Ervaringsdeskundigen en onderzoek bron voor levendig debat

Tijdens plenaire sessies in Heerenveen rolde er één woord in kapitalen uit de word cloud: GEZONDHEID. Dus zat de zaal waar Willemijn Bruining sprak over gezondheidsissues van statushouders bomvol. De regiocoördinator van het Ondersteuningsprogramma Gezondheid Statushouders kwam niet alleen, maar nam vijf statushouders mee.

Gezondheid is één van de meest ingewikkelde onderwerpen rond nieuwkomers. Het OndersteuningsTeamAsielzoekers en Vergunninghouders (OTAV) Gezondheid, is er druk mee. Statushouders hebben bijzondere behoeften én moeten hun weg vinden in een voor hen vrij ondoorgrondelijk zorgdoolhof.

Meer overgewicht, minder hartklachten

Willemijn Bruining opende de workshop met het onderzoek dat Pharos begin 2016 hield naar de gezondheidsrisico’s van statushouders. Het expertisecentrum Gezondheidsverschillen ontdekte dat de nieuwe instromers relatief jong zijn. Willemijn: ‘Wij zien steeds minder mensen van boven de dertig. Kansrijk, want jonge mensen zijn relatief gezond en veerkrachtig. Al blijft preventie belangrijk. Aandoeningen die hoog scoren zijn overgewicht, diabetes en chronische pijn. Kanker en hart- en vaatziekten komen juist minder vaak voor onder statushouders.  

‘Klopt dit wel?’

De onderzoeksgegevens leiden even tot discussie. ‘Uit dit onderzoek blijkt dat Syriërs minder tandheelkundige problemen hebben dan Eritreeërs, maar ik ervaar dat precies andersom. Syriërs eten best veel suiker en zijn volgens mijn waarneming geen supergoede tandenpoetsers’, luidt een reactie uit de zaal. Andere uitslagen roepen minder discussie op en lijken haast voor de hand te liggen. Zo lijden statushouders vaker aan infectieziekten die in het westen beter onder controle zijn, denk aan:  tuberculose, hepatitis en HIV. Logischerwijs ook komt PTSS door oorlogstrauma’s veel vaker voor bij vluchtelingen.

Statushouders roken en drinken relatief meer

Op het gebied van levensstijl en rond sociale issues treden eveneens verschillen op. Statushouders roken en drinken relatief meer dan Nederlanders, maar wagen zich minder vaak aan verdovende middelen. Rond seksualiteit zijn de verschillen significant op vele fronten: statushouders kampen vaker dan Nederlanders met tienerzwangerschappen, abortus, moedersterfte , seksueel geweld en genitale verminking. Ook is er veel vaker sprake van schuldenproblematiek, psychosociale problemen en stress. Kortom: statushouders hebben een verhoogd risico op een behoorlijk aantal gezondheidsthema’s.


Statushouders delen hun ervaringen

De workshop over de gezondheidsissues trok in Heerenveen toehoorders van gemeenten, COA, GGZ/GGD, VluchtelingenWerk en welzijnsinstellingen. Bijzonder was dat spreekster Willemijn Bruining een handvol ervaringsdeskundigen had meegenomen uit Syrië, Soedan en Eritrea die ervaringen deelden.

De Syriërs

Saleem Bachara (een gevluchte arts uit Syrië): ‘In Syrië hadden we vroeger een overvloed aan medische dienstverleners en was er volop keuze.’ Nour Saadi (oprichtster Syrische vrouwengroep Emmen) schetst het beeld van een land met een hoge medische standaard. ‘De kosten waren laag, veel diensten waren gratis. Corruptie bestond niet, ouderen werden bijzonder goed verzorgd.’ Saleem en Nour maken duidelijk dat geestelijke gezondheidszorg een ander verhaal is. Rond psychiatrische aandoeningen leven taboes. ‘Er zijn amper Syrische psychologen te vinden.’

In Nederland lopen Syriërs vaak aan tegen de taalbarrière maar ook tegen de trage toegang tot het systeem. ‘Bovendien werkt het eigen risico belemmerend’, zegt Nour. Nour & Saleem raden de overheid aan te investeren in tolken, voorlichting en adviseren om gebruik te maken van de (hoog aangeschreven) capaciteiten van gevluchte artsen.

De Eritreërs

Meneer Angosom en Bruine Berhane Tseamlake schetsen het beeld uit Eritrea. Jamal Salih vult aan voor Soedan. ‘Daar bestaat een groot verschil tussen de stad en het dorp. In dorpen ben je afhankelijk van familie en natuurgeneesmiddelen. Vervoer is een serieus probleem. Maar in de steden is het echt anders. Daar heb je ambulances en ziekenhuizen.’ Ook de Eritreeërs lopen aan tegen taalproblemen maar ook tegen andere culturele opvattingen over de beleving van ziekte. ‘Typisch Nederlandse fenomenen als “even uitzieken” en veel water drinken zijn anders dan wij gewend zijn. Als je bij ons ziek bent, krijg je gewoon een medicijn of een behandeling.’ De Eritreeërs adviseren de overheid om te investeren in taalhulp, folders in eigen taal en in een aanbod van anonieme psychologische hulp.


Wie checkt en monitort?

  • Maatschappelijke begeleiding  (VluchtelingenWerk of welzijnsorganisatie)
  • Zorg en Jeugdzorg (gebiedsteams, artsen, verloskundigen, JGZ, welzijn )
  • Inkomen/participatie (Sociale zaken, Integratie, Participatie)
  • Taaleducatie (VluchtelingWerk, Stavoor, Friesland College, internet)
  • Buurt- en wijk, Sleutelfiguren
  • Zelforganisaties (kerk, sport, Rode Kruis, buurtinitiatieven)
  • Onderwijs (2-18 jaar)
  • Huisvesting (woningbouw, buurt- en wijkbewoners)

In de discussie met de zaal blijkt dat het soms lastig is om lijntjes te leggen in dit netwerk. Reactie van iemand van VluchtelingenWerk Nederland: ‘Voor ons is het lastig om door te vragen bij mensen bij wie we vermoeden dat er wat aan de hand is. Daar ontbreekt expertise voor. En lijntjes leggen naar instanties is ook moeilijk, want privacy is een groot goed.’