Mobiliteit: opbrengsten van invloed op gemeenten

Op 21 december zijn de opbrengsten van de sectortafels overhandigd aan minister Wiebes. De VNG ziet dit moment als een volgende stap in het proces om te komen tot een Klimaatakkoord. Net als bij de oplevering in 10 juli gaat het hier om tussenproduct dat nog wordt doorgerekend door het PBL. Voor een volledig overzicht van alle maatregelen kunt u terecht op www.klimaatakkoord.nl.

Zorgeloze mobiliteit, voor alles en iedereen in 2050. Geen emissies, uitstekende bereikbaarheid toegankelijk voor jong en oud, arm en rijk, valide en mindervalide. Betaalbaar, veilig, comfortabel, makkelijk én gezond. Slimme, duurzame, compacte steden met optimale doorstroming van mensen en goederen. Mooie, leefbare en goed ontsloten gebieden en dorpen waarbij mobiliteit de schakel is tussen wonen, werken en vrije tijd. Dit is de visie die de deelnemers aan de Mobiliteitstafel willen bereiken door in te zetten op een integrale benadering van het mobiliteitssysteem, waarbij alle modaliteiten en de infrastructuur optimaal worden ontwikkeld en benut én alle modaliteiten schoon zijn. Hiermee wordt niet alleen voldaan aan de afspraken van Parijs, maar wordt ook een significante bijdrage geleverd aan de terugdringing van overige milieuschade.

In het perspectief van deze opdracht en de doelen voor 2030 en 2050 concludeert de Mobiliteitstafel dat de bestuurlijke kaders en uitgangspunten uit het Regeerakkoord ontoereikend zijn om het mobiliteitssysteem toekomstbestendig te maken. De langetermijnhorizon van een robuust mobiliteitssysteem vereist diverse systeemveranderingen.

De Mobiliteitstafel stelt dat de volgende drie maatregelen onmisbaar zijn, en in 2019 uitwerking vergen voor zo spoedig mogelijke invoering:

  1. De Rijksoverheid vormt het Infrastructuurfonds om naar een mobiliteitsfonds.
    Belangrijk hierbij is om de nieuwe uitgangspunten bij het Mobiliteitsfonds op korte termijn al toe te passen bij nieuwe opgaven, zoals het nadrukkelijker meewegen van slimme maatregelen waarmee de flexibiliteit tussen de modaliteiten (OV, weg, waterweg, fiets) wordt vergroot. Extra investeringen om bestaande en nieuwe knelpunten in (stedelijke) bereikbaarheid op te lossen en modal shift een verdere impuls te geven acht de tafel noodzakelijk . Het huidige Infrafonds biedt hiervoor onvoldoende (vrij besteedbare) middelen.
  2. Overheden maken tempo met regionale mobiliteitsplannen en een daarmee samenhangend nationaal mobiliteitsplan.
    Voor het realiseren van zorgeloze mobiliteit heeft iedere regio een specifieke integrale aanpak nodig. De regionale schaal is hét schaalniveau om met concrete oplossingen en maatwerk te komen. Deze plannen vormen de gedeelde basis voor gezamenlijke investeringen en de afspraken uit het Klimaatakkoord worden hier onderdeel van.
  3. Een verkenning naar een andere bekostigingssystematiek.
    Het kabinet constateert in de kabinetsappreciatie van 5 oktober 2018 dat: “de transitie op termijn structurele gevolgen heeft voor de inkomsten van de overheid, bijvoorbeeld doordat de inkomsten via de energiebelasting op aardgas en verschillende belastingen in de mobiliteitssector teruglopen. Daarom zal het kabinet zich, als onderdeel van de verkenning voor de verbetering van het belastingstelsel, buigen over de mogelijkheden deze endogene belastingderving op te vangen”.

Duurzame energiedragers

  • Bij concessieverlening van tankstations de tank- en laadinfrastructuur voor duurzame energie bronnen in het vervoer versnellen (en waar nodig aanpassingen voor veiligheid maken).
  • Uitrol & opschaling van zero emissie bussen & alternatieve tank- laadinfrastructuur (vervoersregio’s & concessie-verlenende overheden).
  • Uitrol & opschaling zero emissie doelgroepenvervoer.
  • Nieuw convenant voor zero emissie reinigingsvoertuigen wordt in 2019 uitgewerkt.

Stimulering elektrisch (personen)vervoer

  • Bedrijven met een verduurzaamd wagenpark in het voordeel gunnen bij aanbestedingen: duurzaamheid als eis of zwaarwegende wegingsfactor bij gunningen.
  • Rijk dient in 2019 wetvoorstel in dat gedifferentieerd parkeren vanaf 2021 of eerder wettelijk mogelijk maakt. Gemeentes kunnen parkeerbeleid inzetten in combinatie met o.a. een milieuzone.
  • Inkoop eigen wagenpark (lichte voertuigen ZE in 2030, zware voertuigen zoveel mogelijk emissieloos in 2030).
  • Duurzame inkoop doelgroepenvervoer (zoveel mogelijk ZE in 2025, max 2030 zonder emissies).
  • Inkoop opdrachten: voorwaarde emissieloos vervoer uiterlijk 2030.
  • Gemeenten onder de green deal autodelen steunen het elektrificeren van autodelen door:
    • Parkeernormen in nieuwbouwwijken waar mogelijk naar beneden te stellen (rekening houdend met de lokale gewenste mobiliteitsmix), bij hoogstedelijke inbreidingslocaties wordt een zo laag mogelijke parkeernorm aanbevolen.
    • Elektrische deelautos buiten kantooruren voor gebruik van burgers open stellen.
    • Voor standplaats gebonden deelauto’s zorgt de gemeente voor een vaste parkeerplaats. Voor deelauto’s zonder vaste standplaats onderzoeken gemeenten naar mogelijkheden voor gemeentebrede en wederzijds erkende parkeervergunningen (resultaten daarvan uiterlijk medio 2019 openbaar).
    • Onderzoek naar een campagne auto deelen (met andere partijen).

Laadinfrastructuur

  • Uitgangspunt bij de Nationale Agenda Laadinfrastructuur is geen directe financiële overheidsstimulering voor de aanleg en exploitatie laadinfrastructuur.
  • Wel is ondersteuning nodig voor innovaties, procesbegeleiding, monitoring en evaluatie.
  • Decentrale overheden hebben voorts circa 5 miljoen euro per jaar voor uitvoeringskosten ten behoeve van de implementatie van de agenda geclaimd.Dit bedrag wordt nader onderbouwd en krijgt een plak in de afspraken over de decentralisatie van het Klimaatakkoord.
  • Onderzoek naar versnelling gebruik elektrische tweewielers & beschikbaar stellen van parkeerplekken met bijhorende laadinfra.
  • In de Nationale Agenda Laadinfra worden samenwerkingsregios ingericht of versterkt, daar worden afspraken over laadinfrastructuur, plaatsingsbeleid & uitrolplannen gemaakt en elke twee jaar geactualiseerd.
  • Het realiseren van robuuste laadinfrastructuur voor (stads)logistiek ten behoeve van een verdere ingroei van elektrische mobiele werktuigen en elektrisch vervoer van goederen.

Verduurzaming logistiek

  • In de 30-40 grotere steden worden in Green Deal Zero-Emissie Stadslogistiek (ZES)-verband uiterlijk in 2020 middelgrote zero-emissie zones (ZE-zones) vastgesteld zoals die met ingang van 2025 voor goederenvervoer zullen gelden. Andere gemeenten kunnen zich hierbij aansluiten.
  • Voor de ZE-zones die met ingang van 2025 zullen gaan gelden, zal uiterlijk in 2020 (via een gestructureerd proces onder gezamenlijke regie van Rijksoverheid en gemeenten) vastgesteld worden hoe de invoering zal plaatsvinden, zodat het bedrijfsleven zich hierop tijdig kan voorbereiden. Andere gemeenten, die in een later jaar een zero-emissie zone instellen, zullen dit minimaal vier jaar van tevoren aankondigen ten behoeve van een gestructureerde voorbereiding voor overheid en bedrijfsleven.
  • De VNG neemt het voortouw om met gemeenten organisatorische en IT-randvoorwaarden te realiseren om in 2025 zero-emissie zones in te kunnen voeren. Gemeenten stimuleren de ontwikkeling van de marktvraag door in vergunningsverlening, inkoop en aanbestedingen (van decentrale overheid én van derden) duurzame logistiek in te bouwen en te belonen. Tevens werken zij aan infrastructurele aanpassingen (aan bijvoorbeeld de fietsinfrastructuur en de publieke laadinfrastructuur) die noodzakelijk zijn om nieuwe concepten mogelijk te maken.
  • Voor bestaande vrachtauto’s van voor 1/1/2025 geldt een overgangsregeling tot 1/1/2030 in de vorm van een centraal afgegeven ontheffing op kentekenniveau. Daarvoor komen uitsluitend EURO-VI vrachtauto’s in aanmerking die niet ouder zijn dan 5 jaar (bakwagens) en 8 jaar (trekkers). In samenwerking met gemeenten wordt bezien of het mogelijk is om in die periode ZE-vrachtwagens voordelen te geven
  • Indien de uitvoeringsagenda’s in 2025 nog niet geleid hebben tot het instellen van middelgrote zero-emissie zones in 30-40 steden, verplicht de Rijksoverheid uiterlijk in 2026 om in 2030 zero-emissie zones in te stellen. De voortgang van het aansluiten van gemeenten zal voortdurend gemonitord worden. De Rijksoverheid zal reeds starten met het voorbereiden van wetgeving opdat snelle invoering van een wettelijke verplichting kan plaatsvinden.
  • Gemeenten stimuleren de ontwikkeling van de marktvraag door in vergunningsverlening, inkoop en aanbestedingen duurzame logistiek in te bouwen en te belonen. Tevens werken zij aan infrastructurele aanpassingen om nieuwe concepten mogelijk te maken.
  • Zero-emissie mobiele werktuigen op nemen in inkoopprocessen van bijvoorbeeld bouwwerkzaamheden en groenvoorziening.

Verduurzaming personenmobiliteit (incl. fiets, OV, zakelijk reizen)

  • Minimaal 80 werkgevers in 2020 en 500 werkgevers uiterlijk in 2030 gaan voor minimaal 50 procent CO2-reductie van zakelijke mobiliteit in 2030 ten opzichte van 2016; daarvoor goede afstemming tussen land en regio om administratie voor werkgevers te beperken.
  • Gemeenten kunnen zich als werkgever bij Anders Reizen aansluiten.
  • Vanaf begin 2022 normering in wetgeving voor werkgevers met meer dan 100 medewerkers; decentrale overheden zijn verantwoord voor toezicht en handhaving.
  • CO2-reductie realiseren met behulp van gemeentelijk parkeerbeleid
  • Binnen NOVI ruime fietsparkeernormen bij bedrijven en woningen als nieuwe norm en eis.
  • In de afspraken over duurzaam aanbesteden dient in de klanteisen rekening gehouden te worden met de gevolgen voor de fiets.

Regionale mobiliteitsprogramma’s

  • Voor het realiseren van zorgeloze mobiliteit heeft iedere regio een specifieke integrale aanpak nodig. De regionale schaal is hét schaalniveau om met concrete oplossingen en maatwerk te komen.
  • Om de regionale uitvoering van het Klimaatakkoord vorm te geven, wordt per regio een programma voor slimme en duurzame mobiliteit opgezet (hierna te noemen: ‘regionale programma’s’), met een landelijke equivalent (hierna te noemen: ‘nationaal programma’).
  • Deze programma’s vormen de gedeelde basis voor gezamenlijke investeringen en de afspraken uit het Klimaatakkoord worden hier onderdeel van. In gebieden waar nog geen passende governance structuur is, wordt deze ontwikkeld. Samenwerking van overheden in deze regionale programma’s is cruciaal (en equivalent aan de Regionale Energiestrategieën (RES).
  • De plannen worden uiteindelijk in het kader van het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) vastgesteld.
  • De Rijksoverheid faciliteert de regionale programma’s met actieve participatie en ondersteuning, en voert regie voor onderlinge samenhang en regio-overschrijdende landelijke aspecten (wet- en regelgeving, uniformering, kaders, etc.). Voor deze landelijke regie initieert de Rijksoverheid een nationaal programma Slimme en Duurzame mobiliteit met bestuurlijke, strategische gesprekken met vertegenwoordiging van regio en overige partijen. Onderdeel van dit gesprek zijn:
    • De ingezette omslag naar een duurzaam en klimaatbestendig mobiliteitssysteem.
    • De relatie tussen mobiliteit en ruimte, de Woonagenda en de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).
    • De gewenste mobiliteitstransitie zoals verwoord in Zorgeloze Mobiliteit.
    • Wat dit vraagt aan instrumenten, zoals de Mobiliteitsagenda en het Mobiliteitsfonds, en afspraken over governance en samenwerking. Over een van deze instrumenten, het Mobiliteitsfonds, vindt momenteel met betrokken partijen reeds overleg plaats.
    • Op een bestuurlijk overleg begin 2019 wordt het proces vastgesteld te komen tot regionale en het nationale programma. De eerste concept plannen kunnen op de Bestuurlijke Overleggen voor het MIRT (BO’s MIRT) in het najaar van 2019 worden besproken. De plannen worden uiteindelijk in het kader van het MIRT vastgesteld.

MIRT

  • De bestaande MIRT-programma’s tot 2028 worden slim benut voor duurzame mobiliteit, daartoe:
    • Spreken Rijk, VNG en IPO af om bij lopende MIRT-trajecten te verkennen of maatregelen voor fiets en multimodale hubs, kansrijk zijn om mee te nemen bij aanpassingen aan infrastructuur.
    • Bij bepaling van de scope van een project worden kansen en impact voor de fiets overwogen. Tevens wordt een verkenning opgezet naar kansen en belemmeringen voor het realiseren van fietsprojecten binnen de programma’s.
    • Rijk, IPO en VNG spreken in het kader van Tour de Force af dat begin 2019 een verkenning wordt afgerond naar kansrijke koppelingsmogelijkheden tussen lopende rijksprogramma’s en inventarisaties van Provincies, VNG, F10, en RWS naar de gewenste en benodigde fietsinvesteringen.
    • Op basis van de verkenning wordt met de Tour de Force voor eind mei 2019 een gezamenlijk overzicht met kansrijke fiets- en stedelijke logistiek projecten en multimodale hubs vastgesteld.

MAAS

Mobility as a Service (MaaS)

  • Rijk en lokale overheden faciliteren en stimuleren deelconcepten. In de fysieke ruimte, onder andere dicht bij OV-locaties, neemt de gemeente parkeergelegenheid en laadmogelijkheid op in bestemmingsplannen. Deelconcepten zijn onderdeel van de MaaS-pilots.
    • Het Rijk, provincies en VNG nemen in de afspraken over duurzaam aanbesteden op dat er bij aanbesteding, wanneer een aanbesteding de fiets raakt, ook specifiek in de klanteisen hiermee rekening te houden.