'Iedereen zei dat ik Nederland niets te bieden had'

Interview met Mpanzu Bamenga, raadslid in Eindhoven

Tekst: Leo Mudde | Beeld: Jiri Büller

Acht jaar was Mpanzu Bamenga toen hij in 1994 met zijn moeder en broer uit Congo naar Nederland vluchtte. Vorig jaar werd het raadslid in zijn stad Eindhoven verkozen tot Politiek Talent van het Jaar en hij staat nu op de kandidatenlijst van D66 voor de Tweede Kamerverkiezing, op plek 35. Het kan verkeren.

Het duurde na zijn vlucht uit Congo nog dertien jaar voor hij in 2007 een verblijfsvergunning kreeg. Met dank aan de toenmalige justitieminister Ernst Hirsch Ballin die gebruikmaakte van zijn discretionaire bevoegdheid om voor ‘schrijnende gevallen’ een uitzondering te maken. Dat was luttele weken voor hij het land zou worden uitgezet omdat, zo werd hem door iedereen ingeprent, hij Nederland niets te bieden had.

Schijnbaar is Mpanzu Bamenga zelf niet verrast door de bliksemsnelle ontwikkeling die hij doormaakt: van kansloze vluchteling tot politiek talent en kandidaat-Kamerlid. Hij vertelt erover alsof het de doodnormaalste zaak van de wereld is. ‘Toen ik hoorde dat ik zou worden uitgezet, heb ik de acht weken die mij nog restten gebruikt om de wetgeving op het gebied van het vreemdelingenrecht uit te pluizen en ik heb mijn netwerk ingezet. Dat heeft resultaat gehad.’

Maar het is natuurlijk niét normaal, en dat weet hij zelf ook. Toch kijkt hij met een goed gevoel terug op de harde leerschool van de afgelopen jaren. ‘Iedereen zei dat ik Nederland niets te bieden had. Ze hebben zich vergist.’ En als híj zo lichtvaardig aan de kant kon worden geschoven als kansloze asielzoeker, waarom zou het anderen dan ook niet kunnen gebeuren? Dat is de reden waarom Bamenga zich op lokaal, nationaal en internationaal niveau sterk maakt voor een inclusieve samenleving, met een kans voor iedereen.

Iets krijgt pas prioriteit als je het kunt voelen, proeven, ervaren

Hij stond als raadslid in Eindhoven aan de wieg van een nieuw antidiscriminatiebeleid. Zo’n beleid was nodig, zegt hij. Mensen moeten kansen krijgen en kunnen grijpen, de gemeente is aan zet om die kansen te creëren. Hoe? Door te zorgen voor gelijke kansen op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld. Bamenga: ‘Veel Eindhovenaren met een andere achtergrond zijn nu werkloos. Discriminatie draagt daaraan bij. De gemeente kan zich inzetten om te weten waar en hoe discriminatie een rol speelt in de samenleving. Verder kan zij positieve ervaringen en kennis uitwisselen. Wanneer ze deze informatie heeft, kan ze er ook gericht iets aan doen. Daarom ben ik met een initiatiefvoorstel naar de raad gegaan. Dat is uiteindelijk bijna unaniem aangenomen.’

Dat zal niet zonder slag of stoot zijn gegaan.
‘Dat valt mee. Natuurlijk, als je met een plan komt, is daar altijd kritiek op. Wat je dan zeker niét moet doen, is zeggen dat wat anderen beweren niet klopt. Daarom heb ik bewust de andere partijen meegenomen bij het schrijven van het voorstel waardoor het uiteindelijk breed werd gedragen. Je kon er eigenlijk niet tegen zijn, alleen de eenmansfractie van de LPF was het er niet mee eens.’

Vooraf had Bamenga onderzoek gedaan naar de aard en de omvang van het probleem in Eindhoven. Daarbij gebruikte hij onder meer storytellers om mensen te interviewen. Niet alleen mensen met een niet-Nederlandse achtergrond, maar ook andere groepen die in de praktijk te maken hebben met discriminatie, zoals transgenders.

Zelf heeft u waarschijnlijk ook te maken gehad met discriminatie. Is het persoonlijke politiek geworden?
‘Politiek is voor mij altijd persoonlijk, het is geen businesscase. Het gaat altijd over mensen, over hoe je een samenleving ordent. Zeker bij dit soort thema’s waarin principes als gelijkwaardigheid, democratie en menselijke waardigheid aan de orde zijn. Als wij als bestuurders ons niet aan die principes houden, mogen we het ook van de samenleving niet verwachten. Als mensen gediscrimineerd worden, wordt het voor mij persoonlijk, dan kom ik in actie.

‘Iets krijgt pas prioriteit als je het kunt voelen, proeven, ervaren. Dat heb je nodig om er vol voor te gaan. Dat geldt ook voor onderwerpen die mij niet persoonlijk raken. Om te voelen wat er speelt, moet je het gesprek met mensen aangaan en empathie tonen. Ik ben geen vrouw, maar vrouwen kunnen mij wel over hun ervaringen vertellen en als zij zich op een bepaalde negatieve manier behandeld voelen, dan raakt het mij ook en moet dat veranderen.’

Door het persoonlijke politiek te maken, maak je jezelf kwetsbaar.
‘Mensen zien mij als voorbeeld, ik probeer daar altijd rekening mee te houden. Ik vind het nodig om me kwetsbaar op te stellen en te laten zien waarom ik iets doe of niet doe. Het past niet bij onze samenleving om je kwetsbaarheden te laten zien, dus dat komt misschien vreemd over. Iets dergelijks geldt voor het maken van fouten, het is niet erg om dat te erkennen. Je moet leren door vallen en opstaan. Als je valt, stel je dan niet op als slachtoffer maar laat zien dat je ervan hebt geleerd en dat je er beter door bent geworden.’

In hoeverre spelen uw eigen ervaringen een rol?
‘Ervaringen helpen dingen te begrijpen en een plek te geven. Toen ik in Brussel studeerde werd ik elke keer, echt in honderd procent van de gevallen, bij de grens aangehouden. En dat was lang vóór etnisch profileren in het nieuws kwam nadat het Typhoon was overkomen. Ik heb daar natuurlijk iets van gezegd tegen de marechaussee, die ontkende dat het met mijn huidskleur te maken had. Ik heb de controles toen een tijdje geobserveerd en vastgesteld dat de eerste drie auto’s die moesten stoppen, werden bestuurd door donkere mensen. Het is dus bijna normaal geworden. Dan kun je blijven steken in boosheid en frustratie, maar je kunt ook de kansen die op je weg komen blijven pakken. Dat heb ik gedaan, ondanks dat mijn menselijke waardigheid door deze ervaringen natuurlijk was aangetast. Ze zijn me altijd bijgebleven. En misschien mag ik nog van geluk spreken, er zijn genoeg voorbeelden van mensen die vanwege hun achtergrond geen baan krijgen of worden geweerd door de horeca. Dat wilde ik echt aanpakken, daarom kwam ik met mijn raadsvoorstel.’

Debatten in de gemeenteraad zijn doorgaans niet zo persoonlijk gekleurd.
‘Mijn allereerste debat in de raad ging over de vraag of er wel of niet een azc moest komen in Eindhoven. Ik had toen mijn eigen verhaal kunnen vertellen, maar ik wilde iedereen meekrijgen – ook de mensen in de buurt die tegen de komst van het azc waren. Ik wilde weten waarom, en wat bleek: ze waren vooral boos omdat hun niks was gevraagd, omdat ze tal van vragen hadden waarop ze geen antwoord kregen. Als bestuurders hebben we de verantwoordelijkheid die zorgen te adresseren. Vervolgens kon ik daar mijn eigen verhaal aan toevoegen, hoe ik als achtjarig jongetje in een azc terechtkwam. En hoe belangrijk het was dat daar activiteiten werden georganiseerd, en taalcursussen. Ik heb daar mijn eerste sportprijs gewonnen. De manier waarop ik destijds in dit land ben ontvangen, heeft mij als persoon gevormd, het gaf me mijn waardigheid als mens terug. Met open armen ontvangen van vluchtelingen en respect tonen voor zorgen van inwoners is zo belangrijk.’

In het politieke discours ontbreekt het daar nogal eens aan.
‘Ja, en de plaats om daar tegenwicht aan te bieden is de gemeente, op lokaal niveau. Door persoonlijk contact te hebben, door de inwoners op te zoeken, naar bijeenkomsten te gaan, door actief te zijn als raadslid. Neem mensen serieus. Ik ben me bewust van mijn rol als politicus, het algemeen belang is niet altijd mijn eigen belang. Als je dat beseft en ernaar handelt, profiteert de samenleving als geheel ervan.’

Uw verkiezing tot Politiek Talent van het Jaar had ook te maken met uw inbreng in de bed-bad-brooddiscussie.
‘In Eindhoven hebben we de vierde B van begeleiding toegevoegd. Ik heb zelf ervaren hoe belangrijk begeleiding is. Ik ben geworden wat ik ben omdat ik daarbij begeleid werd, omdat er mensen waren die mij hielpen mijn talenten te benutten. Met begeleiding werken we nu in Eindhoven aan een toekomstperspectief. Heel efficiënt, heel effectief. Het kost ons weinig en het levert veel op. De bed-bad-brooddiscussie gaat over mensen die zijn uitgeprocedeerd, die eigenlijk terug moeten naar het land waar ze vandaan komen. Maar de realiteit is dat mensen niet altijd terug kúnnen. Dan kun je ze maar beter begeleiden, zodat ze een toegevoegde waarde krijgen voor de samenleving.’

Wat kunt u mensen die nu betrokken zijn bij de opvang van vluchtelingen, adviseren?
‘Zet in op het leren van de Nederlandse taal. Dat moet absoluut prioriteit hebben. Taal is belangrijk om contacten te kunnen onderhouden en te kunnen oefenen met Nederlanders. Daar zijn professionals voor nodig. Leunen op vrijwilligers is te gemakkelijk. Professionals doen het anders, beter. In de azc’s moet meer op die kwaliteit worden ingezet.’

Daarmee ontmoedigt u al die vrijwilligers die willen helpen.
‘Dat is niet mijn bedoeling. Vrijwilligers zijn heel nuttig voor het oefenen van de Nederlandse taal, voor de contacten, voor het organiseren en begeleiden van activiteiten en voor het leren van de ongeschreven regels in de Nederlandse samenleving. Het is bijna opvoeding: hoe smeer je hier bijvoorbeeld jam op je boterham? Het helpt als je met anderen aan tafel zit en je weet hoe dat moet. Aanpassen aan de samenleving is belangrijk en daarvoor zullen mensen naar buiten moeten. Anders zien ze alleen maar muren.’

Je ziet dat bevolkingsgroepen toch liever bij elkaar blijven.
‘Ik begrijp heel goed dat het een veilig gevoel geeft als je bij de mensen met je eigen cultuur blijft, maar het kan ook een handicap zijn. Op de basisschool was ik de enige Congolees, dat heeft bij mijn integratie extra geholpen. Als liberaal vind ik: mensen moeten zelf weten hoe ze hun leven invullen, als ze de samenleving maar niet tot last zijn. Dat principe heeft bij mij erg goed gewerkt.’

U staat op de D66-kandidatenlijst voor de Tweede Kamer. Wat inspireert u?
‘Montesquieu schreef in De l’esprit des lois dat het een privilege is om volksvertegenwoordiger te mogen zijn. Zo voel ik dat ook, ik voel me bevoorrecht dat ik namens mensen mag spreken. Het helpt als je daarbij een duidelijke visie hebt, daar begint het mee. Visie is onderdeel van leiderschap. Ik wil doelen stellen en duidelijke resultaten boeken, daar ontbreekt het nu in de politiek aan. Soms zijn ze er wel, maar niet voldoende zichtbaar. Daarom ben ik gaan vloggen, ik wil bewust de doelgroep die actief is op sociale media bereiken. Informatie geven is belangrijk. Mensen meenemen in het verhaal, dat gebeurt te weinig.’

Wie is Mpanzu Bamenga?

Geboren 12 juli 1985 in Kinshasa, Congo - 1994 Gevlucht met moeder en broer naar Nederland

Opleiding:

  • Mbo administratief juridisch
  • Minor Global Development Issues
  • Hbo rechten, Hogeschool
  • Avans-Fontys Tilburg
  • European Law on Immigration and Asylum, Vrije Universiteit Brussel

Werk:

  • Sociaaljuridisch medewerker en extern coördinator Vluchtelingen in de Knel, Eindhoven
  • Raadslid voor D66 in Eindhoven (sinds 2014)
  • Kandidaat-Kamerlid voor D66 (2017)

Overig:

  • Actief in het Transatlantic Inclusion Leaders Network, een netwerk- en talentstimuleringsprogramma voor high potentials die zich inzetten voor een inclusieve samenleving, coördinator en medeoprichter van de Nederlandse afdeling Incleaders
  • Medeoprichter van Citizenslab, een Europees netwerk ter bevordering van democratie, mensenrechten, participatie, de rechten van onder anderen vluchtelingen en bestrijding van de opkomst van populisme.