Koudwatervrees voor particulier initiatief

VNG Magazine nummer 11, 21 juni 2019 

Auteur: Paul van der Zwan | Beeld: Ron Magielse/Pix4profs 

De maatschappelijke betekenis van filantropie in Nederland neemt de komende jaren verder toe. Ook gemeenten kunnen daarvan profiteren. Maar dat vergt een andere houding ten opzichte van particulier initiatief, zegt hoogleraar filantropische studies aan de Vrije Universiteit Theo Schuyt: ‘Leer ze kennen en nodig hen uit aan de wethouderstafel.’ 


De gouden eeuw van de filantropie is aangebroken. Daar is Schuyt van overtuigd. Allereerst door het besef dat Nederlanders veel vermogen hebben. Zeker de oudere generatie. ‘Er is veel geld buiten de overheid. Neem de babyboomers, velen hebben bedrijven opgebouwd die inmiddels een flinke waarde vertegenwoordigen. Zij zijn bezig deze over te dragen of te verkopen. Daarbij komt heel veel geld vrij.’ 
In vroeger tijden ging dat geld onder meer naar kinderen en andere familie. ‘Maar gezinnen zijn minder kinderrijk. En daarbij telt Nederland eveneens meer alleenstaanden; ook zij schenken minder aan familie.’ Door dit alles stijgt de waarde van erfenissen voor goededoelenorganisaties, stelde hoogleraar filantropie aan de Vrije Universiteit René Bekkers enkele jaren geleden al in een oratie. Nog een reden dus voor Schuyts optimisme over filantropie in Nederland.  

Verwarring 
Niet dat filantropie een nieuw verschijnsel is natuurlijk. Schuyt ziet het begrip overigens graag verduidelijkt: ‘Er bestaat verwarring over. Niet zelden kleeft er de suggestie aan van belastingontduiking, exorbitant rijke mensen en het verwerven van macht. Maar het is simpelweg gewoon maatschappelijk initiatief; Nederland is een maatschappelijk betrokken land; bijna alle Nederlanders geven geld aan goede doelen en velen zijn ook vrijwilliger.’ 
De manier waarop particulieren schenken, verschilt wel met die van vroeger. ‘Voorheen ging het geld bijvoorbeeld naar kerken die het staken in sociale doelen maar ook in hulp aan ontwikkelingslanden. Nu komt het vaak voor dat particulieren stichtingen oprichten om scholen te bouwen in ontwikkelingslanden.’ 

Betrokken 
Want meer dan voorheen willen mensen niet meer alleen geven. Zij wensen betrokken te worden bij datgene waar ze aan schenken. Gemeenten benaderen particuliere fondsen en initiatieven niet altijd op deze manier, weet Schuyt uit zijn praktijk. Hij wordt regelmatig benaderd door burgemeesters die hem vragen hoe zij in contact kunnen komen met vermogenden om de tekorten op bijvoorbeeld de cultuurbegroting weg te werken. ‘Zij zien die initiatieven puur als financieringsbron. Of anders als verdacht, want ze zullen wel via slinkse wegen invloed willen krijgen.’  
Schuyt haalt een recent voorbeeld aan. Hij verbaast zich over de houding van onder meer de gemeente Rotterdam ten opzichte van een stichting die het grootste deel van de 55 miljoen euro wil opbrengen voor aanpassingen aan het gebouw van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. ‘Vertegenwoordigers van die stichting willen inzicht in de plannen, een plek aan tafel en een vertegenwoordiger in de raad van toezicht van Boijmans. Maar dat stuit op bezwaren van de museumdirecteur en van de wethouder. Ik begrijp die koudwatervrees niet. Het is toch niet zo raar dat mensen die geld geven, ook mee willen praten?’ 
Daarnaast stuit Schuyt vaak op onwetendheid bij ambtenaren. ‘Een van de grootste steden van het land heeft in 2011 een convenant gesloten met fondsen die doen aan armoedebestrijding. Ambtenaren van die gemeente bleken niet eens te weten wat die fondsen deden. Dit maak ik ook in andere gemeenten mee.’

Nodig het maatschappelijk initiatief uit in het college van B en W

Schuyt heeft een dringend advies voor gemeenten en de VNG: ‘Integreer particulier initiatief in je lokale beleidsmodel. Juist Nederland bewijst dat er meer is dan alleen de beleidskeuze of markt of overheid. Zoek contact met het platform van het lokaal maatschappelijk initiatief en als dat er niet is, zorg dat het er komt!’  
In Amsterdam werkte dat in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw goed met de Amsterdamse Raad voor Overleg en Advies (de ROA), zo memoreert Schuyt. Dat was het platform van burgerlijk en kerkelijk initiatief dat zich met eigen financiële middelen (en ook met steun van de rijksoverheid) onder meer inzette tegen jeugdprostitutie, clubhuiswerk organiseerde en daklozen hielp. De ROA overlegde regelmatig met de gemeente over wie van de twee wat deed. ‘Een dergelijk model doet recht aan de eigen verantwoordelijkheid van het lokale particuliere initiatief.’ 

Schoolzwemmen 
Aan de inzet van particuliere initiatieven is nu meer dan ooit behoefte, aldus Schuyt. Hij geeft als voorbeeld de vluchtelingenopvang, waarin heel veel vrijwilligers actief zijn en het schoolzwemmen, dat in veel gemeenten is afgeschaft. ‘Maar lang niet iedereen kan zwemles voor zijn kind betalen, terwijl het van groot belang is dat kinderen leren zwemmen. Samen met fondsen zouden gemeenten ervoor kunnen zorgen dat ieder kind zwemles kan krijgen, of het nu rijke of arme ouders heeft.’ 
De mogelijkheden van particulier initiatief voor gemeenten reiken volgens Schuyt nog verder. Hij geeft als voorbeeld de maatschappelijke ondersteuning volgens de Wmo. ‘Daarin gaat het eigenlijk om twee partijen: de overheid en het individu, dat geacht wordt zijn familie en kennissen in te schakelen voor hulp. Maar het particulier initiatief ontbreekt. Dat is tekenend voor de houding van de overheid ten opzichte van filantropie.’ 
Voor de erkenning van de rol van particulier initiatief kunnen zogeheten lokale gemeenschapsfondsen een belangrijke rol spelen. ‘Van 2002 tot 2007 heb ik, en later met collega’s van Charistar, dienstverlener voor de non-profitsector, geholpen bij het opzetten van onder meer het Texelfonds, het Victoriefonds in Alkmaar, het Amstelveenfonds en het Schiedamfonds. Nu is er Stichting Lokale Fondsen Nederland die zich inzet om in heel het land lokale fondsen op te richten en te ondersteunen. De Nationale Postcode Loterij betaalt daaraan mee. Maar het zijn vooralsnog kleine initiatieven, die landelijk geen aandacht krijgen.’ Om de bereidheid van vele particulieren om iets aan hun stad bij te dragen werkelijkheid te laten worden, zal de VNG volgens Schuyt met steun van de grotere gemeenten dit onderwerp op de beleidsagenda moeten zetten.  

Anders opstellen 
Willen de lokale gemeenschap en de steden gaan meeprofiteren van de grote hoeveelheid geld en vrijwillige inzet die beschikbaar zijn en komen, dan zullen de gemeenten zich naar het oordeel van Schuyt anders moeten opstellen. ‘Nodig het maatschappelijk initiatief uit in het college van B en W. Leer elkaar kennen, ontmoet elkaar en kijk wat je samen kunt en wilt doen en hoe je elkaar – als het klikt – kunt versterken.’ 
Het model voor de nabije toekomst bestaat uit drie partijen: overheid,  markt én particulier initiatief. ‘Geven gemeenten ruimte aan dat model, dan eten zij mee uit de ruif, laten zij dat na, dan gaat het geld aan hun neus voorbij.’