Er zijn bij gemeenten vragen gerezen over het kengetal ‘financiële ruimte 2025-2030 als % van de lasten 2024’ uit de jaarlijkse monitor financiële conditie. Aanleiding is een artikel in het Algemeen Dagblad. Hieronder volgt een feitelijke toelichting op wat dit kengetal wel en niet laat zien.
AD-bericht
Het AD heeft op basis van dat kengetal per gemeente berekeningen in geldbedragen gepubliceerd. Het artikel vestigt landelijk de aandacht erop dat door het rijk voor de komende jaren flinke kortingen op het gemeentefonds zijn doorgevoerd. Gemeenten varen in afwachting van een nieuw regeerakkoord in de mist over de vraag hoeveel er moet worden omgebogen. Verschillende partijen die waarschijnlijk bij de formatie worden betrokken, hebben in hun verkiezingsprogramma’s meer geld voor gemeenten in het verschiet. Hoeveel gaat er in de formatie van het nieuwe kabinet nog af van de ombuigingen op de overdrachten van het rijk?
Ernaast staat er nog een afbouw van de suppletie-uitkering voor de ingroei van de herverdeling algemene uitkering gemeentefonds uit 2023 in de boeken. Die afbouw is vooralsnog bevroren, maar wordt vanaf 2027 verder afgebouwd.
Het kengetal over de financiële ruimte uit de Monitor financiële conditie gemeenten schijnt licht op de ombuigingsopgave 2025-2030 per gemeente die volgt uit de huidige rijksbegroting 2026.
Ombuigingsopgave volgt uit kortingen op rijksoverdrachten aan gemeenten
Uit de monitor komt naar voren dat de gemeentefinanciën van nagenoeg alle gemeenten er op dit moment goed voorstaan. De score op de financiële conditie index waarmee de huidige financiële gezondheid in beeld wordt gebracht, is voor nagenoeg alle gemeenten goed of voldoende. Alleen door de ombuigingen op de rijksoverdrachten aan gemeenten in de komende jaren die uit de huidige rijksbegroting 2026 volgen, zullen gemeenten flink moeten ombuigen. In totaal staan voor de komende jaren € 2,7 miljard aan ombuigingen op overdrachten aan gemeenten in de rijksbegroting 2026, die gemeenten moeten verwerken.
Ombuigingsopgave 2025-2030
Met het kengetal over de financiële ruimte 2025-2030 wordt een inschatting gegeven van de ombuigingsopgave ten opzichte van de normale trendmatige groei van de inkomsten en uitgaven. Daarbij worden ook de gevolgen van de afbouw van de suppletie-uitkering ingroei herverdeling algemene uitkering 2023 betrokken. Bij de ene gemeente betekent dat een verlichting en bij de andere juist een verzwaring. De trendmatige groei van de inkomsten en uitgaven van gemeenten bedraagt naar huidige inzichten de komende jaren gemiddeld ruim 4% per jaar, maar dat verschilt per gemeente.
Het percentage van de ombuigingsopgave betreft de ombuigingsopgave voor de gehele periode 2025-2030 en betekent dus een afslag op dat groeipercentage. De ombuigingsopgave is uitgesmeerd over de periode nominaal gezien ‘minder meer’. Gemeenten zelf hebben in hun begrotingen 2025 en 2026 al deels invulling moeten geven aan een deel van deze ombuigingen, omdat die van het provinciaal toezicht moeten sluiten.
Hoe is het kengetal berekend?
Het vertrekpunt van de berekening is de balans en exploitatie van de jaarrekening 2024 (Opendata IV3 aan CBS). Daarin is het trendmatig groeipad geraamd op basis van indicatoren van het CPB (concept MEV 2026) en CBS (regionale bevolkingsprognose). Vervolgens zijn de ombuigingen uit de rijksbegroting 2026 voor 2025-2030 in mindering gebracht. Inclusief de plussen jeugdzorg in 2025 en 2026 gaat het per saldo om € 2,7 miljard (prijspeil 2026). Dit is 5% van de totale overdrachten exclusief BUIG. Verder is verondersteld dat de rente met 1% stijgt en zijn de gevolgen van de afbouw van de suppletie-uitkering ingeboekt.
Waarom verschillen tussen gemeenten?
Dit alles vergt bij de meeste gemeenten een flinke ombuigingsopgave voor de jaren 2025 tot en met 2030 ten opzichte van het trendmatige groeipad. Maar tussen gemeenten varieert de uitkomst van de ombuigingsopgave door verschillende redenen.
Allereerst is de ene gemeente minder afhankelijk van overdrachten dan de andere gemeenten, zodat de ombuiging van 5% op de overdachten van het rijk verschillend neerslaat bij gemeenten.
Ten tweede is aanvullend rekening gehouden met de afbouw van de huidige suppletie-uitkering het ingroeipad herverdeling algemene uitkering 2023. Voor de ene gemeente betekent dat een verlichting van de ombuigingsopgave en voor de andere gemeente een verzwaring.
Ten derde is het exploitatieresultaat van de jaarrekening 2024 van belang, omdat het trendmatig groeipad is bepaald op basis van de inkomsten en uitgaven in 2024. Een positief exploitatieresultaat in dat jaar verlicht de ombuigingsopgave, een negatief exploitatieresultaat verzwaart de ombuigingsopgave omdat ook dat tekort nog moet worden weggewerkt.
Wel is bij het exploitatieresultaat een nuance van belang. Bij sommige gemeenten zit in 2024 een flink negatief saldo uit grondexploitatie verscholen in het exploitatieresultaat of juist een uitzonderlijk hoog positief saldo. De raming corrigeert daarvoor. In het eerste geval betekent dat meer financiële ruimte in de navolgende jaren en in het tweede geval minder financiële ruimte. Bij de Zeeuwse gemeenten was in 2024 sprake van een uitzonderlijk hoog eenmalig dividend uit deelnemingen. Ook daarvoor is gecorrigeerd.
Van belang voor de uitkomst is eveneens de bevolkingsprognose van het CBS voor de gemeente. Indien er de komende jaren sprake is van een bevolkingsdaling veronderstelt de berekening dat batige saldi uit de grondexploitatie wegvallen. Er zijn op termijn geen nieuwe woningen nodig. Met die baten worden nu nog lasten op de exploitatie gedekt. Het wegvallen ervan heeft dan ook een negatief effect op de financiële ruimte.
Ook is de bevolkingsprognose van invloed op de hoogte van de uitgaven aan investeringen. In de raming wordt uitgegaan van een jaarlijks investeringsvolume van €408,42 per inwoner (prijspeil 2025), wat het huidige niveau is van de investeringen in kapitaalgoederen. Bij een hoge inwonergroei stijgen die uitgaven aan publieke investeringen in publieke kapitaalgoederen extra en souperen dan meer financiële ruimte op, terwijl ze in gemeenten met bevolkingskrimp juist dalen.
Een vraag is of de bevolkingsprognose van het CBS met de huidige woningkrapte ook uitkomt. Het is mogelijk dat de raming van de investeringsuitgaven voor sommige gemeenten aan de hoge kant is ten opzichte van het huidige niveau dat ze zelf nodig acht. Maar er moet wel worden bedacht dat juist de komende periode intensiveringen worden verwacht van gemeenten voor maatschappelijke opgaven, die juist een aanzienlijk hoger investeringsniveau vragen dan het hiervoor genoemde bedrag. Denk daarbij aan renovatie en vernieuwing oude infrastructuur, renovatie en vernieuwing onderwijshuisvesting, investeringen in de publieke ruimte die horen bij de bouw van extra woningen en aanpassingen vanwege aan klimaatverandering. Verschillende politieke partijen die waarschijnlijk bij de formatie worden betrokken, hebben ook daarvoor in hun verkiezingsprogramma’s in meer of mindere mate extra geld uitgetrokken. Alleen zit dat vanzelfsprekend niet in de raming van het percentage van de financiële ruimte 2025-2030 meegenomen.
Belangrijk om te benadrukken
De raming is een indicatie van de ombuigingsopgave waarmee gemeenten bij het huidige rijksbeleid worden geconfronteerd. Het is geen oordeel over de begroting 2026 van gemeenten zelf.