliënt, beoordelen of de bijdrage moet doorlopen (bijvoorbeeld omdat de cliënt nog gebruik maakt van een andere voorziening) of dat de bijdrage moet worden gestopt. Daar kan het college ook eerder voor kiezen. Het college informeert het CAK als de inning van de bijdrage moet worden gestopt. Het CAK volgt de berichtgeving van het college. Van belang is dus dat het college de regie heeft t.a.v. de kostprijsbewaking, het CAK heeft slechts een faciliterende en signalerende rol. Als de resterende totale kostprijs lager is dan de bijdrage per maand wordt die bijdrage niet geïnd.

Het is wel van belang dat gemeenten de kostprijs blijven doorgeven. Het CAK rekent met de hoogste, maar losse voorzieningen kunnen wegvallen zodat de onderliggende kostprijzen weer relevant worden.

Dit zal sterk afhangen van hoe het Algemeen Maatschappelijk Werk (AWM) in uw gemeente is georganiseerd en of daar een eigen bijdrage voor wordt gevraagd. Als er sprake van een eigen bijdrage (niet zijnde algemeen gebruikelijke kosten) en de voorziening valt onder de definitie van duurzame hulpverleningsrelatie dan zal het AMW vallen onder het abonnementstarief. Als maatwerkvoorziening of pgb valt het sowieso onder het abonnementstarief.

De Tweede Kamer heeft aangegeven dat voor deze voorzieningen de eigen bijdrage via het abonnementstarief de kosten voor de voorziening niet mogen overstijgen.

De data over 2019 zijn dan nog niet over het hele jaar en nog niet gevalideerd en definitief. Op basis van deze voorlopige cijfers kan nog niet het gesprek tussen de minister en de VNG worden gevoerd over de aanzuigende werking en eventuele maatregelen.

De CRvB heeft in enkele uitspraken van 18 mei 2016 nadere uitleg over het stelsel van de Wmo 2015 gegeven (met name CRvB 18-05-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1404). Daarmee is duidelijk geworden dat een gemeente geen algemene voorziening treft als bedoeld in de Wmo 2015 als er alleen een contract bestaat tussen de hulpverlener en de cliënt. Uit de tekst van artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 en de toelichting daarop volgt namelijk dat een aanbieder zich jegens het college moet verbinden om een algemene voorziening (of een maatwerkvoorziening) te leveren. Volgens de toelichting impliceert dit artikel dat als een derde partij zich tegenover de cliënt verbindt tot het leveren van activiteiten, diensten of zaken, er geen sprake is van een aanbieder is in de zin van de wet. Als iemand tegen het volle tarief de aanbieder betaalt, is er geen sprake van een voorziening. Het maakt hierbij niet uit of de gemeente de voorzieningen voor de maatschappelijke ondersteuning via een overheidsopdracht of een subsidie bekostigt (Kamerstukken 2013-2015, 33 841, nr. 3, p. 110).

De hoogte van de bijdrage moet in de verordening worden opgenomen.

De keuze om de kostprijsinformatie wel of niet aan te leveren is aan gemeenten en hangt af van de overige afgegeven verstrekkingen. Van belang is dat het college de regie heeft t.a.v. de kostprijsbewaking, het CAK heeft slechts een faciliterende en signalerende rol. Wanneer het CAK geen kostprijsinformatie ontvangt, hoeft zij ook niet toe te zien op het overschrijden van de kostprijs. Gemeenten zijn, indien er relevante kostprijzen aan de orde zijn, verantwoordelijk voor het niet overschrijden van de kostprijs. Gemeenten kiezen er dan dus voor om zelf toe te zien op het bewaken van de wettelijk norm (art 2.1.4a Wmo2015).

De gemeenten moet in de verordening onder andere opnemen welke algemene voorzieningen, waarvoor de gemeente een eigen bijdrage wil vragen, onder het abonnementstarief komen te vallen. Het gaat hierbij in ieder geval om algemene voorzieningen ter compensatie van beperkingen waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de betrokken hulpverlener(s). De hoogte van de bijdragen voor Wmo-diensten als algemene voorzieningen worden geregeld in de gemeentelijke verordening. Respijtzorg is doorgaans geen voorziening waarbij er sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie.

Sommige gemeenten bieden een voorziening die dusdanig ruim is dat deze ook kan doorgaan voor ‘duurzame hulpverleningsrelatie’. De gemeente zou dan in de verordening duidelijk kunnen maken wanneer er dusdanig structureel gebruik per week is dat gebruik wordt gemaakt van het abonnementstarief.

Zie ook de VNG-ledenbrief (met daarbij ook als bijlage de handreiking voor duiding wanneer een algemene voorziening onder het abonnementstarief valt).

Gemeenten kunnen om dit te bepalen de volgende stappen doorlopen:

Stap 1: bepaal als gemeente of u van plan bent een eigen bijdrage te vragen voor de voorziening (maatwerk of algemeen). Is het antwoord nee dan heeft u  verder niets met het abonnementstarief te maken. Is het antwoord ja, ga dan naar:

Stap 2: betreft het een maatwerkvoorziening (of pgb), dan valt het onder het abonnementstarief (behalve Beschermd wonen en opvang). Bij vervoer als maatwerkvoorziening kan bij verordening worden bepaald dat de gemeente zelf een eigen bijdrage vaststelt (m.n. bij lage ritprijzen), anders geldt gewoon het 19 euro tarief. Betreft het een algemene voorziening, ga dan naar:

Stap 3: bepaal of er bij de algemene voorziening sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie tussen de Wmo-cliënt en de hulpverlener die de dienst levert. Is er geen sprake van een duurzame hulpverleningsrelatie dan heeft u niets te maken met het abonnementstarief en kunt u naast het abonnementstarief voor het gebruik van deze voorziening een eigen bijdrage vragen die echter niet hoger mag zijn dan de kostprijs van de voorziening en waarvan u de hoogte van de bijdrage moet opnemen in de verordening.

Voorbeelden zijn het collectief vervoer of een was- en strijkservice. Constateert u dat er bij de algemene voorziening sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie, ga dan naar:

Stap 4: breng de algemene voorziening onder het abonnementstarief door middel van opname in artikel 12 van de (model)verordening Wmo.

Het abonnementstarief is dus alleen van toepassing in de Wmo en geldt voor huishoudens zolang zij gebruik maken van Wmo-voorzieningen (afhankelijkheid van gebruik wordt eveneens in de verordening vastgelegd), waarvoor een eigen bijdrage gevraagd wordt. Het gaat zowel om maatwerkvoorzieningen, als de persoonsgebonden budgetten. Ook een deel van de algemene voorzieningen vallen hieronder. Het gaat om die algemene voorzieningen die vallen binnen de definitie van ‘duurzame hulpverleningsrelatie', een AMvB biedt de mogelijkheid aan gemeenten om het het collectief vervoer uit te zonderen van het abonnementstarief, maar de gemeente moet deze uitzondering wel in de verordening opnemen. Doet de gemeente dat niet, dan valt het collectief vervoer automatisch onder het abonnementstarief als de gemeente daarvoor een eigen bijdrage vraagt. De gemeente kan sowieso ervoor kiezen om algemene voorzieningen bij verordening onder het abonnementstarief te brengen.

Beschermd wonen en maatschappelijke opvang vallen buiten het abonnementstarief. Hiervoor blijven de huidige inkomensafhankelijke eigen bijdragesystematieken bestaan.

*vraag toegevoegd 9 augustus 2019

Of moet dat dan in het portaal van het CAK? Wordt daar überhaupt rekening mee gehouden?

Het is mogelijk om mutaties door te voeren op eerdere berichten. Het is daarbij niet van belang of een persoon inmiddels is verhuisd of niet. De mutaties die kunnen worden doorgevoerd zijn: startdatum, startdatum kostprijs, kostprijs en stopdatum. Voor de start- en stopdatum geld dat de aangepaste datum maximaal 12 maanden in het verleden mag liggen. De aangepaste datum mag niet liggen binnen de inningsperiode van de nieuwe gemeente.

Voor het innen van het abonnementstarief wordt ervan uit gegaan dat u als gemeente op burgerniveau (BSN) een totaaloverzicht heeft van alle verstrekkingen. Mocht dit niet het geval zijn, informeer dan bij uw softwareleverancier naar de mogelijkheden.

De initiële kostprijs wordt maandelijks met het landelijke tarief afgebouwd, ongeacht of er wordt opgeschort.

Er is in 2018 door KPMG in opdracht van het ministerie van VWS onderzoek gedaan naar waar de inning van de eigen bijdrage belegd zou moeten worden. Uit dit onderzoek is het CAK als voorkeursoptie naar voren gekomen, onder andere vanwege de doelmatigheid. Het CAK kijkt bij de vaststelling van de eigen bijdrage ook naar de samenstelling van het huishouden en bewaakt ook de anticumulatie met de Wlz.

Het CAK kijkt eerst in de BRP of er een duurzame relatie staat geregistreerd. Als dit het geval is zullen deze 2 personen een huishouden vormen. Als dit niet het geval is zal het CAK in eerste instantie uitgaan van een eenpersoonshuishouden, maar vragen zij om meer informatie van de burger of er toch nog een reden kan zijn dat er een meer persoonshuishouden van toepassing is.

*vraag toegevoegd op 12 augustus

De gegevensuitwisseling tussen zorgaanbieders, gemeenten en het CAK (voor de zorgjaren 2019 en eerder) worden een jaar na invoering van het abonnementstarief gestopt.

De volgende uitgangspunten worden gehanteerd:

  • Gemeenten melden alle bijdrage plichtige cliënten per 2020 aan bij het CAK (incl. vrijstellingen individu). Alle aanmeldingen verlopen volgens de iEb standaard via het GGk. Vrijstellingen kunnen via het CAK portaal aangeleverd worden.
  • Om de eigen bijdrage van januari in januari te kunnen factureren en innen (en daarmee stapelfacturen te voorkomen) moeten de aanmeldingen tussen donderdag 2 januari en woensdag 15 januari aangeleverd worden.
  • Om zeker te stellen dat de eerste (initiële) aanlevering probleemloos verloopt, willen we mogelijk met een beperkt aantal gemeenten en berichten vastgesteld hebben dat de productieomgeving gereed is. Als dat vastgesteld is kan de productieomgeving voor alle gemeenten opengesteld worden. Details volgen in een draaiboek voor de overgang 2019-2020.

Ter voorbereiding van de initiële vulling zal het CAK overzichten aanleveren met daarin de bij de gemeente bekende burgers, de toegekende voorzieningen en de resterende kostprijs. Op basis daarvan kan de gemeente haar administratie bijwerken en bij het CAK aanleveren vanaf 2 januari.

De gemeente zal moeten bepalen of in de tussenliggende maanden wel zorg/ondersteuning geleverd wordt. Als er geen zorg/ondersteuning wordt geleverd, kan een stop- en na 3 maanden een startbericht worden gestuurd, zodat voorkomen wordt dat een eigen bijdrage wordt geïnd terwijl er geen zorg/ondersteuning wordt geleverd. Als de zorg doorloopt, hoeft er niets te gebeuren.

Worden zij geïnformeerd over welke producten zij via de Wmo afnemen en welke kosten daar voor de gemeente aan verbonden zijn? (Op deze manier worden burgers zich bewust van de kosten die er gemaakt worden.)

Nee, alleen de gemeente weet welke voorzieningen iemand heeft. Het CAK beschikt per 2020 niet meer over deze gegevens en kan mensen hierover niet meer informeren. Dat moet de gemeente dan doen.

Het zorgjaar 2019 eindigt op 29 december. Maken klanten op 30 en 31 december gebruik van de Wmo in de vorm van geleverde ondersteuning of het ter beschikking staan van een pgb, dan wordt voor deze dagen geen eigen bijdrage geïnd bij de klant. Er is geen extra bijdrage periode die betrekking heeft op de laatste twee dagen van het zorgjaar 2019.

Er is geen directe link tussen deze twee berichten. Het start/stop zorg bericht kan wel worden gebruikt om de gemeentelijke administratie te voeden en een start/stop abonnementstarief te triggeren. Enkele gemeentelijke softwareleveranciers houden hiermee al rekening in hun pakket.

Nee, hiervoor is geen extra bedrag voor de uitvoeringskosten beschikbaar gesteld. Wel kijkt de VNG met het ministerie van VWS naar invoeringskosten bij gemeenten en of de uitvoeringskosten toenemen. Er is nu wel 145 miljoen euro in het GF gestort voor de meerkosten die gemeenten nu hebben (aanzuigende werking/inkomstenderving).

In het informatiemodel (zie istaandaarden.nl) is het mogelijk om start/stopberichten in te trekken. De volledige functionaliteit is beschikbaar bij invoering van de iEb.

Bij invoering van de iEb is het mogelijk om tot één jaar terug (maar niet eerder dan (1-1-2020) een persoon aan of af te melden voor de eigen bijdrage.

Vanaf 2019 betalen alle niet-AOW gerechtigde meerpersoonshuishoudens geen eigen bijdrage. Achtergrond hiervan is dat door het vorige kabinet is besloten om de groep niet-AOW gerechtigde meerpersoonshuishoudens tot een bijdrageplichtig inkomen van € 35.175 per 2017 geen bijdrage te laten betalen. De aanleiding voor deze uitzondering was destijds het verzoek van zowel de Eerste als de Tweede Kamer om eenverdienerhuishoudens waarbij een van de partners chronisch ziek is, financieel tegemoet te komen.

Door deze groep uit te zonderen blijft de groep die geen bijdrage betaalde als gevolg van de maatregel van het vorige kabinet gehandhaafd. Om de uitvoeringscomplexiteit te beperken wordt daarbij de huidige inkomensgrens geschrapt, hetgeen leidt tot een beperkte toename van deze groep.

Voor 2020 is nu het voornemen om bij AMvB regelen dat als voor de ouder geen bijdrageplicht zou gelden dit ook geldt in het geval zij een bijdrage zijn verschuldigd voor een minderjarige (hun kind) t.b.v. een woningaanpassing.

Veel gemeenten hebben voor nu in de verorirdening opgenomen dat voor woningaanpassingen voor kinderen 18-1 geen eigen bijdrage wordt gevraagd.

*vraag toegevoegd 12 augustus 2019

De start/stop berichten lopen volledig via het Wmo-berichtenverkeer (iEb). Elk start/stopbericht krijgt een retourbericht met een foutcode. Deze foutcode zijn in het informatiemodel beschreven.

Ja, alle verstrekkingen worden afgemeld door het CAK einde periode 13. Einde periode 13 is 29 december 2019, voor de restdagen uit 2019, 30 en 31 december, wordt geen eigen bijdrage bij de burger in rekening gebracht.

Nee, minimabeleid eigen bijdrage (via het CAK) is niet verplicht. Het is altijd een keuze van de gemeente om dit te doen.

Het CAK kan een onderdeel zijn van het minimabeleid van een gemeente. Het CAK voert dan conform het door de gemeente vastgestelde minimabeleid haar taak uit (en dan dus alleen voor de eigen bijdrage). Als een gemeente er gebruik van wil maken dan moet een gemeente op de gebruikelijke wijze minimabeleid parameters opvoeren bij het CAK. Deze parameters zijn inkomensgrenzen. Klanten met een inkomen wat ligt onder de opgevoerde inkomensgrens hoeven geen eigen bijdrage te betalen.

Ja, ook vrijstellingen moeten opnieuw worden aangeleverd.

Nee, dit mag niet. Dit wordt geregeld in de AMvB abonnementstarief 2020 die nu nog in procedure is. In lid 4 van art 3.10b wordt opgenomen ‘Het CAK gaat bij een samenloop van meerdere voorzieningen uit van de voorziening met de hoogste kostprijs’.

Met ingang van 1/1/2020 is de gemeente zelf verantwoordelijk voor het aanleveren van gegevens voor de eigen bijdrage/het abonnement en hoeft/kan de zorgaanbieder geen gegevens meer aanleveren aan het CAK (met uitzondering van mutaties voor 1/1/2020). De afspraken met uw zorgaanbieder moet u daarom aanpassen. De zorgaanbieder moet tijdig start- en stopberichten aanleveren aan u als gemeente.

Bij het bepalen of de kostprijs is bereikt, wordt in geval het CAK de bewaking uitvoert altijd gerekend met het geldende nationale wettelijke tarief (in 2020 is dit € 19 per maand). Bij meerdere woningaanpassingen of hulpmiddelen, houdt het CAK alleen de overschrijding bij van de doorgegeven kostprijs. De gemeente geeft alleen de langstlopende kostprijs door.  Als een cliënt (tijdelijk) geen bijdrage is verschuldigd, bijvoorbeeld als gevolg van minimabeleid, dan wordt over deze periode ook gerekend met het geldende nationaal wettelijk tarief per maand. Hiermee wordt voorkomen dat cliënten, waarop (niet voor niets) een vrijstelling van toepassing is, alsnog op een later moment de volledige kostprijs moeten betalen. Indien de bijdrage wordt opgeschort (“gepauzeerd”), dienen gemeenten de (resterende) kostprijs voor hulpmiddelen en woningaanpassingen opnieuw door te geven op het moment dat de bijdrage weer wordt gestart.

Als de kostprijs is bereikt, geeft het CAK dit door aan het college. Het college kan vervolgens, eventueel in overleg met de cliënt, beoordelen of de bijdrage moet doorlopen (bijvoorbeeld omdat de cliënt nog gebruik maakt van een andere voorziening) of dat de bijdrage moet worden gestopt. Daar kan het college ook eerder voor kiezen. Het college informeert het CAK als de inning van de bijdrage moet worden gestopt. Het CAK volgt de berichtgeving van het college. Van belang is dus dat het college de regie heeft t.a.v. de kostprijsbewaking, het CAK heeft alleen een faciliterende en signalerende rol. Als de resterende totale kostprijs is bereikt moet  de gemeente een stopbericht sturen als het innen van de eigen bijdrage door het CAK moet worden beëindigd.

Er is sprake van een versnelde afwikkeling van de uitwisseling van zorggegevens over oude zorgjaren (2019 en eerder). De aanlevering van zorggegevens en correcties wordt beperkt tot maximaal een jaar terug:

  • in 2019: zorggegevens tot en met 2018
  • in 2020: zorggegevens over 2019

Wanneer deze schoonmaakvoorziening wordt ingezet voor mensen die behoren tot de doelgroep van de Wmo 2015 in het kader van zelfredzaamheid en zij ook in aanmerking komen voor die schoonmaakondersteuning, dan valt deze voorziening onder het abonnementstarief. Voor alle anderen die gebruikmaken van de schoonmaakvoorziening uiteraard niet.

*vraag toegevoegd 12 augustus 2019

Het abonnementstarief kan op aangeven van de gemeente worden gepauzeerd. Er is geen apart pauzebericht, een pauze wordt als stop- en startbericht aangeleverd bij het CAK.

Betaling van het abonnement vindt plaats op maandbasis. Als gedurende de maand het abonnement wordt gepauzeerd, dan wordt eerstvolgende maand de betaling gestopt. Als gedurende de maand weer een startbericht wordt verstuurd, dan start de inning de volgende maand. Er zijn dus geen ‘gebroken’ maanden en er worden dus geen deelfacturen (debet of credit) gestuurd.

Een pauze is alleen effectief als deze langer duurt dan een kalendermaand.

In de nieuwe systematiek voor de inning van de eigen bijdrage is het niet relevant of zorg in vierwekelijkse of maandelijkse termijnen wordt geleverd. Bij de systematiek van het abonnementstarief is alleen relevant of iemand zorg/ondersteuning (of een pgb) heeft ontvangen.

In de huidige Wmo-contracten is vaak nog een vierwekelijkse declaratieperiode afgesproken met zorgaanbieders. Dit heeft echter geen consequenties voor het doorgeven van start/stop eigen bijdrage berichten naar het CAK.

Binnen de iEb geld dat er één actief startbericht kan zijn. Een startbericht met status aanlevering 1 zal worden afgekeurd als er al een ander actief start bericht geldt.

Voorbeelden van algemeen gebruikelijke kosten zijn: bedrag voor koffie/thee, maaltijden, materiaalkosten voor cursus of andere activiteiten  in buurthuis, of slaapgeld bij de sleep-inn voor dak- en thuislozen. Dit zijn kosten die iedere burger moet maken als hij hiervan gebruik maakt en staan los van de eigen bijdrage.

Een eigen bijdrage heeft altijd betrekking op de kosten die gemeenten maken. Algemeen gebruikelijke kosten maken geen onderdeel uit van de Wmo-voorziening en moeten dus los daarvan worden gezien. Algemeen gebruikelijke kosten staan daarom ook los van het abonnementstarief.bedoeld als een bedrag waarmee een gedeelte van de (exploitatiekosten) van de voorziening wordt bekostigd.

*vraag toegevoegd 12 augustus 2019

 

Als de datum voor de start van de eigen bijdrage (dus niet het moment van leveren aan het CAK) de 1ste van de maand betreft, dan wordt voor die maand al de eigen bijdrage geleverd. Is de startdatum de 2de of later, dan start de eigen bijdrage in de volgende maand. De bijdrage is altijd het nationale tarief, er wordt niet gewerkt met deelbedragen. Bijvoorbeeld:

  • Startdatum 1-3-2020: ingang eigen bijdrage 1-3-2020
  • Startdatum 2-3-2020, ingang eigen bijdrage 1-4-2020

In de maand van de stopdatum wordt de eigen bijdrage gestopt. Bijvoorbeeld:

  • Stopdatum 1-4-2020: eigen bijdrage stopt per 30-4-2020
  • Stopdatum 30-4-2020: eigen bijdrage stopt per 30-4-2020


 

Op dit moment is het in de digikoppeling namelijk alleen mogelijk om een onderscheid te maken in Jeugdwet ZIN, Wmo ZIN, Jeugdwet pgb en Wmo pgb.

Er zijn geen plannen om het berichtenverkeer verder op te splitsen. Voor Wmo ZIN en Wmo pgb kan maar via één pakket worden uitgewisseld. In de informatiearchitectuur van de gemeente moet hiermee dus rekening worden gehouden.

Het verwerken van persoonsgegevens moet altijd voldoen aan de AVG. De Wmo 2015 biedt grondslag voor de gemeente om persoonsgegevens van de eigen bijdrage te verwerken die nodig zijn voor het opleggen van een bijdrage voor een algemene voorziening (of nu wel of niet het abonnementstarief zou gelden).

In september komen er vervolg regiobijeenkomsten. Hierbij zal een aparte sessie voor zorgaanbieders worden georganiseerd. Ook worden nu al gesprekken gevoerd met zorgaanbieders. Daarnaast zal het Ketenbureau i-Sociaal Domein in zijn nieuwsbrief aandacht geven aan dit onderwerp.