De aandacht voor de aanpak van zorgfraude door gemeenten groeit. Casuïstiek en verhalen in de media tonen de noodzaak daarvoor ondubbelzinnig aan. Ze laten ook zien dat de fraude zich in verschillende vormen manifesteert. Het rapport ‘Een wereld te winnen’ geeft inzicht in aard én aanpak van zorgfraude.

Foto: Edward van der Torre

VNG Naleving gaf het bureau LokaleZaken opdracht om de fraude binnen de Wmo 2015 en Jeugdwet inzichtelijk te maken en aanbevelingen te doen voor een effectieve aanpak. Het resultaat is het rapport ‘Een wereld te winnen’ | Over zorgfraude (Wmo 2015 en Jeugdwet)’. Hierin worden onder meer 6 fraudestrategieën en 63 fraudetactieken onderscheiden. We vroegen onderzoeker Edward van der Torre naar zijn bevindingen.

Wat is de belangrijkste conclusie uit het rapport?

Dat het nog te gemakkelijk en lonend is om zorgfraude te plegen. Daarom is het belangrijk dat alle gemeenten in de vingers krijgen hoe ze deze fraude kunnen herkennen, voorkomen en indammen en weten hoe ze de samenwerking met andere gemeenten en ketenpartners kunnen vormgeven. Kostbaar zorggeld mag niet in de verkeerde zakken verdwijnen. En, belangrijker nog, we moeten voorkomen dat kwetsbare burgers de dupe worden van frauduleuze praktijken. Gelukkig pakken steeds meer gemeenten de handschoen op, maar er is nog een wereld te winnen.  

Welke verschijningsvormen van fraude kwam u tegen?

Het gaat om netwerkfraude, organisatiefraude en informele fraude. Die eerste is het domein van de zogenoemde zorgcowboys. Hun ‘zorg’ is aanbodgericht in plaats van cliëntgericht en richt zich vaak op een bepaalde niche. Bij organisatiefraude gaat het veelal om zorgaanbieders die met oprechte bedoelingen zijn opgericht, maar die gaandeweg zien dat ze bijvoorbeeld vrij eenvoudig administratieve kosten kunnen declareren. Deze kaasschaafmethode is gevoelsmatig misschien minder ernstig, maar kan bij aanbieders met veel cliënten flink in de papieren lopen. Voor het opsporen van deze fraude moet je met ‘de blik van een accountant’ naar facturen kunnen kijken. Een voorbeeld van informele fraude is een aantal fictieve pgb’s in één gezin. Hier kun je als gemeente wel indicatoren opzetten.

U noemt in uw rapport 6 fraudestrategieën en 63 fraudetactieken. Wat kunnen gemeenten hiermee?

De basisgedachte is dat als je fraude wilt voorkomen en bestrijden, je de denkwereld van de fraudeur moet kennen. Kijk naar de netwerkfraude die ik eerder noemde. Een aanbieder heeft een specifiek zorgproduct waar hij cliënten voor ronselt. Zie je dan als gemeente dat een bepaalde zorgvraag in een wijk opvallend hoog is, dan moet er een lampje gaan branden. Dat geldt bijvoorbeeld ook als een nieuwe aanbieder van ambulante zorg in twee jaar net zo groot wordt als een gerenommeerde aanbieder. Een ander voorbeeld is meebewegen. Geef je een zorgaanbieder een aanwijzing om de kwaliteit te verbeteren en wordt die meteen opgevolgd? Dan is dat of een goed teken of een manier om snel van die ‘vervelende’ gemeente of GGD af te komen. Daar moet je als gemeente scherp op zijn.     

In uw rapport noemt u ook gelegenheidsstructuren voor zorgfraude. Kunnen gemeenten die gaten zelf dichten?

Niet alle gaten. Wel als het gaat om een gelegenheid zoals ruime kaders. Je ziet steeds meer gemeenten heldere normen stellen over de inhoud en kwaliteit van de zorg. Dat is echt een sturingsinstrument. Zonder zo’n kader wordt het bewaken van kwaliteit en rechtmatigheid ook wel heel ingewikkeld. Hetzelfde geldt voor screening aan de poort. Stel dat mijn kind zorg krijgt in een omgeving voor beschermd wonen. Voor mij is het dan extreem belangrijk dat het de juiste zorg krijgt. Zo bekeken moet het screenen van zorgaanbieders de normaalste zaak van de wereld zijn. Ook op het gebied van informatie-uitwisseling valt nog een wereld te winnen. Onder meer koudwatervrees bij gemeenten door ‘het oerwoud’ aan instanties en juridische bepalingen, steken een stok in de wielen.

Wat zijn de belangrijkste aanbevelingen voor gemeenten?

De belangrijkste is: zorg dat je de basis op orde hebt. Daarbij hoort een stevige positionering van preventie en bestrijding van zorgfraude. Het hoort wat mij betreft topprioriteit te zijn van de verantwoordelijke wethouder met betrokkenheid van de burgemeester vanwege raakvlakken met integriteit en ondermijning. Dat kost energie, maar het is geen rakettechnologie. Op ambtelijk niveau gaat het onder meer om het benoemen van een toezichthouder rechtmatigheid die zich onafhankelijk kan bewegen in de organisatie en een koppeling heeft met kwaliteit. In de ideale situatie vormen functionarissen op verschillende niveaus en van verschillende afdelingen samen een pact tegen zorgfraude. Dit betekent dat je een kanaal moet graven tussen toezichthouder, wethouder, beleidsmedewerker, contractmanager en consulenten, zodat er snel geschakeld kan worden. Maar ook goede manieren van aanbesteding, heldere kwaliteitskaders en een meldpunt dragen bij aan het pact. Gelukkig zijn er steeds meer gemeenten met de nodige ervaring en VNG Naleving vangt die ervaringen steeds beter in best practices, netwerken, onderwijs en advies op zowel bestuurlijk als ambtelijk niveau. Je hoeft het wiel dus niet opnieuw uit te vinden.

Het rapport

Het rapport is verschenen in twee edities: een publieksversie en een interne versie voor gemeenten en partners. De interne versie gaat dieper in op de fraudestrategieën en -tactieken. Voor deze versie moet u zich eerst aanmelden of inloggen (als u al een account heeft) op de site van de VNG.

Meer informatie

Wilt u meer horen van Edward van der Torre? Luister dan naar deze podcast, waarin hij dieper ingaat op zijn bevindingen in het rapport ‘Een wereld te winnen’.

VNGemeenten · Zorgfraude - VNG Praat Mee 19