KPMG heeft een diepteanalyse gedaan bij negen gemeenten en dertien aanbieders over de uitgaven jeugdhulp. In de negen gemeenten is tussen 2016 en 2018 ongeveer 21% meer uitgegeven aan jeugdhulp.

Samen met eerdere onderzoeken en de eerste resultaten van de visitatiecommissie financiële beheersbaarheid sociaal domein biedt het onderzoek interessante aanknopingspunten voor het gesprek tussen gemeenten over de stijgende uitgaven jeugdhulp.

Stijging kosten

De stijging van de kosten die gemeenten maken, en die in eerdere onderzoeken is aangetoond, wordt hier nog eens bevestigd. Ongeveer de helft van de stijging is te verklaren doordat meer kinderen worden geholpen, de andere helft doordat de kosten per cliënt stijgen. Ook blijkt dat de gemeentelijke uitvoeringskosten stabiel zijn. Dat geldt ook voor de uitvoeringskosten bij aanbieders die deze stijging niet kunnen verklaren.

Meer aanbieders per gemeente

Ook valt in het onderzoek op dat de negen gemeenten gemiddeld gesproken met meer aanbieders te maken hebben en dat het aandeel van de top-10 aan aanbieders die de meeste hulp biedt, daalt. Dat laat zien dat de omzet over meer aanbieders uitgespreid worden in deze gemeenten. 

Noodzaak voor structurele middelen

Het onderzoek maakt, gezien de forse stijging van het aantal kinderen dat jeugdhulp krijgt, extra duidelijk hoe relevant het is om na te denken over de reikwijdte van de jeugdhulpplicht. De VNG heeft daarvoor een expertiseteam ingesteld. Ook laat het onderzoek zien hoe belangrijk het is dat gemeenten sturen op een daling van de gemiddelde kosten per cliënt. Tot slot laat het onderzoek de noodzaak zien om de incidentele middelen voor jeugd structureel te maken na 2021.