Fiscale aspecten (raads- en commissieleden)

De raadsvergoeding is voor de Belastingdienst inkomen. Het uitgangspunt is dat deze vergoedingen bruto worden uitbetaald. Bij dat uitgangspunt hoort dat raadsleden zelf de belasting over deze vergoedingen betalen.

Dat gebeurt middels de aangifte Inkomstenbelasting, maar het raadslid kan ook kiezen voor het ‘fictief werknemerschap’ in de loonbelasting. Dit hoort bij het uitgangspunt dat een raadslid niet in dienst is van de gemeente. In fiscale zin is het raadslidmaatschap een nevenbetrekking en inkomen uit overige werkzaamheden.

Werkkostenregeling voor onkostenvergoedingen

De werkkostenregeling is een andere fiscale behandeling van secundaire vergoedingen en verstrekkingen. Per 1 januari 2015 worden de meeste onkostenvergoedingen voor raadsleden die gebruik maken van de 'opting-in-regeling' in de gemeentelijke loonadministratie verplicht aangewezen als 'eindheffingsbestanddeel'.

Dan betaalt niet het raadslid loonbelasting, maar de gemeente betaalt een eindheffing over deze eindheffingsbestanddelen. De maandelijkse onkostenvergoeding is verplicht aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Eventuele belastinggevolgen komen daarbij ten laste van de gemeente. De ambtstoelage kan niet gericht worden vrijgesteld, maar valt in de eindheffing. De vrije ruimte in de eindheffing bedraagt maximaal 1,2% van de totale fiscale loonsom. Indien de vrije ruimte wordt overschreden, zal de gemeente 80% eindheffing moeten betalen.

'Opting-in-regeling'

De loonbelasting kent een faciliteit om bij uitbetaling van vergoedingen belasting in te laten houden door de gemeente. Het raadslid kan dan samen met de gemeente een door de Belastingdienst vastgestelde verklaring invullen en ondertekenen. Dit wordt de 'opting-in-regeling' of 'fictief werknemerschap' genoemd. Hierdoor ontstaat geen gezagsverhouding tussen het raadslid en de gemeente. Er is geen sprake van een aanstelling of een arbeidsovereenkomst en er worden geen sociale lasten (WW, ZW, WAO) ingehouden.

Bij raadsleden die kiezen voor de 'opting-in-regeling' wordt over de bruto raadsvergoeding direct loonbelasting ingehouden. Raadsleden ontvangen dan een netto raadsvergoeding. Brutering van de onkostenvergoeding is onder de werkkostenregeling niet meer nodig. Voor raadsleden die kiezen voor de opting-in regeling, is de werkkostenregeling volledig van toepassing.

Inkomsten uit overige werkzaamheden

Kiest het raadslid niet voor de 'opting-in-regeling', dan ziet de Belastingdienst de raadsvergoeding en onkostenvergoeding van het raadslid als inkomsten uit overige werkzaamheden. Het raadslid krijgt de bruto raadsvergoeding en onkostenvergoeding uitbetaald. Het raadslid dient zelf inkomstenbelasting af te dragen over de raadsvergoeding en onkostenvergoeding.

Eventuele onkosten gemaakt voor de uitoefening van het raadslidmaatschap kunnen in mindering worden gebracht. Het raadslid dient hiervan een administratie bij te houden van de inkomsten en (on)kosten voortvloeiende uit het raadslidmaatschap. Voor raadsleden die niet kiezen voor de opting-in regeling, is de werkkostenregeling ook niet van toepassing.

Meer informatie

Wet- en regelgeving via wetten.nl/zoeken

  • Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers (artikel 3.3.8)
  • Wet op de Loonbelasting 1964 (artikel 31f)