Hoe kwam de vragenlijst tot stand en welke overwegingen speelden mee?

Volledige vraag: Wat mij opvalt aan de modelvragenlijst is dat deze vrij beperkt is in zijn reikwijdte. Een groot deel gaat over de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning en de ervaren effecten. Enkele zaken die niet worden behandeld zijn bijvoorbeeld van welk type maatschappelijke ondersteuning gebruikt wordt gemaakt. Het lijkt mij een groot effect hebben op de cliëntervaring of deze cliënt gebruikmaakte van bijvoorbeeld kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclasseringsmaatregelen of van de meer ‘ongedwongen´vormen van jeugdhulp. Kunt u mij inzicht geven in hoe de vragenlijst tot stand is gekomen? 

Antwoord
De opdracht  van de VNG aan Stichting Alexander was om een modellijst te ontwikkelen die voldoet aan de Jeugdwet, en die zo kort mogelijk is (liefst maximaal 6 vragen). In de Jeugdwet staat dat het cliëntervaringsonderzoek moet gaan over de kwaliteit en de ervaren effecten, dit was dus onze leidraad voor de ontwikkeling.

Er is gekozen voor meer vragen/stellingen dan de vraag vanuit de VNG, omdat dit de betrouwbaarheid vergroot en je hiermee meer kan. De stellingen zijn opgesteld samen met cliënten(organisaties) en enkele gemeenten en zijn voor een deel afgeleid van vragenlijsten die al eerder zijn gebruikt en getest (zie de handleiding die op de site van de VNG staat, hierin wordt uitgebreid beschreven hoe de stellingen tot stand zijn gekomen).

In de handleiding kunt u ook lezen dat het gemeenten vrij staat om hier vragen naar achtergrondkenmerken aan toe te voegen, mits deze voldoen aan privacyrichtlijnen. Wij hebben dat bij de modelvragenlijst niet standaard gedaan, omdat elke gemeente een andere indeling van hulpvormen kan hanteren, en behoefte kan hebben aan andere achtergrondkenmerken.

In de Jeugdwet staat echter wel duidelijk beschreven dat de uitkomsten van het cliëntervaringsonderzoek niet gebruikt mogen worden voor de inkoop, je mag dus niet op instellingsniveau differentiëren (en dat heeft ook geen zin, want een instelling kan zowel gedwongen als vrijwillige hulpverlening bieden). Maar een vraag of het gaat om vrijwillige of onvrijwillige hulpverlening kan zeker nuttig zijn.

Een ander uitgangspunt is de toegankelijkheid van de vragenlijst voor cliënten. Er is erg gelet op inhoud (sluit deze aan bij wat cliënten zelf belangrijk vinden als het gaat om de jeugdhulp?) en taalgebruik (is het voor jongeren en ouders begrijpelijk wat er staat) en is de lijst niet te lang (gebruiksvriendelijkheid).

Kortom, de modelvragenlijst is een basislijst die op deze wijze voldoet aan de Jeugdwet, maar waar nog heel veel meer uit te halen is. En behoeften en wensen voor aanvullende informatie zullen voor elke gemeente verschillen.

In 2017 vindt een kwalitatief cliëntervaringsonderzoek plaats waarin uitkomsten uit de modelvragenlijst verder worden uitgediept met cliënten samen, met kwalitatieve methoden die aansluiten bij de lokale context en behoeften (dit traject is volledig op maat, zie het onderdeel KiesMeNu in de handleiding).

Let op: Update oktober 2017

Het project MCJO is afgerond, resulterend in aanbevelingen voor het in kaart brengen van cliëntervaringen. Anderhalf jaar deden tien pilotgemeenten/regio’s ervaring op met het uitzetten van de vragenlijst, en de praktische en juridische zaken die daarbij komen kijken. Het project Modelvragenlijst Cliëntervaring Jeugd en Ouders doet op basis hiervan een aantal aanbevelingen voor het in kaart brengen van cliëntervaringen in de jeugdhulp.