Bewijslast in belastingzaken - bewijsomvang

Hoofddoel van het fiscale procesrecht is rechtsbescherming. De omvang van het geschil wordt door partijen bepaald. Met uitzondering van de punten van openbare orde (o.a. tijdigheid indiening, rechtsgeldige vertegenwoordiging) mag de rechter geen punten erbij betrekken die niet door partijen zijn genoemd. 

De omvang van het geschil wordt bepaald door de feiten die partijen aanvoeren. Belanghebbende zal als eerste feiten stellen in zijn beroepschrift. 

De rechter kan feiten ambtshalve aanvullen. Dit houdt in dat de rechter, bij twijfel over de gepresenteerde feiten, mag doorvragen. Met de ambtshalve aanvulling van de feiten neemt de rechter een actievere rol in het geschil in en kan hij waar nodig de fiscaal zwakkere partij een duwtje in de goede richting geven. Het is niet zo dat de rechter feiten buiten de partijen om vaststelt; hij moet partijen de gelegenheid geven op de aanvullende feiten te kunnen laten reageren.
Een voorbeeld van een ambtshalve aanvulling van feiten is de toepassing van de werktuigenvrijstelling. Als de heffingsambtenaar primair de toepassing van de vrijstelling bestrijdt maar subsidiair vergeet aan te geven wat de waarde van het werktuig is, kan de rechter hier naar vragen.

Jurisprudentie

  • Hoge Raad 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:86 (Bergeijk) Tegen beperkt gemotiveerde WOZ-beschikking geldt alleen de eis voor motivering dat de indiener daarvan zich met de vastgestelde waarde niet kan verenigen.
  • Conclusie A-G 21 februari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF6572: waardering bewijsmiddelen