Minister Kajsa Ollongren: ‘Afsplitsen van raadsleden niet belonen’

Nummer 5, 23 maart 2018

Auteur: Paul van der Zwan | Beeld: © ministerie van BZK


Minister Kajsa Ollongren (BZK) heeft geen principieel bezwaar tegen raadsleden die zich afsplitsen. Toch kunnen raden overwegen hen minder te faciliteren. ‘Want je moet afsplitsing natuurlijk ook weer niet belonen.’

Een gebeeldhouwd hoofd van Johan Rudolph Thorbecke op een sokkel siert de kamer op haar ministerie. De grondlegger van de parlementaire democratie heeft er niet voor niets een plekje gekregen. De Grondwet uit 1848 die hij ontwierp, regelt ook de macht van Rijk, provincies en gemeenten. Dat Huis van Thorbecke staat nog steeds overeind. Vandaar het eerbetoon van de minister die daarover gaat.
Gemeenten zijn bij kabinetsformaties doorgaans extra benieuwd wie de minister van Binnenlandse Zaken wordt. Zij beschouwen deze immers als ‘hun’ minister. Helemaal als deze ervaring heeft in het lokaal bestuur. Zoals Ollongren, die van juni 2014 tot oktober 2017 D66-wethouder was in Amsterdam.
Een onbekende is de nieuwe minister ook zeker niet voor gemeenten. Krap twee jaar geleden was zij voorzitter van een door de VNG ingestelde denktank. Het rapport Maatwerkdemocratie doet voorstellen hoe te komen tot een krachtiger en trefzekerder gemeenteraad. Wat daarvan terugkomt in het beleid van de minister valt nog niet te zeggen. Het actieplan versterking lokaal bestuur zal deze zomer meer duidelijkheid verschaffen.

Kennelijk kent het lokaal bestuur zwakke plekken. Waar zitten deze?
‘Raadsleden hebben een grote verantwoordelijkheid; zij vormen de ruggengraat van de lokale democratie. Het raadslidmaatschap is een moeilijke functie. Onder andere door decentralisatie van taken hebben gemeenten en daarmee raden nog meer verantwoordelijkheid gekregen. Er wordt heel veel van raadsleden gevraagd. Zij moeten natuurlijk controleren wat wethouders doen, maar ook contact blijven houden met hun eigen achterban en inwoners met verschillende behoeften en wensen in de gemeente. En al die stukken beoordelen die op hen afkomen. Uiteindelijk wil ieder raadslid natuurlijk ook iets realiseren. Als een raadslid campagne heeft gevoerd voor bijvoorbeeld meer woningbouw, een beter zwembad of adequatere zorg voor ouderen, dan wil hij laten zien dat hij daar een bijdrage aan heeft geleverd. Voeg daarbij dat raadsleden hun werk in deeltijd doen, vaak naast een baan, dan is wel duidelijk hoeveel we vragen van raadsleden. Dát vormt het knelpunt in het lokaal bestuur.’

U wilt lokaal bestuurders en volksvertegenwoordigers versterken. Hoe?
‘In ieder geval door te zorgen voor betere opleiding. Je moet niet onderschatten hoe belangrijk het is om je te blijven ontwikkelen en te blijven leren. Ik weet dat mensen in de politiek daar geen prioriteit aan geven. Zij denken dat het belangrijker is om de stad in te gaan of stukken te lezen. Ik wil hen aanmoedigen toch aan scholing te doen. Je kunt raadslid worden zonder ooit een begroting te hebben bestudeerd. Toch wordt je op een gegeven moment gevraagd wel of niet in te stemmen met wat het college voorlegt. Het is heel normaal dat je als raadslid erkent dat je daar niet veel ervaring mee hebt en dat je daar iets over wilt leren. Dat wil ik ook makkelijker maken.’

Wat gaat u concreet doen?
‘We hebben inmiddels het Leerplatform Raadsleden gelanceerd, een heel palet van wat belangrijk is voor raadsleden om te weten over bijvoorbeeld gemeentefinanciën en regionale samenwerking maar eveneens over specifieke thema’s als het sociaal domein, veiligheid, de Omgevingswet en nieuwe vormen van burgerparticipatie. Hierin hebben we overigens samengewerkt met de VNG, Raadslid.Nu en de Vereniging van Griffiers.’

Hoe beoordeelt u de ondersteuning van raadsleden door griffies?
‘Die is vaak vooral gericht op het bestuurlijke proces. Raadsleden ervaren soms dat het college meer ondersteuning heeft. Zij zouden ook een beroep moeten kunnen doen op die ondersteuning om aan feitelijke informatie te komen. Dat moet op de een of andere manier worden georganiseerd. De griffie kan daar een belangrijke rol in spelen.’
 

Een raad mag best budget reserveren voor opleiding

Hoe vindt u het dat er raden zijn die een relatief laag griffiebudget hebben en zij dat soms niet eens helemaal gebruiken?
‘Dat biedt perspectief, er zijn dus wel middelen. Als raden zelf nog ruimte kunnen vinden voor raadsondersteuning, is dat mooi. Dit blijft de verantwoordelijkheid van raden zelf. Als raden zorgvuldig om willen gaan met hun budgetten dan respecteer ik dat zeer, maar dat gaat vaak over andere zaken zoals het sober houden van afscheidsrecepties. Maar ik vind dat prioriteit gegeven moet worden aan het ondersteunen van raadsleden en het mogelijk maken van opleiden, inclusief bijvoorbeeld inwerkprogramma’s. Daar mag een raad best budget voor reserveren. Het is geen schande om geld te besteden aan een goede raad. Dat is in het belang van de gemeente.’

U wilt de vergoeding van raadsleden van kleinere gemeenten verhogen. Waarom?
‘Je wordt geen raadslid om de vergoeding, het raadslidmaatschap doe je naast je reguliere werk of bezigheden. Maar er is een erg groot verschil tussen de vergoeding van raadsleden in kleinere gemeenten en die in middelgrote en grote gemeenten. Dat is niet te rechtvaardigen; de hoeveelheid werk is in kleinere gemeenten zeker zo groot als in die andere gemeenten. Je wilt mensen ook enthousiast maken om raadslid te worden. Zo’n lage vergoeding is bijna ontmoedigend. Ik heb als voorzitter van de VNG Denktank al gezegd dat daar eigenlijk iets aan moet gebeuren. Daar sta ik nog steeds achter, al kost het wel geld.’

De versplintering van raden neemt toe. Hoe groot vindt u dat probleem?
‘Ik vind dat wel een aandachtspunt. Als er na de verkiezingen veel partijen in de raad komen, moet de raad dat zelf oplossen. Over het algemeen gebeurt dat wel. Versplintering kan ook ontstaan door tussentijds gedoe waardoor raadsleden zich afsplitsen maar wel in de raad blijven. Daar heb ik principieel geen problemen mee. Raadsleden zijn niet in dienst van de partij, maar worden op eigen titel gekozen. Het is hun recht om hun zetel te behouden. Maar afsplitsingen die niet ontstaan om politieke maar om persoonlijke redenen vind ik wel problematisch. Als je niet uitkijkt, wordt de raad een verzameling individuen. Ik weet niet of je de inwoners van de gemeente daarmee een plezier doet.’

Moet er iets gedaan worden aan afsplitsingen?
‘Nogmaals: raadsleden zijn geen werknemers, ze zijn dus niemand verantwoording schuldig. Maar afsplitsingen komen hier en daar wel erg veel voor. Raden kunnen daar zelf iets tegen doen. Ze zouden bijvoorbeeld, net als de Tweede Kamer doet, kunnen kijken of ze wat minder accommoderend kunnen zijn voor afgesplitste raadsleden. Dus bezien of ze de ondersteunende en faciliterende vergoedingen aan die raadsleden terug kunnen brengen, want afsplitsen moet je natuurlijk ook niet belonen.’

De Denktank pleitte voor kleinere raden. Wat vindt u nu van die mogelijkheid?
‘Partijen hebben vaak moeite met het vinden van kandidaten voor de raad. Het idee van de Denktank was om het aantal zetels van die raden terug te brengen zodat je het iets makkelijker maakt om echt goede raadsleden op de lijst te zetten. Ik sta achter dat advies van de Denktank, maar heb op dit moment geen plannen om voorstellen te doen voor kleinere raden, bijvoorbeeld door verhoging van de kiesdrempel.’

Het kabinet beoogt ook versterking van de verbinding tussen bestuur en burgers. Wat valt er meer te doen dan nu al wordt gedaan?
‘Raadsleden denken over het algemeen al veel na over hoe zij minder tijd kunnen besteden aan commissievergaderingen en meer contact hebben met inwoners. Dat is goed en dat wil ik verder stimuleren. De tijd is gewoon ook veranderd, dat valt onder meer af te zien aan de manier waarop we met elkaar communiceren, bijvoorbeeld via andere middelen. Dat is een kans voor gemeenten en raden om op een nieuwe manier met burgers om te gaan, hen zo veel mogelijk mee te nemen. Vaak komen de beste oplossingen voor problemen immers van degenen die daar in de praktijk mee te maken hebben.’

U streeft ook een uitbreiding na van het recht op deelname van burgers. Waarom, veel gemeenten kennen dat recht toch al?
‘Het gebeurt veel, maar nog niet overal. Deze coalitie is ervan overtuigd dat het recht op deelname erg past bij deze tijd en wil het signaal afgeven aan alle gemeenten om dat echt de ruimte te geven. Je hoeft er echt je democratisch systeem er niet voor aan te passen, het is vooral een mentaliteitskwestie.’

Het actieplan beoogt straks ook het lokaal bestuur weerbaarder te maken. Weerbaar waartegen en hoe?
‘Helaas krijgen raadsleden, maar ook wethouders en burgemeesters, te maken met bedreiging en poging tot beïnvloeding en zelfs met agressie en geweld. Dat is vreselijk en onacceptabel. Degenen die dat treft, moeten natuurlijk aangifte doen. Een andere belangrijke uitdaging van het openbaar bestuur is integriteit. Een kwalitatief hoogwaardig lokaal bestuur bestaat uit integere bestuurders en raadsleden. Zij hebben ook een voorbeeldfunctie. Integriteit behoort een grondhouding te zijn. Dat willen we bevorderen. Hoe, daar buig ik me momenteel over. We denken er eveneens aan om met onder meer de VNG en gelieerde verenigingen een letter of intent voor weerbaar bestuur vast te stellen. Dat kan handvatten bieden zodat iedereen op dit gebied niet zelf het wiel hoeft uit te vinden.’ 

De controle van raden op gemeenschappelijke regelingen verloopt niet altijd goed. Hoe kunnen zij die controle verbeteren?
‘Transparantie is hierbij van groot belang. Het blijkt soms niet helder hoe het samenspel tussen gemeenten, raden en het samenwerkingsverband eruit hoort te zien. Maar er is ook een ander uitgangspunt: de gemeenschappelijke regelingen zijn van de inwoners. Hoe de controle erop beter kan, onderzoeken we momenteel in zogeheten test labs. Het gaat daarbij niet om one size fits all.’