Gebouwde omgeving: opbrengsten van invloed op gemeenten

Op 21 december zijn de opbrengsten van de sectortafels overhandigd aan minister Wiebes. De VNG ziet dit moment als een volgende stap in het proces om te komen tot een Klimaatakkoord. Net als bij de oplevering in 10 juli gaat het hier om tussenproduct dat nog wordt doorgerekend door het PBL. Voor een volledig overzicht van alle maatregelen kunt u terecht op www.klimaatakkoord.nl.

Wijkgerichte aanpak

  • Gemeenten maken met betrokkenheid van stakeholders uiterlijk eind 2021 een transitievisie warmte waarin ze het tijdspad vastleggen waarop wijken van het aardgas gaan. Voor wijken waarvan de transitie voor 2030 is gepland, maken zij ook de potentiele alternatieve energie infrastructuren inzichtelijk.
  • Het totaal van de transitievisies warmte (voor alle gemeenten opgeteld) is gericht op het aardgasvrij maken van 1,5 miljoen gebouwen in de periode 2022 t/m 2030.
  • Gemeenten actualiseren in eerste instantie de transitievisie warmte elke 5 jaar. Deze actualisatietermijn wordt uiterlijk in 2022 geëvalueerd door het Rijk en de VNG.
  • In een uitvoeringsplan op wijkniveau besluit de gemeente in samenspraak met de stakeholders op welke datum daadwerkelijk de toelevering van aardgas wordt beëindigd. Hierbij houdt de gemeente rekening met voldoende tijd benodigd voor investeringsplannen van onder andere netbeheerders en gebouweigenaren, waaronder woningcorporaties, maar uiterlijk 8 jaar voor de einddatum van het aardgas.
  • Het Rijk beziet in overleg met de medeoverheden of er nadere inhoudelijke vereisten gesteld moeten worden aan de transitievisies en stelt hier zo nodig kaders voor op uiterlijk in juli 2019.
  • Er moet een onafhankelijk (regionaal) energieloket zijn onder verantwoordelijkheid van de gemeente die kan ondersteunen in de wijkgerichte aanpak. Onder regie van de VNG en de Rijksoverheid komt er in 2019 een uitwerking voor deze energieloketten inclusief voorstellen voor minimumcriteria, standaardisering en uniformering van de werkwijze van de huidige energieloketten.

Monitoring

  • Het Rijk en de decentrale overheden stellen uiterlijk in 2020 een procedure op over de wijze waarop wordt bijgestuurd indien blijkt dat de transitievisies warmte gezamenlijk onvoldoende optellen tot de streefwaarde van 1,5 miljoen gebouwen. Hierin wordt niet alleen gekeken naar de monitoring en het aanspreken van gemeenten maar van alle stakeholders die moeten bijdragen aan het behalen van deze doelstelling.
  • Gemeenten geven via een nog te ontwikkelen tool (naar voorbeeld van het Actieplan Geluid) hun voortgang door om te komen tot de transitievisie warmte. Deze tool wordt in de toekomst uitgebouwd om ook de voortgang van de uitvoeringsplannen op wijkniveau te monitoren.

Ondersteuning voor gemeenten

  • Om tot een zorgvuldig afwegingsproces te komen voor zowel de transitievisie warmte als voor het uitvoeringsplan op wijkniveau, worden gemeenten ondersteund vanuit een leidraad. Hierin wordt objectieve informatie beschikbaar gesteld op basis van transparante, gevalideerde feitelijke data. Deze data worden digitaal en op uniforme en gestandaardiseerde wijze ontsloten en gedeeld zodat alle stakeholders een eenduidige, openbare referentie krijgen die ondersteuning biedt voor de maatschappelijke en politieke discussie waarin de gemeenteraad een afgewogen besluit neemt. De leidraad bevat zelf geen afweging.
  • Er komt een Expertise Centrum Warmte (ECW) welke gemeenten ondersteunt zodat zij in staat gesteld worden plannen te maken en voor te bereiden vanuit een geharmoniseerd startpunt. Het ECW heeft hiertoe een tweetal hoofdfuncties:
    • Beheer en ondersteuning van de leidraad;
    • Kenniscentrum, voornamelijk op het gebied van technische, economische en duurzaamheidsaspecten, maar ook als het gaat over nationale ontwikkelingen zoals marktordening, aquathermie en geothermie.
  • Het Rijk zorgt voor een meerjarig Kennis en leerprogramma voor ondersteuning van gemeenten tot en met in ieder geval 2021. VNG en het Rijk zorgen voor een goede afstemming en samenwerking tussen het ECW en het KLP zodat gemeenten op een eenduidige manier op inhoud en proces worden ondersteund.
  • Om de gemeenten in staat te stellen om deze wijkgerichte aanpak tot een succes te maken, moet een aantal randvoorwaarden ingevuld worden waaronder bevoegdheden en doorzettingsmacht die zijn verankerd in landelijke wet- en regelgeving. De Rijksoverheid zorgt voor de tijdige beschikbaarheid (2021 / 2022) van een wettelijk kader dat gemeenten voldoende mogelijkheden biedt om hun regierol bij de wijkgerichte aanpak te vervullen. Hiertoe is een wetgevinsgagenda opgesteld. Voor de tussentijd kunnen gemeenten binnenkort al experimenteren via het op 20 december aangenomen amendement waarbij de gaswet gekoppeld wordt aan de transitiewet omgevingsrecht. Zie voor meer informatie deze link.
  • Onderzocht wordt hoe de gemeente twee keer per jaar inzicht kan krijgen in het recente, algemene energiegebruik van een gebied (op postcode 6 niveau) mede op basis van input van netbeheerders en warmtebedrijven.
  • Een spijtvrije standaard wordt ontwikkeld (in kWh/m2/jaar) waarmee gebouweigenaren al maatregelen aan hun woning kunnen nemen. Deze wordt gebaseerd op de bouwkundige/technische mogelijkheden in combinatie met de financiële haalbaarheid.

Financiering van de transitie voor gebouweigenaren

De Rijksoverheid stelt een bepaling op voor het Burgerlijk Wetboek zodat overdraagbaarheid van financiering mogelijk wordt via gebouwgebonden financiering (GGF). Deze vormgeving (BW) moet het mogelijk maken om financierings- en ontzorgingsproducten via verschillende aanbieders beschikbaar te stellen aan de klant. Intentie is dat de aanpassing gereed is voor 2022.

Daarnaast wordt onderstaande mix aan beprijzings- en subsidie instrumenten ingezet:

  • 100 miljoen euro/jaar ISDE subsidie;
  • 100 miljoen euro/jaar korting op de verhuurdersheffing voor verduurzamingsmaatregelen door sociale verhuurders;
  • 50 miljoen euro/jaar t/m 2022 Energie Investeringsaftrek voor verhuurders;
  • Eén van de volgende varianten van een lastenneutrale schuif in de energiebelasting
    • Een verhoging van de energiebelasting van jaarlijks +1 cent op gas vanaf 2020 t/m 2029 i.c.m. de eerste vier jaar een verhoging belastingvermindering oplopend tot 65 euro, en daarna zes jaar verlaging elektriciteitstarief met -0,5 cent. Aangevuld met een extra ISDE budget van 50 miljoen euro/jaar t/m 202
    • Een verhoging van de energiebelasting op gas in 2020 met +4 cent en verhoging belastingvermindering met 65 euro met in de zes jaar daarna een verhoging van de energiebelasting op gas van jaarlijks +1 cent en een verlaging van de energiebelasting op elektriciteit van jaarlijks -0,5 cent tot 2030.

Het PBL en CPB worden gevraagd beide varianten door te rekenen.

Compenserende middelen voor gemeenten

VNG en Rijk zijn het erover eens dat gemeenten extra taken krijgen om de energietransitie in de gebouwde omgeving vorm te geven. Daarvoor zijn de volgende voorstellen meegenomen in de opbrengsten van de klimaattafel:

  • De Rijksoverheid stelt voor de periode 2019 t/m 2021 middelen ter beschikking (150 miljoen euro). Deze middelen zijn aanvullend op de al gereserveerde middelen in de Klimaatenvelop voor onder andere de Proeftuinen Aardgasvrije Wijken en de RES. Nadruk bij deze aanvullende middelen ligt op de ondersteuning van de decentrale overheden bij het realiseren van de RES en de gemeenten bij de transitiesvisies warmte. Tevens is het in deze periode nodig bewoners en particuliere gebouweigenaren goed te informeren en om in voorkomende gevallen een start te maken met het opstellen van uitvoeringsplannen op wijkniveau. Verder kan een start worden gemaakt met laadpalen voor elektrisch vervoer.
  • Het PBL gaat de maatregelen uit het Klimaatakkoord nog doorrekenen op hun bijdrage aan de CO2-reductie. Mogelijk leidt dit nog tot nieuwe inzichten wat betreft de Gebouwde Omgeving, waarover de Rijksoverheid en de koepels samen om tafel gaan.
  • Hoe de extra uitvoeringskosten voor gemeenten (met name de kosten voor de wijkgerichte aanpak) er na 2021 uitzien, is nog onzeker. De Rijksoverheid en de VNG vragen de Raad voor Openbaar Bestuur om dit inzichtelijk te maken middels een artikel 2-onderzoek, waarbij ook de eerste bevindingen van de proeftuinen benut kunnen worden. Het onderzoek moet voor 2021 gereed zijn. De uitkomsten worden door zowel de Rijksoverheid als de VNG overgenomen.