Verhuiskostenregeling burgemeesters

In verband met de intreding van het integrale rechtspositiebesluit voor politieke ambtsdragers per 1 januari 2019 is de informatie op deze pagina niet meer actueel. We werken deze informatie zo snel mogelijk bij.

Heeft u vragen? Dan kunt u terecht bij het VNG Informatiecentrum.

 

Woonplaatsontheffing

De burgemeester dient zich zo snel mogelijk in te schijven in de nieuwe gemeente.

De gemeenteraad kan een burgemeester voor één jaar ontheffing verlenen van het woonplaatsvereiste. Het tweede en derde jaar kan de burgemeester in bijzondere gevallen ontheffing van de woonplaats krijgen, door de Commissaris van de Koning. Hiervoor wordt de gemeenteraad gehoord. 

Aan een burgemeester kan dus maximaal tot drie jaar na de benoeming een ontheffing worden verleend van het woonplaatsvereiste.

Verhuiskostenvergoeding

De burgemeester heeft recht op een verhuiskostenvergoeding:

a) bij zijn benoeming in de gemeente
b) bij vertrek uit de ambtswoning of vertrek uit de gemeente uiterlijk binnen één jaar na eervol ontslag of niet-herbenoeming, indien de burgemeester geen aanspraak kan maken op een andere verhuiskostenvergoeding.

De vergoeding bestaat uit de transportkosten van de inboedel en andere direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten. De minister stelt jaarlijks maximumbedragen vast en neemt deze op in de Regeling rechtspositie burgemeesters.

De maximumvergoeding voor de andere uit de verhuizing voortvloeiende kosten is vastgesteld op € 5.818,46. De hoogte van de verhuiskostenvergoeding wordt aangepast op dezelfde manier als de verhuiskostenvergoeding op basis van het Verplaatsingskostenbesluit 1989, dat geldt voor de sector Rijk. Voor het aanvangstijdstip van de verhuiskostenvergoeding is de datum van benoeming leidend.

Verval van verhuiskostenvergoeding

Het recht op een verhuiskostenvergoeding vervalt als de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen drie jaar na de benoeming.

Redelijk gemaakte kosten - opvragen drie offertes

In het algemeen geldt dat de verhuiskosten in redelijkheid moeten zijn gemaakt, een relatie moeten hebben met de verhuizing en inzichtelijk moeten worden gemaakt. De burgemeester moet dus met bonnen kunnen aantonen dat de kosten ook daadwerkelijk gemaakt zijn. Expliciet is bepaald dat kosten voor de inrichting van de woning en tijdelijke opslag als “andere direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten” mogen worden aangemerkt, maar kosten in verband met aan- en verkoop of de verbouwing van de woning niet.

Voorbeelden van kosten voor de inrichting van de woning zijn die voor het aanbrengen van vaste vloerbedekking, gordijnen, behang, schilderwerk binnen en beperkte aanpassingen in de woning om deze voor het gezin geschikt te maken. Kosten voor het opknappen van de tuin en het aanbrengen van dubbel glas staan daarentegen te ver af van de verhuizing. Deze mogen dus niet vergoed worden. Het verdient sterk de voorkeur om bij minimaal drie verhuisbedrijven offertes op te vragen voor de verhuizing van de inboedel.

Meer informatie

Wet- en regelgeving via wetten.nl/zoeken

  • Rechtspositiebesluit burgemeesters (artikel 31)
  • Regeling rechtspositie burgemeesters (artikel 3)