Burgemeester John Berends (Apeldoorn): ‘Zichtbaar zijn in de wijk’

Nummer 8, 18 mei 2018

Auteur: Paul van der Zwan | Beeld: © Jiri Büller

Nederlanders voelen zich de laatste jaren veiliger in de wijk. Desondanks horen gemeenten permanent aandacht te besteden aan veiligheid, vindt burgemeester John Berends van Apeldoorn. Hun zichtbaarheid in de wijk acht hij van cruciaal belang. 


Je beschermd weten, vormt een basisbehoefte van vrijwel iedereen. En waar telt dat meer dan in je eigen woon- en leefomgeving, het gebied waar gemeenten een grote rol spelen, ook op het gebied van veiligheid? John Berends, die zijn loopbaan bij de politie begon, weet er alles van: als burgemeester gaat hij over openbare orde en veiligheid. En in zijn functie van voorzitter van de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland, een district van de regionale eenheid Oost-Nederland, weet hij wel zo ongeveer wel wat er speelt op het gebied van veiligheid in de 22 aangesloten gemeenten.

Hoe belangrijk is een veilige woon- en leefomgeving voor inwoners? 
‘Wij stellen in Apeldoorn om de twee jaar een leefbaarheidsmonitor op. Dat doen we met behulp van een panel waarin onder meer bewoners zitten. Zij beantwoorden vragen over bijvoorbeeld bereikbaarheid, onderwijs, sport en arbeidsmarkt. Ook veiligheid komt aan bod en dat blijkt keer op keer een topitem te zijn. Zij is een bepalende factor. Mensen zien veiligheid overigens als een containerbegrip. Het gaat niet alleen om inbraken en geweld in de buurt maar zeker ook om de verkeersveiligheid.’

Veiligheid blijft permanent een punt van aandacht

Volgens de Veiligheidsmonitor van het Centraal Bureau voor de Statistiek  voelen Nederlanders zich de laatste jaren iets veiliger in hun buurt. Doel bereikt voor gemeenten of blijft aandacht nodig?
‘Ik vind het een mooie uitkomst maar het thema veiligheid blijft permanent een punt van aandacht. Trefwoorden daarbij zijn voor mij integraal werken. De gemeente hoort over de volle breedte aanwezig en zichtbaar te zijn in de wijk. Dat geldt voor bijvoorbeeld wijkagenten, maar ook voor mensen in de zorg, van groenvoorziening en wijkmanagers; bestuurders zijn daar ook bij betrokken. Het gaat dus, kortom, om onze wijkteams in het sociaal domein en op het gebied van infrastructuur. De samenwerking tussen die teams gaat goed, maar kan natuurlijk altijd beter. De samenwerking met externe partners zoals de politie vraagt eveneens om aandacht. We streven ernaar om tot één gemeenschappelijke wijkagenda te komen. Een voorbeeld van een geslaagd samenspel tussen zij die werkzaam zijn in het sociaal domein en in het fysiek domein deed zich enkele jaren geleden voor toen een wijk in Apeldoorn werd getroffen door een gas- en waterstoring. Het was ook nog eens winter. De mensen van de sociale wijkteams wisten waar de ouderen woonden. Dat laat zien hoe belangrijk het is dat je constant geïnformeerd bent over de wijk en haar bewoners.’

Waar moeten gemeenten zich op richten bij hun veiligheidsbeleid, op criminaliteitscijfers of op gevoelde veiligheid?
‘Op beide. De recente Veiligheidsmonitor van het CBS laat onomstotelijk zien dat de criminaliteitscijfers dalen. Tegelijkertijd hoor je op straat dat mensen deze cijfers in twijfel trekken. Er bestaat dus echt een discrepantie tussen de cijfers en het gevoel. Dat kun je als bestuurder niet negeren. De kunst is wel om de vinger achter dat gevoel te krijgen. Dat betekent dat je opmerkingen op dit vlak serieus moet nemen. Maar je behoort ook niet altijd mee te gaan in dat gevoel. Zaak is om een gulden middenweg te vinden.’

Welke omstandigheden kunnen zorgen voor een gevoel van veiligheid in de wijk?
‘Het gezicht van een wijk vormt een belangrijke factor. De gemeente draagt daaraan bij door het afval tijdig op te halen, de straten te laten vegen en bijvoorbeeld plantenbakken bij te houden. Want een netjes aangeharkte buurt werkt een gevoel van veiligheid in de hand. Het klinkt wat onsympathiek maar af en toe moet je als gemeente ook invloed willen uitoefenen op de samenstelling van een wijk. Dat kan door met woningcorporaties af te spreken dat zij zorgen voor een pluriforme wijkopbouw met huurwoningen voor verschillende inkomensgroepen. Daarnaast is het belangrijk dat er voorzieningen in de wijk zijn voor verschillende doelgroepen, zoals scholen, sportaccommodaties en eventueel hangplekken.’

Wat kunnen gemeenten zoal doen om die veiligheid te vergroten?
‘In de eerste plaats natuurlijk zorgen voor voldoende zichtbaar blauw op straat. Dat vergt een goede wisselwerking tussen gemeenten en buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) en de politie. Ik heb zelf regelmatig contact met de politie. Ik wil overigens benadrukken dat ik, los van het capaciteitsvraagstuk,  geen probleem heb met de nationale politie. Ik voel me als bestuurder goed gefaciliteerd, zeker bij grote evenementen als de start van de Giro d’Italia en Serious Request. En ik durf te stellen dat de politie dichter bij ons staat dan vóór de invoering van de nationale politie. Een goede samenwerking met de buurt helpt de gemeente eveneens om de wijkveiligheid te vergroten. Dat kan bijvoorbeeld met behulp van WhatsApp-groepen, waarvan wij er ongeveer honderd hebben in de gemeente. Als gemeente spreken wij daarvoor regels af met bijvoorbeeld buurtbewoners. Het is cruciaal om gevoelens van onveiligheid bespreekbaar te maken, en die niet te laten lopen.’

Ik maak me zorgen over de capaciteit van de politie

In hoeverre volstaan de instrumenten en bevoegdheden die gemeenten hebben om onveiligheid in de wijk tegen te gaan? 
‘Er is wat mij betreft niet zoveel mis met die bevoegdheden. Wel maak ik me met veel andere burgemeesters in Oost-Nederland zorgen over de capaciteit van de politie. Het zou fijn zijn als het kabinet daar extra in investeert. Daar komt bij dat blauw op straat hoort en niet achter het bureau, zoals nu te vaak het geval is.’

Wat vindt u van het idee van de Stichting Maatschappij en Veiligheid om de boa’s onder de nationale politie te laten vallen?
‘Daar word ik niet meteen heel warm van. Het lijkt mij in ieder geval goed om eens te stoppen met de structuurdiscussies. Boa’s fungeren uitstekend in de huidige setting. De samenwerking van boa’s met de politie is wel een aandachtspunt.’

Hoe belangrijk zijn burgerbetrokkenheid en burgerinitiatieven voor wijkveiligheid?
‘Die zijn superbelangrijk. In Apeldoorn zijn wij er daarom actief mee aan de slag. De wijkteams proberen echt de vinger achter problemen te krijgen. Als inwoners daar zelf mee aan de slag willen, proberen wij als gemeente die initiatieven te onderkennen en te faciliteren.’

Welke rol speelt regionale samenwerking bij wijkveiligheid?
‘Als het gaat om de in te zetten capaciteit is regionale samenwerking van groot belang. Verder is het natuurlijk altijd goed om elkaars expertise te delen.’

In hoeverre kan intimidatie een blokkade zijn voor burgerbetrokkenheid? 
‘Het kan zeker een blokkade zijn als het gaat om ernstige criminaliteit die mensen een zeer onveilig gevoel geven. Dat kan ertoe leiden dat mensen hun hoofd afwenden. Ook in Apeldoorn werken wij overigens met zogeheten ondermijningsbeelden. Daarin worden signalen van criminele aanwezigheid en activiteiten in een bepaald gebied gebundeld. Daar gaan we de komende jaren gestaag mee verder.’

De scheidslijn tussen onveiligheid en overlast is dun

Wat kunnen gemeenten doen tegen zwijgen door intimidatie?
‘Zoals aangegeven, is onveiligheid een containerbegrip. De scheidslijn tussen onveiligheid en overlast is dun. Maatwerk moet ons antwoord zijn. Dat begint er al mee dat als mensen iets melden, je dat serieus neemt. Laat je dat na, dan werk je in de hand dat mensen zwijgen over criminaliteit en overlast in hun buurt. Onze aanpak vergt overigens permanent onderhoud.’

In wat voor zin kan onveiligheid negatieve invloed hebben op inwoners?
‘Zogenoemde slechte wijken leveren de bewoners stress op. Ook in die zin is het goed om te kijken wat je kunt doen. Een goede manier van omgaan met elkaar is essentieel. Daar moet continu aan gewerkt worden en dat is uiteraard voor een groot deel de verantwoordelijkheid van de inwoners zelf.’