Levensgevaarlijk kruispunt van de democratie

Nummer 5, 24 maart 2017

Spiegel voor raadsleden

 

Raadsleden realiseren zich onvoldoende dat de gemeenteraad de baas is in de gemeente. Ze laten hun colleges de agenda bepalen en laten zich meer leiden door hun partijprogramma’s dan door wat er leeft in de lokale samenleving. De spiegel die hen werd voorgehouden op de Dag voor de Raad was confronterend.

De gemeenteraad het hoogste orgaan van de gemeente? Een derde van de raadsleden voelt dat niet zo, bleek vorige week uit een onderzoek van Raadslid.nu. De raadsledenvereniging was in Delft bijeen met een ‘dag voor de raad’ en daar kwamen de opvattingen over het eigen functioneren natuurlijk voorbij. Ook de verhouding van de raad tot het college van B en W. Die is gelijkwaardig, vond de helft van de raadsleden die de enquête hadden ingevuld. Maar daar plaatsten diverse deskundigen de nodige kanttekeningen bij.

Controlerende rol

Klaartje Peters bijvoorbeeld, bijzonder hoogleraar lokaal en regionaal bestuur aan de Universiteit Maastricht. Zij hield een betoog over ‘de controlerende raad’ en kwam tot de conclusie dat die controlerende rol in de praktijk weinig om het lijf heeft. Dat ligt niet per se aan de raadsleden, maar vooral aan de enorme karrenvracht werk en verantwoordelijkheden die op hun bordjes liggen. ‘Het is gewoon te veel, niet te behappen. En dan moeten ze het ook nog zonder ondersteuning doen. Ja, ze hebben de griffier, maar dat is dan ook alles.’

Terwijl een college voor de uitvoering van zijn werk kan leunen op een compleet ambtenarenapparaat. Hoezo, gelijkwaardig? Peters, verwijzend naar het rapport Maatwerkdemocratie van de VNG: ‘De gemeenteraad is het kruispunt van de lokale democratie. Maar het is wel een levensgevaarlijk kruispunt waar de raad zomaar overreden kan worden, omdat er van alle kanten van alles op hem afkomt.’

Drama

Hoewel hun controlerende rol erg belangrijk is, valt er voor raadsleden aan controleren weinig eer te behalen. Het napluizen van de cijfertjes levert ze geen stukje in de krant op. Peters: ‘De geïnstitutionaliseerde controle in de planning & control-cyclus is lastig en niet inspirerend. De bedoeling is goed, maar in de praktijk is het beantwoorden van de drie W-vragen (Wat willen we bereiken, Wat gaan we daarvoor doen, Wat gaat het kosten, red.) een drama. Raadsleden die dóórvragen, krijgen van het college vaak het antwoord: kijkt u maar even naar de documenten van de p&c-cyclus, daar vindt u het antwoord. Zo’n raadslid denkt dan al gauw: ik zal wel iets hebben gemist, en druipt af. Ik zie ook nooit enig schuldgevoel bij colleges of ambtenaren. Zij zeggen gerust dat een begroting van de raad is en dat zij daar niet over gaan. Dat is echt een denkfout, het afleggen van verantwoording is essentieel voor de democratie.’

Maar wat kunnen raadsleden daartegen doen? Nou, bijvoorbeeld de buitenwereld structureel betrekken bij de controle. ‘Waarom zou je die alleen aan de voorkant, dus bij het stellen van beleidsdoelen, om input vragen en niet aan de achterkant?’ aldus Peters. ‘In het sociaal domein heeft de raad moeten toekijken hoe de gemeente aan de slag ging met de nieuwe taken. Er was in het begin veel onduidelijkheid over. Als we nu vragen naar de effecten van het beleid, dan weten we daar heel weinig van. Doe dan als raad je eigen onderzoek, en maak daar ook geld voor vrij.’

En, adviseerde Peters, trek als raad gezamenlijk op. ‘Probeer niet allemaal je eigen puntjes te maken, soms mag je het college best dwingen bepaalde zaken met de raad te delen. Een college heeft niets liever dan een verdeelde raad, dan kunnen ze volstaan met het beantwoorden van individuele vragen en gaan ze over tot de orde van de dag. Voer daarom vooraf overleg, ga samen aan de slag om zaken boven tafel te krijgen.’

Daarbij kan het helpen als de burgemeester niet langer de voorzitter van de raad is, zo gaf Peters over de hoofden van de raadsleden heen een gratis advies aan de nieuwe minister van BZK.

Het kan helpen als de burgemeester niet langer de voorzitter van de raad is

Bubbel

Zij was niet de enige die kritisch oordeelde over het functioneren van het lokaal bestuur. Dat deed ook Julien van Ostaaijen, onderzoeker bij de Tilburgse School voor Politiek en Bestuur. Hij zoomde in op de verbinding tussen de gemeenteraad en de lokale samenleving. Die valt, zo constateerde hij, in de praktijk nogal tegen. Van een wisselwerking tussen de leefwereld en de ‘systeemwereld’ van de raad is nauwelijks sprake, omdat de inwoners geen interesse hebben voor het bestuur of juist wél mee willen praten (wat raadsleden stelt voor de vraag: hoe dan?), en omdat raad en college in hun eigen bubbel zitten waaruit het moeilijk ontsnappen is.

Experimenten

Van Ostaaijen zag geen heil in democratische experimenten als kleinere gemeenteraden, loten of het mogelijk maken van tussentijdse verkiezingen voor de gemeenteraad. Dergelijke grote systeemveranderingen zetten geen zoden aan de dijk, vindt hij. Liever zoekt hij het in de richting van een andere mentaliteit van raadsleden: politici die assertiever zijn, initiatieven nemen, hun agenda durven opleggen aan het college. En vooral raadsleden die actief zijn in de lokale netwerksamenleving en de zaken die ze daar horen, neerleggen bij het college. ‘En daarna moeten ze op hun handen gaan zitten en het uit handen geven, maar wel controleren of het college er iets mee doet.’

Macht

De vraag of raadsleden zich bewust zijn van hun macht bleef op de Dag voor de Raad onbeantwoord. Ze lijken zich toch vooral neer te leggen bij de klassieke verhoudingen. Zelfs Gerard Ram, raadslid in Zaanstad en vicevoorzitter van Raadslid.nu, stelde zich bescheiden op. Hij voelde zich niet geroepen actief op zoek te gaan naar een eigen agenda: ‘In een coalitieprogramma zit de koers al voor een groot deel ingebakken. Als je daar op focust, komt al heel veel aan bod. En bij grote problemen komen de feestjes toch wel vanzelf naar je toe.’