Vakantiekrachten

Tijdens vakantieperioden krijgen gemeenten vaak te maken met verzoeken om jonge mensen, vaak minderjarige kinderen, als vakantiekracht in te zetten. In deze notitie vindt u informatie over de rechten en plichten van de vakantiekracht en de gemeente waar u zeker rekening mee moet houden.

1. Rechtspositie vakantiekracht

Op de vakantiekracht is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken over bezoldiging, bovenwettelijke werkloosheidsregeling en opleiding en ontwikkeling (artikel 1:2:1, derde lid, UWO).

2. Functie van de vakantiekracht

Soms zal de vakantiekracht worden ingezet op een reguliere functie. Deze functie moet dan genoemd worden in de aanstelling of arbeidsovereenkomst van de vakantiekracht. Het zal echter ook regelmatig voorkomen dat de vakantiekracht delen van reguliere functies uitoefent. Het is dan aan te raden de werkzaamheden in de aanstelling of arbeidsovereenkomst te benoemen.

3. Aanstelling of arbeidsovereenkomst en ontslag

De vakantiekracht krijgt, net als het gewone personeel, in principe een aanstelling. Alleen als bij oproep werkzaamheden moeten worden verricht, is het mogelijk om een arbeidsovereenkomst te geven. In de aanstelling of arbeidsovereenkomst van de vakantiekracht moet de aanstellingsgrond "als vakantiekracht" worden genoemd (artikel 2:4:1, eerste lid, sub c, UWO).

De vakantiekracht zal een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst krijgen, die na afloop van die termijn van rechtswege eindigt conform artikel 8:12 CAR-UWO. Ook de overige ontslaggronden uit de CAR-UWO zijn van toepassing. In de praktijk zullen deze nauwelijks gebruikt worden, tenzij het gedrag van de vakantiekracht acuut handelen noodzakelijk maakt. Ook schorsing van de vakantiekracht hoort dan tot de mogelijkheden.

4. Bezoldiging

Hoofdstuk 3 CAR-UWO is niet van toepassing op de vakantiekracht. Ook de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag is niet van toepassing op mensen die een aanstelling dan wel arbeidsovereenkomst hebben met een overheidsorgaan. Er mogen dus specifieke afspraken gemaakt worden over de bezoldiging van de vakantiekracht. De bezoldiging kan dus aangepast worden aan de werkzaamheden die de vakantiekracht verricht. De vakantiekracht heeft recht op vakantietoeslag.

5. Gevolgen voor kinderbijslag

De bezoldiging die de vakantiekracht ontvangt, kan gevolgen hebben voor de kinderbijslag van de ouders van de vakantiekracht. Bijverdiensten van kinderen vanaf 16 jaar en van kinderen die niet thuis wonen, hebben gevolgen voor de kinderbijslag. In de zomervakantie (derde kwartaal) mag het kind € 1300,00 netto extra verdienen, zonder dat dit gevolgen heeft voor de kinderbijslag van de ouders. Dit bedrag komt boven op de bedragen die een kind per kwartaal altijd mag bijverdienen.  Zie verder www.svb.nl  > ‘kinderbijslag’ voor meer informatie.

De belasting die op de bezoldiging van de vakantiekracht wordt ingehouden, kan onder voorwaarden door de vakantiekracht via de Belastingdienst worden teruggevraagd met een zogenaamd T(eruggave) J(eugd) Biljet. Zie www.belastingdienst.nl > "teruggaaf jongeren" voor meer informatie.

6. Gevolgen voor studiefinanciering

Een vakantiekracht mag naast zijn of haar studiefinanciering in 2012 in totaal € 13.362,53 belastbaar loon bijverdienen. Pas als de vakantiekracht meer bijverdient, heeft dit gevolgen voor de studiefinanciering.

7. Vakantiedagen

De vakantiekracht heeft recht op vakantiedagen. Het is niet ongebruikelijk als de vakantiedagen aan het einde van de periode van het vakantiewerk worden uitbetaald.

Uitbetaling van de vakantiedagen gebeurt op grond van artikel 6:2:3, vijfde lid, CAR-UWO. Uitbetaling hoeft echter niet. De vakantiekracht kan ook gevraagd worden de vakantiedagen op te nemen.

8. Hoeveel uur mag gewerkt worden en wat mogen jonge vakantiekrachten doen?

Hoeveel uur een vakantiekracht mag werken en welk werk verricht mag worden, is afhankelijk van de leeftijd van de vakantiekracht. Kinderen jonger dan 13 jaar mogen niet werken. Voor mensen van 18 jaar en ouder gelden de reguliere bepalingen van de Arbeidstijdenwet. Voor gemeentepersoneel zijn de arbeidstijden nader gespecificeerd in de CAR-UWO.

Voor kinderen jonger dan 18 jaar gelden bijzondere regels. Hierbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen kinderen jonger dan 16 jaar en jeugdigen van 16 en 17 jaar. Voor kinderen van 13, 14 en 15 jaar geldt de Nadere regeling kinderarbeid (Staatsblad 1995, 246). Hierin is bepaald hoeveel uren zij mogen werken en welke arbeid zij mogen verrichten. Voor hen geldt ook dat de werkgever de ouders voorlicht over het werk dat de kinderen verrichten (artikel 3:4 Arbeidstijdenwet).

Voor jeugdigen van 16 en 17 jaar zijn in de Arbeidstijdenwet (Atw) bijzondere regels opgenomen. Op de website van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is in schema aangegeven welke arbeidstijden voor de kinderen jonger dan 17 jaar gelden en welke werkzaamheden zij mogen verrichten. Zie www.rijksoverheid.nl > ministeries > szw > onderwerpen > jongeren en werk > werkende jongeren.       

9. Welke werkzaamheden?

Kinderen van 13, 14 en 15 jaar mogen lichte werkzaamheden verrichten van niet-industriële aard. Jongeren van 16 en 17 mogen bijna alle soorten werk verrichten, zij het dat dit geen gevaarlijk werk mag zijn. Voor mensen vanaf 18 jaar gelden geen specifieke regels over de aard van het werk. Op de website van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is aangegeven welke werkzaamheden zij mogen verrichten, zie     www.rijksoverheid.nl > ministeries > szw > onderwerpen > jongeren en werk > werkende jongeren.

10. Welke uren?

Tijdens een vakantieweek geldt onder meer het volgende voor kinderen en jeugdigen als vakantiekracht:

  • Kinderen van 13 en 14 jaar mogen niet langer dan 7 uur per dag werken en per week niet meer dan 35 uur. Zij mogen niet eerder dan 7:00 beginnen en mogen zij in beginsel na 19:00 uur niet werken.
  • Kinderen van 13 en 14 jaar mogen ten hoogste 4 vakantieweken werken, waarvan maximaal 3 aaneengesloten.
  • Kinderen van 15 jaar mogen 8 uur per dag werken en per week 40 uur. Verder mogen ook zij niet eerder dan 7:00 uur beginnen en mogen zij in beginsel na 19:00 uur niet werken.
  • Kinderen van 15 jaar mogen ten hoogste 6 vakantieweken werken, waarvan maximaal 4 vakantieweken aaneengesloten.
  • Kinderen van 16 en 17 jaar mogen 9 uur per dag werken en, over 4 weken gemeten, gemiddeld 40 uur per week. Incidenteel mogen zij 45 uur per week werken.
  • Voor alle kinderen en jeugdigen geldt dat zij na 4,5 uur werken minstens een half uur pauze moeten hebben.



    Zie wederom www.rijksoverheid.nl > ministeries > szw > onderwerpen > jongeren en werk > werkende jongeren.

11. Sociale verzekeringen

De vakantiekracht is werknemer in de zin van de Werkloosheidswet (WW) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en is in beginsel verzekerd tegen werkloosheid en arbeidsongeschiktheid.

12. Werkloosheid

  • Na het einde van het dienstverband, dient de vakantiekracht aan de normale eisen van de WW te voldoen om in aanmerking te komen voor een (ten laste van de gemeente komende) werkloosheidsuitkering. Er moet dus minstens 26 weken gewerkt zijn. Werk vóór indiensttreding bij de gemeente moet hierin worden meegeteld. Als de vakantiekracht na het einde van het dienstverband weer naar school gaat, is hij niet beschikbaar voor om arbeid te verrichten. De vakantiekracht heeft dan geen recht op een werkloosheidsuitkering.
  • De gemeentelijke bovenwettelijke werkloosheidsregeling is niet van toepassing. Deze is uitgezonderd in artikel 1:2:1 CAR-UWO.
  • Omdat de vakantiekracht onder de WW valt, moet de gemeente werkloosheidspremie inhouden op de bezoldiging van de vakantiekracht. NOTA BENE: Deze premie is voor 2012 op nul gesteld.

13. Ziekte en arbeidsongeschiktheid

De vakantiekracht valt onder de gemeentelijke rechtspositieregeling. Op grond daarvan moet bij ziekte het loon doorbetaald worden. Verder heeft de vakantiekracht recht op bijstand van de bedrijfsarts. De vakantiekracht kan, ook al is hij ziek, na ommekomst van de afgesproken periode gewoon ontslag verleend worden. Er is namelijk sprake van een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst. Is de vakantiekracht op dat moment nog ziek, dan valt hij onder de werking van de Ziektewet. Deze komt niet voor rekening van de gemeente, maar wordt uit het Uitvoeringsfonds voor de overheid betaald.

De vakantiekracht valt ook onder de werking van de WIA. Echter, aangezien meestal sprake is van een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst gedurende enkele weken in de vakantieperiode, zal een beroep op de WIA niet aan de orde zijn, aangezien dat pas na twee jaar van arbeidsongeschiktheid mogelijk is. Wel moet de gemeente de arbeidsongeschiktheidspremie inhouden op de bezoldiging van de vakantiekracht.

14. Verzekering tegen ziektekosten

De vakantiekracht valt eveneens onder de Zorgverzekeringswet. Jongeren onder de 18 jaar zijn normaal gesproken gratis meeverzekerd. Als zij echter jonger dan 18 zijn, maar wel een eigen inkomen hebben, dan is over de bezoldiging wél een inkomensafhankelijke bijdrage maar geen nominale premie verschuldigd. De gemeente moet de inkomensafhankelijke bijdrage vergoeden. Over deze vergoeding moet loonbelasting en premies volksverzekeringen afgedragen worden.

Is de vakantiekracht ouder dan 18, dan moet de vakantiewerker zowel de nominale als de inkomensafhankelijke premie betalen. De inkomensafhankelijke premie wordt vergoed door de gemeente. Hierover moet loonbelasting en premies volksverzekeringen afgedragen worden.

15. Pensioen

In principe zijn vakantiekrachten, omdat ze in dienst zijn van de gemeente, deelnemer bij het ABP. Wanneer de bezoldiging van de vakantiekracht echter onder € 10.850,00 op jaarbasis blijft (dit is de franchise van het ABP), wordt er geen pensioen opgebouwd en hoeft er geen premie te worden betaald. In dat geval hoeft de vakantiekracht niet aangemeld te worden bij het ABP. Ook hoeft de gemeente dan geen pensioenpremie in te houden.

16. Aansprakelijkheid

  • Omdat de vakantiekracht een aanstelling (of arbeidsovereenkomst) heeft met de gemeente, is de gemeente, zoals bij al het gemeentelijk personeel, op grond van de Arbeidsomstandighedenwet verplicht een zo goed mogelijk arbeidsomstandighedenbeleid te voeren. Werknemers, dus ook de vakantiekrachten, zijn verplicht om zelf de nodige voorzichtigheid en zorgvuldigheid in acht te nemen, hem ter beschikking gestelde beschermingsmiddelen te gebruiken en de werkgever in te lichten over mogelijke gevaren voor de veiligheid.
  • Wanneer zich ondanks dit veiligheidsbeleid ongelukken voordoen en de vakantiekracht schade leidt, is de werkgever hiervoor aansprakelijk. Dit geldt alleen als de vakantiekracht aan de schade geen schuld heeft of anderszins nalatig is geweest. Dit is geregeld in artikel 15:1:23 tot en met 15:1:25 CAR-UWO.
  • Ook wanneer derden schade leiden door handelen van de vakantiekracht is de gemeente als werkgever van deze vakantiekracht, hiervoor in principe aansprakelijk. Schade die de gemeente leidt door handelen van de vakantiekracht, kan op de vakantiekracht worden verhaald als de schade aan schuld of nalatigheid van de vakantiekracht is te wijten. Dit is bepaald in artikel 15:1:12 CAR-UWO. Schuld of nalatigheid zal overigens niet snel aangenomen worden.

CvA-notitie juni 2012