Crisis- en herstelwet bleek ideale proeftuin voor de Omgevingswet

VNG Magazine nummer 3, 22 februari 2019

Auteur: Leo Mudde | Beeld: Ruben Schipper
 
Onbedoeld heeft de Crisis- en herstelwet (Chw) bijna tien jaar lang gemeenten rijp gemaakt voor het werken met de Omgevingswet, die naar verwachting vanaf 2021 van kracht is. Praten met alle betrokkenen, benutten van kansen, verder kijken dan dat ene project of perceel – wat straks moet, kon al onder de Chw. Toen de vliegbasis Soesterberg in 2008 werd opgeheven, greep de gemeente Soest haar kans om het hele gebied aan te pakken en deed daarbij een schat aan ervaring op. Laat die Omgevingswet maar komen.

In 2010 trad de Crisis- en herstelwet in werking. De wet had twee doelstellingen. Ze moest ten tijde van de crisis op de financiële markten een impuls geven aan de bouwsector. Die had het moeilijk omdat bedrijven en consumenten niet meer durfden of konden investeren of hypotheken afsluiten. Daarnaast was de wet bedoeld om grote infrastructurele projecten en projecten op het gebied van duurzaamheid, energie en innovatie te versnellen. Procedures werden ingekort en het aantal benodigde vergunningen werd teruggedrongen. De crisis is alweer lang voorbij, maar de wet functioneert nog altijd. Tot 2021, wanneer ze opgaat in de nieuwe Omgevingswet. 

Proeftuin
Van instrument om de gevolgen van de kredietcrisis te compenseren werd de Chw onbedoeld een proeftuin voor die Omgevingswet. Gemeenten die met de Chw hebben gewerkt, zijn beter voorbereid, is de stellige overtuiging van Reinier Kalt van de gemeente Soest. ‘Als de klassieke werkwijze van de Wet ruimtelijke ordening in één klap zou worden omgezet in de methodiek van de Omgevingswet, zouden heel wat mensen in de hoogste boom zijn geklommen. De Chw heeft, in ieder geval voor Soest, de weg geplaveid naar de Omgevingswet.’
De Chw biedt mogelijkheden om nieuwe ontwikkelingen in praktijk te brengen door, binnen de wettelijke kaders, daarvoor letterlijk en figuurlijk de ruimte te geven. In 2010 zijn de eerste gebieden en projecten opgenomen als ontwikkelingsgebied, innovatief experiment of als lokaal project met nationale betekenis. Daarna zijn telkens in tranches nieuwe gebieden en projecten toegevoegd. Inmiddels loopt de zeventiende tranche. 

Experimenteren
Soest meldde zich met het bedrijventerrein Soesterberg-Noord aan voor de tweede tranche, gevolgd in de vierde tranche voor de voormalige vliegbasis Soesterberg en in de achtste tranche voor het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Drie aanmeldingen, bedoeld om zo breed mogelijk te kunnen experimenteren.
De vliegbasis Soesterberg was in 2008 gesloten en opgeheven en de gemeente kreeg ineens een groot gebied in de schoot geworpen dat ontwikkeld moest worden. Het opende ook de deur voor de aanpak van het aangrenzende bedrijventerrein, dat tussen de jaren zeventig en negentig was aangelegd en intussen een verrommelde indruk maakte. Soest kon meerdere vliegen in een klap slaan: het bedrijventerrein aanpakken, de meest vervuilende bedrijven uitplaatsen en er woningen voor terugzetten, en het gebied weer verbinden met de oude kern van Soesterberg. De drukke provinciale weg N237 van Amersfoort naar Utrecht was een fysieke scheiding tussen het bedrijventerrein Soesterberg- Noord en Soesterberg. Door de weg deels als tunnel aan te leggen, kon het dorp weer worden ‘geheeld’, zoals Kalt het uitdrukt.
 

Ik had de klok wel horen luiden, maar geen idee waar de klepel hing

Het zou nog jaren duren voor echt werk werd gemaakt van deze brede gebiedsaanpak. Doordat ook Soest de naweeën van de crisis voelde en te veel leunde op de oude aanpak van de Wet ruimtelijke ordening (uitkopen van bedrijven, waar geen geld voor beschikbaar was), werd het project in de ijskast gezet. In 2014 haalde het toenmalig college het daar weer uit. Kalt, die vier jaar eerder in Soest aan de slag ging: ‘Het woon-werkgebied Soesterberg-Noord had een negatief imago. Het was de achterkant van Soesterberg geworden. Op basis van participatietafels is samen met bewoners het Masterplan Soesterberg opgesteld. Van Soesterberg-Noord kon weer het gezicht van het dorp gemaakt worden.’
Kalt had destijds geen benul wat de Chw precies inhield. ‘Ik had, als typische ambtenaar, wel de klok horen luiden maar geen idee waar de klepel hing. Soesterberg-Noord was in de tweede tranche aangewezen als ontwikkelingsgebied, maar nog niemand had geëxperimenteerd met het helpen of inpassen van milieuonvriendelijke bedrijven. De oude reflex was: uitkopen en wegwezen. Maar we hadden geen geld. We kregen van het Rijk een eenmalige subsidie van tien miljoen euro. Dat was, voor een bedrijventerrein van 23 hectare en honderd bedrijven, een druppel op de gloeiende plaat.’

Verbrede reikwijdte
De oplossing vond hij in de Chw. Die biedt de mogelijkheid om, vooruitlopend op het verplichte omgevingsplan in de Omgevingswet, bestemmingsplannen een zogenoemde ‘verbrede reikwijdte’ te geven. Gemeenten kunnen bij hun ruimtelijke ontwikkeling alle aspecten van de fysieke omgeving betrekken en kunnen flexibeler omgaan me onderzoek, exploitatieplan en tijdhorizon. En dat is precies wat Soest heeft gedaan. Niet alleen, maar met goede begeleiding vanuit de rijksoverheid, zegt Kalt.
‘Zonder de regie over te nemen, stonden ze echt zij aan zij met ons en hebben zij ons op de mogelijkheden gewezen. Wat ons goed uitkwam, is dat we het aspect tijd hard konden introduceren. Op het moment dat het uitvoeringsbesluit in werking treedt, hoef je niet direct meer bedrijven uit te kopen. We konden daar een periode van tien jaar voor uittrekken om hierover met de bedrijven in gesprek te gaan en te werken aan plannen voor woningbouw.’

Vertrouwen
Dat bleek een goede strategie. Waar bedrijven zich voorheen ingroeven in loopgraven als een gemeenteambtenaar in zicht kwam om hen uit te kopen, toonden zij zich nu bereid met de gemeente samen te werken. ‘Zij zagen ook wel de redelijkheid van onze plannen in. En nu ze de tijd kregen om na te denken over hun eigen toekomst, daar met hun investeringen rekening mee konden houden en er van beide kanten vertrouwen was dat we voor een gezamenlijk belang streden, werd een goed gesprek mogelijk.’
Dat vergde wel een ongebruikelijke benadering van de bedrijven. Kalt: ‘We verdiepten ons echt in de bedrijven en de belangen van de bewoners. Samen hebben we een probleemanalyse gemaakt en bekeken hoe we die konden verbinden met onze doelstellingen. Dat de gemeente zo veel interesse en betrokkenheid toonde voor de bedrijven, dat waren ze niet gewend. Het werd zeer gewaardeerd en zette de toon voor de verdere gesprekken.’
 

Als ambtenaar word je gedwongen naar buiten te gaan

Aanpassing van houding en gedrag is ook een van de pijlers onder de nieuwe Omgevingswet. ‘Als je maatregelen moet definiëren en een tijdpad wilt uitzetten, dan móét je naar buiten, dat kan niet vanachter een bureau. Als ambtenaar word je gedwongen naar buiten te gaan om iets voor elkaar te krijgen, terwijl je niks te bieden hebt. Je moet samenwerken, meebewegen met zo’n bedrijf. Het spel met elkaar doen – en van elkaar leren.’
Kalt realiseert zich dat deze werkwijze een andere mindset vergt van gemeenteambtenaren. ‘Je moet de relatie met de belanghebbende partijen goed en open houden en het vertrouwen blijven monitoren. Je kunt niet langer blijven zitten in je eigen beleidswereldje van verkeer, stedenbouw of economische zaken, maar in plaats daarvan naar de hele omgeving kijken. Vertrouwen wekken, verbinden en onderhandelen, dat zijn de drie kerncompetities van de nieuwe ambtenaar.’