Architectuur, archeologie en monumenten | Regelgeving

Erfgoedwet

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze nieuwe wet vervangt onder meer de Monumentenwet (deels met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) en de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen en nieuwe bepalingen met lokale gevolgen voor het roerend erfgoed (musea, collecties) en onroerend erfgoed (monumenten,archeologie, stads- en dorpsgezichten). In deze wet gaat het vooral om aanwijzen van erfgoed van landelijke betekenis, terwijl het in de Omgevingswet primair zal handelen om de vergunningverlening bij wijziging of (ver)bouw van onroerend erfgoed.

De ondersteuning van de erfgoedsector blijft zoals deze was na de sanering per 2013 en het daardoor verdwijnen van het sectorinstituut Erfgoed Nederland. De ondersteuning van de erfgoededucatie-taken is overgenomen door het Kennisinstituut voor Cultuureducatie en Amateurkunst. De begeleiding bij de collectie-taken en het onroerend erfgoed blijft bij het Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

De VNG heeft op 13 april 2016 een toelichtende ledenbrief geschreven voorzien van een geactualiseerde Model Erfgoedverordening. Het ministerie van OCW heeft in 2015 een factsheet ‘Omgevingswet en Erfgoedwet. Een nieuw kader voor (onroerend) cultureel erfgoed’ gemaakt. En medio 2016 heeft de RCE in overleg met het IPO en de VNG een Brochure met QenA’s over de Erfgoedwet voor gemeenten en gemeenten laten verschijnen.


Inspectie/toezicht

Het toezicht op de omgang van eigenaren van monumentenpanden berust bij de gemeenten. Zij verlenen ook (ver)bouwvergunningen. Vanwege de Wet revitalisering generiek toezicht hebben de provincies in 2012 het toezicht op het handelen van gemeenten gekregen. Er is sindsdien geen specifieke rol meer voor de landelijke Erfgoedinspectie, wel houdt ze toezicht op het stelsel als geheel en de processen daarbinnen. Bij de archeologische monumenten houdt de Erfgoedinspectie het toezicht op de opgravingen totdat deze bevoegdheid naar de gemeenten gaat bij het in werking treden van de Omgevingswet. De Erfgoedinspectie laat periodiek monitoren verschijnen over het gemeentelijke archeologie- en monumentenbeleid.


Financiering

Het Rijk heeft speciale gunstige regelingen voor monumenten. Eigenaren kunnen middelen krijgen voor het onderhoud van hun panden: een lening bij woonhuizen en een subsidie in andere gevallen. Zij kunnen ook leningen/hypotheken aanvragen voor de restauratie ervan.Voor woonhuizen zijn er andere voorwaarden dan voor niet-woonhuizen. Voor deze laatste categorie is ook subsidie mogelijk. Daarnaast zijn er vaak provinciale restauratiemiddelen. Voorts kan men rijkssubsidie aanvragen voor onderzoek naar herbestemmingsmogelijkheden van een pand. En er is rijksgeld  voor het waterdicht maken van dergelijke panden.

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en het Nationaal Restauratiefonds hebben samen een speciale site over de financiering. Het Rijk is doende met een versobering van de financiële mogelijkheden. Dit is in 2016 al gebeurd ten aanzien van de archeologische opgravingen. In principe komen de kosten hiervan ten laste van de verstoorder, vaak de eigenaar. Die kan bij excessieve kosten een beroep doen op de gemeente in de vorm van een schadevergoeding op basis van artikel 4.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De gemeenten werden hiervoor door het Rijk op basis van de Monumentenwet artikel 34a gecompenseerd als zij in een bepaald jaar boven een bepaald drempelbedrag aan kosten hebben. Maar sinds er per 2008 een extra bijdrage in de algemene uitkering van het Gemeentefonds is gekomen vond de rijkscompensatie in de praktijk niet meer plaats. En op basis van de Erfgoedwet is deze mogelijkheid tegen de zin van VNG/gemeenten per 1 juli 2016 ook wettelijk geschrapt.


Beperking adviesplicht

Gemeenten verlenen zelf vergunning  voor het wijzigen en verbouwen van gebouwde monumenten. Vroeger moest ook de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) adviseren over de aanvraag. De beperking van de ministeriële adviesplicht bij monumentenvergunningen betekent dat iedere gemeente een verordening moet hebben en een monumentencommissie moet instellen. Bij archeologische monumenten geeft de minister van OCW de vergunningen af totdat deze bevoegdheid naar de gemeenten gaat bij het in werking treden van de Omgevingswet. Het plan is om de minister van OCW daarna advies- en instemmingsrecht te geven.


Omgevingswet

De gemeentelijke vergunningverlening voor de wijziging en (ver)bouw van gebouwde rijksmonumenten en voor de gemeentelijke monumenten geschiedt thans op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en gaat plaatsvinden op basis van de Omgevingswet. Er is over de bepalingen die daarbij zullen gaan gelden nog onvoldoende duidelijkheid gekomen bij de ontwerp Amvb’s van eind 2016, maar die moet er wel komen bij de Invoeringswet, waarover in 2017 een voorstel verschijnt. De VNG heeft op 11 oktober 2016 jaar haar reactie op de ontwerp Amvb’s aan het ministerie van Infrastructuur en Milieu gezonden.


Wet kwaliteitsborging voor het bouwen

De minister van Wonen en Rijksdienst heeft in 2016 een voorstel voor de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen en een daarbij behorend concept Besluit naar de Kamer gezonden. Het doel is de privatisering van het gemeentelijke bouw- en woningtoezicht. Naast algemene opmerkingen die de VNG heeft gemaakt geldt dat het voorstel in het bijzonder lastig is bij gebouwde monumenten. Thans is er weliswaar een separaat regiem voor wijziging en voor (ver)bouw ervan, maar de vergunningverlening en het toezicht zijn in één hand, te weten bij de gemeenten. In de plannen van de minister wordt het bouwtoezicht geprivatiseerd met tegelijkertijd minder vergunningvereisten en blijft het monumententoezicht in publieke hand. Van de zijde van het ministerie is aanvullend gesteld dat een eigenaar eerst moet voldoen aan de eisen die gelden bij wijziging van een monument en dat dan pas de bepalingen rond (ver)bouw aan de orde zijn.

De VNG heeft op 4 oktober 2016 haar reactie op het concept Besluit aan het ministerie van Wonen en Rijksdienst gezonden.


Museumbestel

De Museumbrief ‘Samen werken, samen sterker’ van minister Bussemaker van OCW van juni 2013 is zeer teleurstellend voor gemeenten. De brief biedt wel nieuwe wettelijke verplichtingen, maar geen inhoudelijke perspectieven. De minister wijst geen kerncollectie van landelijke betekenis aan, ondanks aanbevelingen o.a. in het advies ‘Ontgrenzen en verbinden’ van de Raad voor Cultuur om dat wel te doen. Ze introduceert wettelijke beperkingen voor de afstoting van gemeentelijk cultuurbezit. En de hiaten in de museumondersteuning blijven.

Op basis van de brief is er per 2014 een subsidieregeling voor de samenwerking van musea met elkaar en met anderen bij het Mondriaan Fonds.


Subsidieregeling Indemniteit 2008

In 2008 is de indemniteitsregeling herzien. Per 2016 is dat wederom gebeurd. Deze regeling maakt het mogelijk dat museale instellingen die aan de nodige veiligheidsvoorschriften voldoen elkaar zonder verzekering voorwerpen in bruikleen kunnen geven langjarig of voor een bepaalde tentoonstelling, omdat de staat zich hiervoor garant stelt. Ook lokale musea en gemeentelijke expositieruimten kunnen hiervan gebruik maken. Gemeenten hebben vanwege de hoge kosten hun cultuurvoorwerpen veelal niet verzekerd. Subsidies kunnen worden aangevraagd bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.


Architectuur

Beleid 2017-2020

Minister Bussemaker van OCW zet in 2017-2020 het beleid van haar voorganger door. Het Nederlands Architectuurinstituut, de Premsela Stichting en het Virtueel Platform zijn sinds 2013 samengebracht en vormen één ondersteunende instelling voor de creatieve industrie: het Nieuwe Instituut.

Het Stimuleringsfonds voor Architectuur is omgevormd tot hetSimuleringsfonds Creatieve Industrie. De budgetten van de Mondriaan Stichting en het Fonds BKVB op het gebied van vormgeving, architectuur en gaming zijn hier ondergebracht. Daarnaast zijn middelen voor opdrachtgeverschap die tot 2013 belegd zijn bij 2 ontwikkelinstellingen overgeheveld naar het fonds. Dit geldt ook voor de budgetten van de 6 ontwikkelingsinstellingen op het gebied van nieuwe media, 2 op het gebied van vormgeving en 1 op het gebied van architectuur (= Architectuur Lokaal).


Architectuur Lokaal

Architectuur Lokaal wordt van rijkswege bekostigd als ontwikkelinstelling. Het is het landelijke kenniscentrum voor cultureel opdrachtgeverschap en architectuurbeleid. De VNG heeft een zetel in het bestuur.


Actieagenda ‘Ruimtelijk ontwerp 2017-2020. Samen werken aan ontwerpkracht’

Op 14 december 2016 hebben minister Schultz van Haegen van I&M en minister Bussemaker van OCW de Actieagenda Ruimtelijk ontwerp 2017-2020 aan de Kamer aangeboden. Dat is gebeurd in het kader van een 25-jarige traditie van onderling samenwerken tussen de betrokken departementen en met de betrokkenen in het veld. Volgens beide bewindslieden hebben mondiale plus nationale trends en ontwikkelingen een grote impact op het beheer, de ontwikkeling en de inrichting van onze leefomgeving. Er zijn veel transitievraagstukken op het gebied van water, mobiliteit, migratie, verstedelijking en energie, maar ook in sectoren als zorg en onderwijs. Zij zien ontwerp als een instrument dat een belangrijke bijdrage kan leveren aan een goed en gedragen proces en tot slimme, innovatieve en duurzame oplossingen kan leiden.

De Actieagenda biedt een visie en een programma met tien onderdelen die de effectieve toepassing van ontwerp in projecten en opgaven mogelijk maakt. Met een budget van 4 miljoen euro per jaar investeert het rijk daarmee in een breed scala aan mogelijkheden om ruimtelijk ontwerp te benutten. Het gaat steeds om de aanpak van urgente maatschappelijke opgaven.

Architectuur Lokaal heeft een terugblik over de afgelopen periode van 4 jaar gemaakt. Het boek ‘AAARO, Vier jaar ontwerpkracht in Nederland’ is verzonden aan alle Nederlandse gemeenten, provincies en waterschappen.