Als een jongere van 18, 19 of 20 jaar oud een beroep doet op aanvullende bijstand voor levensonderhoud, is het aan de gemeente om te bepalen of er sprake is van noodzakelijke kosten van het bestaan die hoger zijn dan de jongerennorm én of de ouders aan hun onderhoudsplicht kunnen voldoen.

Voor deze hogere kosten kan de gemeente tot 1 januari 2026 bijzondere bijstand verstrekken. Veel gemeenten kennen hiervoor min of meer vaste normen in het eigen beleid.

Gewijzigde wetsartikelen

Per 1 januari 2026 is artikel 12, Participatiewet (Pw) komen te vervallen. Artikel 12 Pw regelde een inkomensaanvulling voor jongeren van 18 tot 21 jaar die geen aanspraak kunnen maken op de onderhoudsplicht van hun ouders voor levensonderhoud. Daarvoor is artikel 20 lid 3 en lid 4 Pw in de plaats gekomen. Lid 3 Pw voorziet in een aanvullend normbedrag (een ophoging) aan algemene bijstand voor de jongere van 18 tot 21 jaar. En lid 4 Pw regelt dat de norm en de aanvullende norm samen niet hoger zijn dan de norm die geldt voor een 21-jarige of ouder in dezelfde situatie waarbij ook rekening wordt gehouden met de kostendelersnorm en met verlaging op grond van de woonsituatie als bedoeld in artikel 27 Pw.

Uitgangspunt (aanvullende) jongerennorm

Voor jongeren van 18 tot 21 jaar geldt een lagere bijstandsnorm, de jongerennorm. De jongerenorm is lager, omdat ouders verplicht zijn om in het onderhoud van hun kinderen te voorzien totdat ze 21 jaar zijn (de onderhoudsplicht). De hoogte is afgeleid van de kinderbijslag, die ouders ontvangen voordat een kind 18 jaar is. Van ouders wordt verwacht dat zij de bijstandsuitkering aanvullen of op andere wijze ondersteuning bieden (door bijvoorbeeld in natura te voorzien in de kosten van levensonderhoud). 

In beginsel biedt de reguliere jongerennorm voldoende financiële ondersteuning als de jongere kan terugvallen op de ondersteuning van zijn ouders. Dit geldt niet voor jongeren die niet kunnen terugvallen op de onderhoudsplicht van hun ouders. De aanvullende jongerennorm is bedoeld om de bijstandsnorm van deze groep jongeren aan te vullen en te voorkomen dat zij financieel in de problemen komen. Om voldoende financiële ondersteuning te bieden, te voorkomen dat er telkens een vergaand onderzoek nodig is dat diep ingrijpt in de privacy van de jongeren en om jongeren meer rechtszekerheid te bieden, is besloten tot de harmonisatie van de aanvullende jongerennorm. Het aanvullende bedrag in artikel 20 lid 3 Pw is sinds 1 januari 2026 het uitganspunt bij het verstrekken van de aanvullende jongerennorm.

Wat betekent dit voor de praktijk?

Met de wetswijzing is geen verbreding van de doelgroep beoogd. De aanvullende jongerennorm is bestemd voor jongeren die niet kunnen terugvallen op de ouderlijke onderhoudsplicht en daardoor niet kunnen voorzien in hun noodzakelijke bestaanskosten met de jongerennorm. Wel dienen gemeenten de aanvullende jongerennorm alsnog te verhogen of verlagen (af te stemmen) als er sprake is van substantiële lagere of hogere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan (artikel 18 lid 1 Pw).

Deze afstemming is in feite niet anders dan de check die bij elke bijstandsaanvraag wordt gedaan om na te gaan of maatwerk vereist is. Bij zelfstandig uitwonende jongeren met hogere kosten kan de verhoogde jongerennorm nog steeds onvoldoende zijn om in het levensonderhoud te voorzien en dient de bijstand te worden afgestemd op het niveau van een 21 jarige in een vergelijkbare situatie. Woont een jongere thuis en functioneert hij of zij feitelijk binnen het bestaande gezinssysteem zoals vóór het 18e jaar, dan wordt in beginsel aangenomen dat:

  • Het onderhoudsrecht feitelijk kan worden benut;
  • De noodzakelijke kosten van het bestaan niet uitstijgen boven de reguliere jongerennorm;
  • Geen recht bestaat op de aanvullende jongerennorm.

Alleen wanneer uit individuele feiten en omstandigheden blijkt dat de jongere geen beroep kan doen op onderhoudsplicht van de ouders, kan een verhoging van de jongerennorm aan de orde zijn. Daarbij blijft maatwerk noodzakelijk.

Met deze toelichting gaat de wetgever ervan uit dat gemeenten toereikend zijn toegerust om jongeren die dat nodig hebben (en van wie ouders niet kunnen voldoen aan de onderhoudsplicht van hun kind) financiële ondersteuning te bieden.