‘Het gaat me toch niet gebeuren dat dit onder deze wethouder wordt afgebroken!’

Oktober 2018

Auteur: Guido Rijnja

Mariska ten Heuw is acht jaar wethouder in de gemeente Hengelo. Daarvoor was ze twaalf jaar gemeenteraadslid voor haar partij, de SP.

‘Een jaar wethouder was ik, toen de commissie-Westerlaken in 2011 een advies presenteerde over de toekomst van de sociale werkvoorziening. Dat was opgesteld in opdracht van de VNG en Cedris, de belangenorganisatie van de SW-organisaties. Dit advies verscheen parallel aan de plannen van het kabinet en staatssecretaris De Krom over de reorganisatie van de SW-sector en de introductie van de Wet Werken naar Vermogen. De belangrijkste boodschap was dat het aantal banen moest worden afgebouwd van honderdduizend naar dertigduizend. “Dit kan niet waar zijn”, zeiden we tegen elkaar, en we hebben vervolgens precies het tegenovergestelde gedaan. In plaats van te luisteren naar wat iedereen beweerde over financiële redenen en de noodzaak van saneren, hebben wij ervoor gekozen om van ons SW-bedrijf een nog sterker geïntegreerd werkleer-bedrijf te maken, zodat niet alleen mensen met een WSW-achtergrond maar een veel bredere doelgroep inzetbaar zou zijn. Toen ik onlangs in Trouw een brief van de vakbonden en een redactioneel commentaar las in de trant van ‘Hadden we de WSW nog maar’, dacht ik: wow, wat hebben wij toen een goede keuze gemaakt.’

‘Het was best een roerige tijd. Ik zat net in de commissie Werk en Inkomen van de VNG, wat toen  een heel gepolariseerd gezelschap was. Je kon het landschap langs partijpolitieke lijnen aftekenen. In 2011 hadden we een kabinet van CDA, VVD, met gedoogsteun van de PVV en daartegenover natuurlijk de linkse partijen en D66, en wat er vanuit het Rijk werd bedacht, werd min of meer ook verdedigd door die partijen, of dus juist aangevallen. Dat is vandaag in de VNG-commissie anders. Er wordt veel meer gemeenschappelijk opgetrokken, de vraag is veeleer: wat betekent wat het Rijk doet vanuit het perspectief van de gemeente. In zes, zeven jaar tijd kan er heel wat veranderen.’

Waar sta ik voor?

‘Alle gemeenten worstelden in die tijd met de sociale werkvoorziening. Ulft 2012, het VNG-congres: een droef kijkende minister Donner van Binnenlandse Zaken weet het even niet meer, als de gemeenten weigeren het bestuursakkoord te tekenen vanwege de tekorten op de WSW die zouden ontstaan als het bestuursakkoord getekend werd. De kosten waren dan niet meer te dragen. Wat me vooral raakte was dat ik als wethouder te maken kreeg met iets dat aan alle kanten haaks stond op de idealen waar mijn partij voor staat en waar ik zelf voor sta: we hebben het hier over voorzieningen die, hoe je het wendt of keert, een resultante zijn van een stuk beschaving. We hebben het over de basis van onze sociale zekerheidsstaat, hier kunnen mensen die een arbeidsbeperking hebben tegen een cao-loon laten zien wat ze wél kunnen. Er was maar één vraag: hoe zorgen we ervoor dat we niet met z’n allen de afgrond in worden gesleurd?’

‘Het druiste zó in tegen waar we in de regio mee bezig waren. We schreven bovendien met ons SW-bedrijf zwarte cijfers, wat lang niet bij alle gemeenten het geval was, waardoor je op veel plekken de paniek alleen maar zag toenemen en men als een gek begon te saneren en dus meeging in het advies van Westerlaken. Het geluk was denk ik dat wij hier een links college hadden met SP, Partij van de Arbeid, D66, GroenLinks en een lokale partij. Allemaal partijen die niet in het kabinet zaten, waardoor er veel draagvlak in het college van B&W was om oppositie te voeren tegen het Haagse beleid.’

‘Ik riep de gemeenten met wie we de sociale werkvoorziening samen organiseren bij elkaar en in no time zeiden we: “We stick to our plan.”  Ik had de rotsvaste overtuiging dat er een heel slecht advies lag. Met de beste wil van de wereld kon ik niet begrijpen dat een uitsterfconstructie een beter resultaat zou opleveren dan de strategie van het brede sociaal werkbedrijf dat wij nastreefden: financieel en maatschappelijk. Maatschappelijk gezien kunnen wij nog steeds drie, vier keer zoveel mensen werk bieden dan in zo’n afbouwscenario was voorzien, tegen een eerlijk loon, met een gestructureerde daginvulling en financieel ook nog eens redelijk te managen.’

‘Aan alles merkte je dat het not done was in bestuurlijke kringen om “Nee” te zeggen tegen een bestuursakkoord en om niet tot commitment bereid te zijn. Maar we waren eensgezind als college: als we dat doen gaan we financieel de bietenbrug op, dat betekent dat we nog meer op eigen voorzieningen moeten bezuinigen, met per saldo óók desastreuse gevolgen voor de staat. Niet alleen de collega’s van nationaal gezien de oppositiepartijen stemden in, ook onze CDA-burgemeester, oud-directeur van de VNG nota bene, ging overstag. En toen hoorde je op steeds meer plekken: we hoeven het ook niet meer te pikken, laten we dat ook niet doen. De hele discussie over de betaalbaarheid van de WSW, dat financiële verhaal, werd ingehaald door het menselijke verhaal: hoeveel mensen stellen we in staat in een beschermde omgeving te werken?’

Solidariteit

‘Het is zo moeilijk te zien of je goed zit in zo’n situatie. Om te beginnen heb ik er nooit aan getwijfeld dat wij goed zaten door te zorgen voor een energieke plek, waar mensen kans hebben op werk en ontwikkeling. Ik had natuurlijk wel wat uit te leggen, het komt er wel op aan dat de gemeenteraad je het vertrouwen geeft. In 2011 hadden we overal te maken met een laagconjunctuur en bedrijven waren heel terughoudend om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen. Maar ook in die magere jaren zijn we nooit zodanig verliesgevend geweest dat de gemeenten hebben moeten bijpassen. We hadden ook een management bij de SW dat erin geloofde. De geest was, om met Angela Merkel te spreken: wir schaffen das. Ik vond het continu spannend. Stel nou dat het Rijk de subsidiekraan nog verder dichtdraait, wat dan?’

‘Ik doe dit werk vanuit een politieke overtuiging. Dat telt het zwaarste: hoe zou ik kunnen verdedigen dat wij de sociale werkvoorziening inkrimpen en mensen ontslaan? Dat ligt politiek gezien in mijn achterban natuurlijk totaal fout, maar om te beginnen bij mijzelf. Dit is verdorie één van de drives waarom ik ooit politiek actief ben geworden! Mag ik het even overdreven zeggen: vanwege het onrecht in de maatschappij hebben we gezamenlijk de solidariteit georganiseerd. Omwille van de  gelijkwaardigheid. Zo’n sociale werkvoorziening is een metafoor voor hoe we gezamenlijk solidariteit hebben georganiseerd, die maakt dat mensen die het minder goed getroffen hebben, toch een kans hebben. Het gaat mij toch niet gebeuren dat zo’n sociale werkvoorziening, die volgend jaar vijftig jaar bestaat, onder het wethouderschap van een SP-bestuurder wordt afgebroken? We hebben het niet over zomaar een stichtinkje of bedrijfje dat failliet gaat: dit is een betekenisvolle plek in de samenleving.’

In de ogen

‘Ook de druk vanuit de maatschappij, de bonden en partijen als de PvdA en mijn partij, was van groot belang: mensen, dit is heel lastig uit te leggen. Berichten in de media en demonstraties oefenden druk uit, maar wat denk je van de mensen die mij aanspraken? Kijk, een SP-wethouder wordt dan meer aangesproken dan iemand van het CDA die toch, met alle respect, als vazal van het regeringsbeleid wordt gezien. Stel je voor: ik kom daar in ons SW-bedrijf. Dan word ik al ontvangen door iemand die de vloer veegt, waarvan ik weet dat die afhankelijk is van een baan in een beschutte omgeving. Dan loop ik verder het bedrijf in en krijg ik een kop koffie van iemand die ik in de ogen kijk:  je wordt continu met je neus op de feiten gedrukt van wat zo’n omgeving betekent, en dus ook als die er niet meer is: waar komen deze mensen dan te zitten? Wat betekent het voor hen dat ze gewoon elke dag naar hun werk gaan? Want dat is het grote verschil van een sociale werkvoorziening. Mensen hebben een baan met een loon en een loonstrook en dat is wat anders dan een vorm van dagbesteding waar een bepaalde mate van vrijblijvendheid van uitgaat. Het feit is dat ze er een stuk eigenwaarde ontlenen en trots zijn op wat ze doen.’

‘Kijk, als je hier binnen de gemeente een reorganisatie afkondigt en dan mensen moet ontslaan met schaal tien, elf, hbo opgeleid, dan is er ook verzet, dan zijn er ook allerlei procedures natuurlijk, maar je weet ook dat er een goede kans is dat ze weer aan de bak komen. Ik werd in ons SW-bedrijf aangesproken door mensen die een item op het journaal hadden gezien en dan vroegen: “Gaat dit ook over ons, over mij?” We hebben hier ook met de sluiting van Siemens te maken en daar voelen we ons met z’n allen ook verantwoordelijk voor, maar dat is een iets ander type verantwoordelijkheid dan voor zo’n WSW-bedrijf, waar je zelf werkgever bent. Daar bepalen wij of mensen nog werk houden of niet. Wij zijn aanspreekbaar op de vraag of meer dan duizend mensen nog werk hebben of niet.’

Gerechtvaardigd beroep

‘Waarom wordt iemand politiek actief? Omdat-ie dingen wil veranderen, verbeteren of wijzigen, of ze wil houden zoals ze zijn. Ik ben twaalf jaar raadslid geweest voordat ik wethouder werd en heb toen altijd in de oppositie gezeten. Toen wij in het bestuur kwamen, wilden we de mammoettanker die zo’n gemeente is ook bij kunnen sturen of mee kunnen bepalen hoe we varen. Ik heb in die acht jaar natuurlijk meerdere malen zo’n krachtig en gerechtvaardigd beroep op me af zien komen en gedacht dat iets écht niet kon. Neem de transities in de zorg in 2014: ik bleef bij de vorming van de nieuwe coalitie in dat jaar wethouder. Weliswaar had ik niet zorg in de portefeuille, maar ik zag de  gigantische bezuinigingen in de jeugdzorg: ach, wat zijn gemeenten toen ontzettend hun best gaan doen om voor hun inwoners eruit te halen wat erin zit. Het is voortdurend knokken, zoals toen met dat bestuursakkoord: daar zijn de scherpe randjes af gegaan, maar het resultaat is nog steeds dat gemeenten heel veel minder inkomsten krijgen voor de WSW. Op dit moment werkt de conjunctuur natuurlijk iets mee, maar dat is ook niet voor eeuwig.’

‘Een paar weken geleden komt één van onze klantmanagers bij me. Ze zegt: “Er is iemand die jou wat wil laten zien.” Komt hier een jongetje van negen jaar binnen en die gaat staan: “Kijk eens,” zegt hij, “nieuwe schoenen, een nieuwe broek en een shirt.” “Voor het eerst in mijn leven”, zegt-ie erbij. Moet je je voorstellen, negen jaar. Nu kon hij ook zijn juf laten zien dat hij een keer nieuwe kleren had. Zijn  moeder was erbij en huilde, de tranen van de onmacht van een moeder. Dit heeft ze tot op dat moment haar kind nooit kunnen geven. Het resultaat van de Klijnsma-gelden; dat we gezinnen een fashion-cheque konden geven van honderd euro. Als je dan zo’n kindje ziet, dat zo ontzettend blij is… “Hij wil het elke dag aan”, zegt z’n moeder. Weet je, het is één setje kleren met schoenen, maar dit kom ik zo vaak tegen: kindjes die dan op vertrapte schoenen lopen omdat hun ouders gewoon oprecht het geld niet hebben om nieuwe schoenen te kopen. Zo wezenlijk: de trots is dat je ook een keer zonder het labeltje van ‘mijn ouders hebben een uitkering’ over straat gaat.’

Hier doe ik het voor

‘Dit zijn mijn helden. Hier doe ik het voor. Hierdoor doe ik wat ik doe. Ik lees best veel, vooral heel veel Nederlandse literatuur en daar heb je soms ook karakters die iets bij me op kunnen roepen, maar ik kan me er zelden mee identificeren. Op het VNG-congres spraken we over een film van een gewone man die vastloopt in de bureaucratie. Het verhaal van Daniël Blake is de verbeelding van alles wat we hopen dat we bij ons in uitvoeringsorganisaties níet doen. Ja, zo iemand kan ook even een held zijn die ons als professionals continu de spiegel voorhoudt.

‘Als ik kijk naar wat mij drijft in mijn werk is tegenkracht ook heel belangrijk. Ik praat daar met collega-wethouders in de partij wel over en merk dat we dat heel verschillend kunnen ervaren. Op het moment dat je zelf een idee hebt en je denkt dat je linksaf moet, maar tien mensen om jou heen vertellen dat rechtsaf écht beter is en je merkt dat anderen daarin mee gaan, dan wordt het wel een heel eenzaam verhaal om jouw wil door te drukken. We zitten hier veel op één lijn in dit huis en dat kan natuurlijk ook een valkuil zijn. Je moet in dit werk echt oppassen dat je altijd iemand in de buurt hebt, die helpt de benen op de grond te houden, helpt nuchter te kijken naar wat voor ligt en het soort vragen stelt dat je denkt: verdraaid, hebben we nog niet aan gedacht, hoe gaan we dat doen?’

‘Je zoekt als wethouder niet je eigen medewerkers uit. En anders dan in hele grote gemeenten zoals Amsterdam, heb ik geen politiek assistent. Ik zal zelf moeten spelen met mijn ambtelijke apparaat om van alles voor te bereiden, collegestukken en raadstukken te lezen. In 2014 heb ik ook de portefeuille Financiën erbij gekregen en dat was wel leerzaam. Financiële specialisten kijken meer naar de  bedrijfseconomische kant en zitten wat minder met hun neus op de maatschappelijke resultaten, ze zijn wat strakker soms op de ratio, noem ik het maar. Begrijp me goed, dat is niet verkeerd. Sterker nog, hoe hou je zicht op de verschillende perspectieven? Dat geldt ook voor het SW-bedrijf, waar voortdurend vragen aan de orde zijn over de weg die we in slaan, wat een risico heeft en wat niet, hoe je een balans bewaart. Dan vraag ik de directie om te reflecteren en mij in ieder geval ervan te overtuigen dat die balans naar de goede kant doorslaat. En echt, bij twijfel stel ik het besluit wel uit en wil ik echt eerst een verdieping hebben; dan kunnen ze nóg zo overtuigd of enthousiast zijn. Laat het zien, wat bedoel je, wat staat hier op papier nou precies? Daar gaat het dan over. Wat staat er wel op papier, maar wat staat er ook niet? Het komt er vaak op neer dat ik wil dat we het er over hebben, dat er over na is gedacht, dat we bespreken hoe je wat voorligt tackelt.’

Twijfelen

‘Twijfel is niet verkeerd. Soms moet je het gewoon onderkennen. Als dingen te mooi zijn om waar te zijn, dan zijn ze dat meestal ook. Het vraagt wel een kritisch vermogen om te kunnen twijfelen en altijd nog even te denken: ben ik honderd procent overtuigd? Vaak lees ik mijn stukken de ene dag en dan de volgende dag nog even: vind ik het nog steeds? Geef de dingen even tijd om te bezinken. Binnen een gemeente hangt veel met elkaar samen. Dat geldt voor het fysieke en voor het sociale domein, maar resultaten van een maatschappelijke ingreep zijn minder makkelijk aan te tonen. Kijk, als je een gemeentehuis neerzet of een weg plaveit, kun je op een gegeven moment je outcome meten: een straat met nieuwe bestrating en nieuwe lantaarnpalen. Maar leg mij uit wat de uitkomsten zijn van je beleid op het moment dat je preventief iets doet aan taalachterstand, aan re-integratiebeleid: wat levert het op, ten opzichte van niets doen, kan het zijn in harde cijfers? We hebben er allemaal gevoel bij, maar met harde feiten hard maken wat we bereiken is heel moeilijk. Als we meer mensen in de bijstand krijgen, is dat niet de schuld van de wethouder. Het is überhaupt maar heel beperkt lokaal beïnvloedbaar of er mensen uitstromen en instromen. Je bent voor een heel groot gedeelte afhankelijk van de conjuncturele werkelijkheid of mensen plaatsbaar zijn of niet. Zie dan maar eens het effect van je beleid aan te tonen, zonder de omgeving van mensen, hun mogelijkheden en de rol van mensen om hen heen mee te laten tellen. Dat kan bijna niet.’

‘Monitoren. Dat woord. Zo’n ding. Welk inzicht heb je dan? Vaak begint het feest natuurlijk pas als je die gegevens binnenhaalt. Het blijft heel, heel, heel ingewikkeld om daar verstandige uitspraken over te doen. Ik ben bijvoorbeeld verplicht om in de begroting op grond van het BBV een aantal kengetallen op te nemen. Nou, die zeggen mij helemaal niks en het gemiddelde raadslid ook niet; het Rijk schrijft het voor, omwille van de vergelijkbaarheid van gemeenten. Zo lastig. Dus ik zeg: “We hebben achttienhonderd fashioncheques uitgegeven aan kinderen in Hengelo en volgend jaar zeventienhonderd.” Dat zijn er in absolute getallen honderd minder, maar misschien zijn er in die leeftijdsgroep dan ook wel ineens minder kinderen, weet jij veel. Zijn mensen dan ineens rijker geworden? Dat weet je niet. Soms vraag ik in de gemeenteraad om realiteitszin. Wij weten hoeveel bedrijven er hier zijn, wij weten hoeveel arbeidsplaatsen er hier zijn, maar hoeveel Hengelo’ers er nou in Hengelo werken, dat weten we écht niet. “Hoe interessant is dat”, vraag ik dan? Laatst vroeg een collega of we net als Almelo ook niet een Armoedemonitor moeten hebben. Dan zeg ik: “Ik weet zo ook wel dat er ongeveer tien, twaalf procent van de mensen in Hengelo van een laag inkomen moet rondkomen. Wat voegt zo’n monitor  nou toe aan wat we al grofweg weten?”’

Taboeloos

‘Wat me opvalt is dat we hier met z’n allen eigenlijk heel veel weten in de stad. Vooral dat heel veel mensen elkaar weten te vinden. Bereid zijn om de lastige vragen niet uit de weg te gaan, of juist nieuwe wegen te vinden. In 2015 was ik een jaar wethouder en moesten we een geweldige bezuinigingsoperatie in gang zetten hier. Ik voelde me verantwoordelijk voor het proces. Eigenlijk lag er een kerntakendiscussie voor. Alles stond ter discussie, dus elk subsidietje, elke vereniging, elke instelling, iedereen. We zijn toen in staat geweest om tegen elkaar te zeggen: “Alles ligt taboeloos voor.” Dat was natuurlijk eng, je ziet de heilige huisjes voor je. Voor de SP was dat het armoedebeleid, voor de VVD het veiligheidsbeleid, enzovoort: ieder z’n eigen no go area, en die opvatting ken je wel: als jij van mijn heilige huisje afblijft, dan blijf ik van die van jou af. Toen hebben we tegen elkaar gezegd: “Wij hebben geen taboes van tevoren, alles komt op tafel, iedereen moet kunnen zien, waar we geld aan uitgeven en we leggen ook op tafel wat we willen.” Dat had dus als gevolg dat alle verenigingen en instellingen ineens zagen dat hun subsidie niet meer vanzelfsprekend was. Er waren gesprekken, inspraakavonden en iedereen kon pleiten waarom het zo belangrijk was dat zij er waren. En toen zijn er vervolgens keuzes gemaakt. En natuurlijk zie je dan ook die heilige huisjes terugkomen, maar het proces an sich, dat je zoiets helemaal open en bloot voorlegt, dat niks veilig was en het bed totaal opgeschud werd. Dat was spannend, maar uiteindelijk vooral fatsoenlijk. En ook toen zag ik wat de bottom line was bij harde keuzes. Ja, uiteindelijk koos ik voor solidariteit.’

‘Als je zes miljoen moet bezuinigingen, weet je dat het gesprek hierover niet makkelijk zal zijn. Ik voelde de verantwoordelijkheid als wethouder van Financiën om een sluitende begroting voor elkaar te krijgen. Belangrijk was het advies van één van mijn medewerkers om eerst zelf een betekenisvolle bezuiniging op tafel te leggen. Wat dat was, doet er even niet toe, maar ik zie nog wel de gezichten van de collega’s die zeiden: “Ja, ik moet nu ook iets op tafel leggen, want we staan samen aan de lat.” Dat gezamenlijke realisme helpt. Toen wij in deze coalitie stapten, wisten we dat we zoveel miljoen moesten bezuinigen. Dus dat verandert dan niet. Als het laaghangend fruit weg is, moet je wel zorgen voor een proces dat in het college, in de raad, hier in huis en ook in de richting van verenigingen en instellingen duidelijkheid verschaft. Besturen is ook ervoor zorgen dat je zegt wat je doet en doet wat je zegt. Dus als je kiest voor een bezuiniging of juist voor de bescherming van iets dat je belangrijk vindt, dan moet je echt zorgen dat dat ook gebeurt én dat je daar niet onnodig veel tijd overheen laat gaan of mensen in onzekerheid laat. In acht jaar wethouderschap is het me dan ook nooit gebeurd dat ik toezeggingen niet ben nagekomen wanneer ik iets voorleg aan de raad. Ik zou het heel erg vinden als mij dat gebeurt, maar ik vind het vooral niet van respect getuigen voor alle mensen met wie je samenwerkt.’

Reactie toevoegen

CAPTCHA
Deze vraag wordt gebruikt om te controleren of u een menselijke bezoeker bent om zo spam te voorkomen.