Het ministerie van VWS en de VNG hebben de afspraken van 25 maart over de continuïteit van de financiering van het sociaal domein (de Wmo en de Jeugdwet) verder uitgewerkt.

Hiermee krijgen gemeenten meer duidelijkheid op welke wijze de financiering van aanbieders van zorg op peil kan worden gehouden. De uitwerking geeft antwoord op de volgende vragen:

De uitwerking van de afspraak geeft antwoord op de volgende uitwerkingsvragen op:

  1. Hoe bepaal je het omzetniveau waarop je blijft doorbetalen?
  2. In welke mate vindt na afloop de verantwoording plaats?
  3. Hoe pakt dit uit voor de verschillende uitvoeringsvarianten, voor LTA en voor hoofd- en onderaannemerschap?
  4. Moeten gemeenten ook zicht houden op de liquiditeit van aanbieders?
  5. Geldt dit voor alle aanbieders?

Deze afspraken gelden in elk geval tot 1 juni (dus voor de maanden maart, april en mei).

Ook op andere onderdelen, zoals meerkosten, gevolgen voor rechtmatigheid, PGB´s en afspraken over uitgestelde vragen, worden nadere afspraken gemaakt.

Doel van de afspraken

Doordat verminderde vraag is naar zorg en/of inzetbaarheid van personeel door ziekte neemt de omvang van zorg en ondersteuning tijdelijk af van de normale situatie. Als gemeenten de vergoeding daarop aanpassen dreigen zorgaanbieders in acute financiële nood te komen. Om dit voorkomen hebben de VNG en het Rijk op 25 maart afgesproken dat de financiering van de omzet onverminderd plaatsvindt, zoals die contractueel overeengekomen was dan wel een zo goed mogelijke inschatting daarvan. Met als doel acute liquiditeitsproblemen te voorkomen en de gevolgen van de coronacrisis voor de financiële positie in 2020 van deze zorgaanbieders te neutraliseren. Van zorgaanbieders wordt verwacht dat zij zich inspannen om de professionele inzet zo goed mogelijk te benutten (binnen hun organisatie dan wel op andere plaatsen waar de acute behoeften bestaat), en daarmee de eventuele omzetdaling te beperken.

Meer informatie