Drie maatregelen voor een beter integratietraject

Wendy van der Tol en Sjef van Grinsven, beide werkzaam bij het COA, vertellen over manieren waarop hun organisatie samen met gemeenten zorgen voor een snellere integratie en participatie van statushouders. Drie voorbeelden en – naast goedkeurend geknik - drie kanttekeningen uit de zaal.

Voorbeeld 1: kansrijke koppeling

Een havenarbeider zet je niet in Maastricht. En hoewel dat logisch lijkt, werden statushouders voorheen niet altijd geplaatst op de plek waar ze de meeste kans hebben op werk. Terwijl een succesvol integratietraject onder meer start met een kansrijke koppeling aan de gemeente waar een vergunninghouder komt te wonen. Mede daarom zorgen COA en gemeenten sinds kort voor een betere plaatsing vertellen Wendy van der Tol, bestuursadviseur en Sjef van Grinsven, beleidsadviseur, beide van het COA. Sjef: ‘Voorheen werden vergunningshouders alleen volgens harde criteria geplaatst, nu wordt er beter rekening gehouden met zachte criteria zoals hun ambities, achtergrond en werkverleden, diploma’s en competenties.’ Die zaken komen aan bod in het huisvestingsgesprek dat iedere vluchteling heeft zodra hij weet dat hij in Nederland mag blijven. ‘We proberen statushouders daarna zo veel mogelijk te plaatsen in AZC’s in de buurt van hun toekomstige woonplaats.’

Kanttekening 1: aantal AZC’s ten opzichte van arbeidsmarktregio’s

In de praktijk blijkt deze gerichte koppeling soms lastig, weet een deelnemer aan de workshop. ‘In onze regio’s Zuid-Holland en Zeeland hebben we een hoge taakstelling, maar relatief weinig AZC’s. Je kunt mensen dus niet altijd plaatsen in de buurt van hun toekomstige gemeente.’ Daarnaast worden de nareizigers – op dit moment zo’n vijftig procent van de uitstroom bij het COA – niet bereikt met dit initiatief omdat zij geen huisvestingsgesprek krijgen. Zij worden automatisch bij familie geplaatst. Het COA denkt na hoe deze groep ook bereikt kan worden.

Voorbeeld 2: Zinvolle dagbesteding

Na de vergunningverlening verblijft een statushouder nog zo’n vier tot vijf maanden bij het COA. Sinds kort wordt deze tijd gebruikt om hen voor te bereiden op hun integratie, onder meer met taalles en het geven van informatie over de Nederlandse maatschappij. Daarnaast worden statushouders meer dan voorheen gestimuleerd om vrijwilligerswerk te doen. Wendy: ’We horen veel succesverhalen. Een statushouder in Katwijk deed vrijwilligerswerk bij een zorgcentrum in Katwijk tijdens een zomerweek met activiteiten voor de bewoners. Niet veel later kon hij bij een ander zorgcentrum terecht. Het werkt helpt bij de eerste integratie, onder meer omdat statushouders leren wat belangrijke (gedrags) regels zijn op de Nederlandse werkvloer, ze oefenen ze met de taal en kunnen bouwen aan een sociaal netwerk.’

Kanttekening 2: blijft dit in stand bij hoge instroom?

Een opmerking uit de zaal: ‘Op dit moment gaat de instroom van vluchtelingen drastisch naar beneden en ligt de nadruk steeds meer op verdere integratie, maar blijft dit systeem in stand als de instroom weer omhoog gaat?’ Wendy is ervan overtuigd dat dat het geval is. ‘ Het systeem dat we hebben bedacht is ook geborgd bij hoge instroom.’

Voorbeeld 3: Warme overdracht naar gemeenten

Informatie over de achtergrond en ambities van statushouders wordt overgebracht naar de gemeenten. In het digitaal klantprofiel staan onder meer persoonlijke gegevens, informatie over arbeid- en opleidingsverleden en de ambitie van een statushouder. Op deze manier zijn gemeenten goed voorbereid en kunnen ze statushouders beter begeleiden bij verdere integratie en participatie.

Kanttekening 3: Niet alle gegevens zijn overdraagbaar

In de praktijk blijkt dat niet alle - vooral medische- informatie bij gemeenten terechtkomt. Dat dat deels komt vanwege privacywetgeving begrijpen aanwezigen, maar het maakt situaties soms onnodig complex, blijkt uit één van de verhalen. ‘Wij plaatsten een gezin met vader en moeder, terwijl later bleek dat er veel problemen waren en de vader niet meer bij het gezin mocht wonen. Dat wisten we niet. Als we die informatie wel hadden gehad, hadden we escalatie wellicht kunnen voorkomen.’ Organisatie Veilig Thuis zou hierin nadrukkelijker een rol kunnen spelen, vinden veel aanwezigen.