Tijdelijke Ondersteuning voor Noodzakelijke Kosten (TONK)

1. Hoe zit het met het inkomen van de partner bij een aanvraag TONK?

De TONK is bedoeld voor huishoudens die door de huidige omstandigheden te maken hebben met een onvoorzienbare en onvermijdelijke terugval in hun inkomen, en die daardoor noodzakelijke kosten niet meer kunnen voldoen en waarvoor andere regelingen niet of onvoldoende soelaas bieden. Indien de partner deel uitmaakt van het huishouden dan geldt ook dat inkomen als gezinsinkomen.

 

2. Er kan gekozen worden voor een maximering van de TONK. Is er nagedacht over een specifiek bedrag?

Het behoort tot de beleidsvrijheid van de gemeente om, als het recht op TONK is vastgesteld, een maximum aan het bedrag te stellen. Er is dan ook geen specifiek richtbedrag hiervoor. Gemeenten kunnen hierin zelf een keuze maken. TONK is bedoeld als tegemoetkoming in de noodzakelijke kosten als het inkomen door een onverwachte terugval ten gevolge van de coronamaatregelen daarvoor niet meer toereikend is. Het ligt daarom in de rede dat het toe te kennen bedrag samen met het resterende inkomen toereikend is voor het huishouden om daadwerkelijk deze noodzakelijke kosten te kunnen voldoen.

 

3. Hoe kunnen wij een inschatting maken van de omvang van de doelgroep, heeft het Rijk hier bijvoorbeeld al een berekening van gemaakt?

Het is op voorhand moeilijk te zeggen hoe groot de doelgroep is. Pas bij de uitvoering van TONK zal blijken hoeveel huishoudens hierop een beroep doen.

 

4. Kunnen de tijdelijke huurverlaging en de betaalpauze hypotheekvoorziening als voorliggende voorziening voor de Tonk worden gebruikt? Hoe is de verhouding tussen deze 2 regelingen en de Tonk?

De gemeente heeft beleidsvrijheid om hierin zelf een keuze te maken. Als de aanvrager afspraken kan maken met de hypotheekverstrekker over een tijdelijke betaalpauze of een afspraak kan maken met de verhuurder over een tijdelijke huurverlaging dan is een vergoeding vanuit TONK wellicht niet nodig .

 

5. Moeten ook de uitvoeringskosten worden betaald uit het budget dat gemeenten krijgen toegewezen, en zo ja, wat is de verdeling?

Ja, de uitvoeringskosten van de TONK moeten uit hetzelfde budget worden voldaan. Er is geen onderverdeling in dit budget gemaakt.

 

6. Wanneer moet de regeling operationeel zijn?

De regeling moet zo snel als verantwoord mogelijk is, worden uitgevoerd. Dit zal per gemeente verschillen. Sommige gemeenten kunnen al snel TONK verstrekken, bij andere gemeenten zijn meer aanpassingen nodig en zal dit iets langer duren. De TONK gaat met terugwerkende kracht gelden van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021.

 

7. Hoe verantwoorden we de uitkering/toewijzing?

De TONK-middelen worden via het gemeentefonds uitgekeerd aan gemeenten. Individuele gemeenten hoeven zich naar het Rijk dan ook niet apart te verantwoorden over de TONK-middelen.  Er is geen sprake van een (nieuwe) regelgeving, maar van een tijdelijke uitbreiding van de bijzondere bijstand. Gemeenten kunnen betalingen voor TONK op dezelfde wijze registreren als nu het geval is bij bijzondere bijstand. Rijk en gemeenten monitoren door regelmatig overleg en via beschikbaar komende gegevens vanuit het CBS en de Divosa benchmark hoe de implementatie en de uitvoering verloopt.

 

8. Hoe verhoudt deze uitkering zich tot andere bestaande regelingen zoals Tozo, bijstand, enzovoort? Is het Tozo-krediet een voorliggende voorziening voor TONK?

Als een huishouden gebruikmaakt van een regeling zoals bijstand of Tozo, maar de hoogte van de uitkering onvoldoende is om de vaste lasten te betalen, kan dit huishouden mogelijk in aanmerking komen voor de TONK (afhankelijk van de gemeentelijke beleidsregels). Het uit reguliere bijstand of Tozo verkregen inkomen wordt dan wel in beschouwing genomen bij het bepalen van de draagkracht.

 

9. Mag een gemeente bij dreigende overschrijding van beschikbaar gestelde middelen een budgetplafond instellen?

Als blijkt dat de ter beschikking gestelde middelen tekort schieten om alle aanvragen te kunnen honoreren, lopen gemeenten het risico te moeten toeleggen op de TONK.

Er mag geen budgetplafond worden ingesteld. De TONK is een openeinderegeling. De Tweede Kamer heeft op 2 februari wel een motie aangenomen dat er wordt gemonitord of de nu vrijgemaakte middelen (€ 130 miljoen) voldoende zijn om de TONK ruimhartig uit te voeren en om meer middelen ter beschikking te stellen wanneer dit niet voldoende is.

 

10. Is de TONK een belaste of onbelaste uitkering?

De TONK is een onbelaste uitkering.

 

11. Welke kostensoorten vallen onder de TONK?

De gemeente kan in de tijdelijke beleidsregels TONK aangeven welke kosten noodzakelijk worden geacht en in aanmerking komen voor een vergoeding. De focus ligt op woonkosten. 

 

12. Is het handig, gezien het verlengen van steunmaatregelen, om een einddatum in de beleidsregels op te nemen?

Het is verstandig een einddatum op te nemen zodat duidelijk is dat de regeling eindig is. Dit kan met een voorbehoud: ‘De TONK loopt in principe tot 1 juli. Over een eventuele verlenging zal tijdig worden gecommuniceerd.’ Zo kan worden voorkomen dat de verwachting van een eindeloze regeling wordt gewekt en blijft de ruimte voor eventuele verlenging open.

 

13. Mogen we, in plaats van allerlei berekeningen, aan de aanvrager vragen om aan te tonen dat hij de vaste lasten niet langer kan betalen als gevolg van inkomstendaling door corona?

De TONK wordt uitgevoerd binnen het juridisch kader van de bijzondere bijstand. Het staat gemeenten vrij om in hun TONK-beleidsregels op te nemen hoe inkomsten(daling) en uitgaven bepaald worden. Verantwoording vindt lokaal plaats en kan het beste worden afgestemd met de accountant.

 

14. Hoe gaan we om met de TONK als er sprake is van kostendelerschap en de hoofdhuurder meldt zich voor de TONK?

De TONK is bedoeld voor huishoudens die door corona met een daling in inkomsten te maken hebben en die daardoor niet meer kunnen voldoen aan hun noodzakelijke (woon)kosten. Als er een kostendeler in de zin van de Participatiewet aanwezig is, dan heeft die invloed op het huishoudinkomen. Gemeenten hebben echter in het kader van de bijzondere bijstand de bevoegdheid om de draagkracht af te stemmen op de bijzondere omstandigheden, dus ook daar waar het kostendelers betreft. Het is aan de individuele gemeente om kostendelers wel of niet mee te laten tellen in het kader van de TONK. De uitvoerbaarheid van de toetsing kan in deze afweging een rol spelen. Deze keuze dient wel vastgelegd te worden in de tijdelijke beleidsregels TONK.

 

15. Wat zeggen het ministerie en de accountant over wel of geen hercontroles?

Omdat de middelen voor TONK niet geoormerkt zijn, is er geen individuele verantwoording verschuldigd naar SZW. Er moet dus lokaal verantwoording worden afgelegd. Het advies is de verantwoording over de uitvoering af te stemmen met de lokale accountant.

 

16. De motie-Van Weyenberg geeft aan dat ook zwangere zelfstandigen onder de doelgroep vallen. Hoe verhoudt dit zich tot inkomstendaling door coronamaatregelen?

De TONK is bedoeld voor huishoudens die door corona met een onvermijdelijke daling in inkomsten te maken hebben en die daardoor niet meer kunnen voldoen aan hun noodzakelijke (woon)kosten. Hieronder kunnen ook de huishoudens van zwangere zelfstandigen vallen.

 

17. Waarom is er geen landelijk beleid gemaakt? Dat zou landelijk voor meer rechtszekerheid zorgen.

Er is gekozen om de TONK in de bijzondere bijstand te laten meelopen omwille van eenvoud en snelheid, zodat gemeenten hun inwoners zo snel mogelijk kunnen helpen en de middelen voor TONK zo snel mogelijk beschikbaar komen voor gemeenten. Een aparte regeling zou een wettelijke grondslag moeten hebben en dat zou aanzienlijk meer tijd gekost hebben. Een centrale regeling past ook niet bij het maatwerkkarakter van de bijzondere bijstand.

 

Meer informatie

Terug naar boven

Maatregelen lokale belastingen

1. Wat kunnen gemeenten voor ondernemers doen op het gebied van lokale belastingen?

Het is niet goed mogelijk om daarover één algemeen leidend advies te geven. Maar er is een aantal mogelijkheden voor tijdelijke tegemoetkoming van ondernemers. Deze mogelijkheden gelden voor de precario op terrassen, maar ook voor toeristen- en andere lokale belastingen. Hieronder een opsomming van de mogelijkheden op belastinggebied:

  • Als al een aanslag is opgelegd, kan de ontvanger uitstel van betaling geven of een gespreide betalingsregeling treffen. Dit kan gebeuren op verzoek van individuele belastingschuldigen, maar er kan ook een beleid worden gevoerd voor bepaalde categorieën (bijvoorbeeld horecaondernemers) en voor bepaalde heffingen (bijvoorbeeld precario terrassen).

Op het gebied van de invordering en kwijtschelding van belastingen heeft de VNG als uitgangspunt dat gemeenten het rijksbeleid volgen, tenzij de (lokale) omstandigheden een ander beleid rechtvaardigen of noodzakelijk maken. Dat uitgangspunt is gekozen uit oogpunt van wenselijke uniformiteit voor belastingplichtigen.


Bijzonder uitstel van betaling
Voor de eerste keer bijzonder uitstel aanvragen kan tot 1 juli 2021. Na die datum is het niet meer mogelijk van deze bijzondere uitstelregeling gebruik te maken. Ook ondernemers die al eerder bijzonder uitstel hadden aangevraagd, kunnen nog tot 1 juli 2021 een verlenging daarvan aanvragen.

De terugbetalingstermijn van uitgestelde belastingen bedraagt 36 maanden. Ondernemers hoeven ook pas vanaf 1 oktober 2021 te gaan betalen.

Omdat de gemeentelijke belastingaanslag vaak beduidend lager is dan de belastingaanslagen van het Rijk ligt het niet voor hand om dit Rijksbeleid één-op-één te volgen, maar als daar aanleiding voor is, maatwerk te bieden en ondernemers voor wie terugbetalen vanwege de coronacrisis tot financiële problemen leidt zoveel mogelijk tegemoet te komen.

Verlaging invorderingsrente tot en met 31 december 2021
Het Rijk heeft de te betalen invorderingsrente voor alle belastingmiddelen tot en met 31 december 2021 verlaagd van 4% naar 0,01%. Zie Tijdelijke verlaging invorderingsrente en belastingrente


  • Als dat in de gemeente nog niet geldt, kan in de kwijtscheldingsregeling ook (beperkte) kwijtschelding voor ondernemers mogelijk worden gemaakt. Als kwijtschelding wegens onvermogen of geringe betaalcapaciteit op grond van de (landelijke) regels niet mogelijk is, kan het college (of de invorderingsambtenaar namens hem) een aanslag oninbaar verklaren (artikel 255 Gemeentewet).
  • Aanslagen kunnen later worden verzonden (bijvoorbeeld voorlopige aanslagen toeristenbelasting). Zolang de wettelijke termijn van 3 jaar niet wordt overschreden, verspeelt de gemeente daarmee geen rechten.
  • Op basis van de zogeheten hardheidsclausule (artikel 63 AWR) kunnen opgelegde aanslagen worden ingetrokken. Hiermee verspeelt de gemeente de mogelijkheid later alsnog te heffen. Dit zou kunnen worden overwogen bij bijvoorbeeld ‘evenementenleges’ voor evenementen die niet doorgaan (het belastbaar feit heeft zich wel voorgedaan omdat dit het in behandeling nemen van de aanvraag voor de vergunning is).
  • Wijzigen of intrekken van een belastingverordening (verlagen of laten vervallen van bepaalde tariefbepalingen of afschaffen van een belasting) waardoor bepaalde belastingen tegen een lager tarief of niet meer worden geheven (bijvoorbeeld precariobelasting of reclamebelasting). Dit kan desgewenst met terugwerkende kracht zolang de wijziging in het voordeel van belastingplichtigen is.
  • In alle gevallen is het van belang om een helder onderscheid te maken tussen gevallen waarbij wel een tegemoetkoming wordt gegeven en gevallen waarbij dat niet gebeurt. Ook is het zaak om objectief te motiveren waarom de grens is getrokken.
  • Het college kan besluiten het percentage van te betalen invorderingsrente (tijdelijk) te verlagen. Het Rijk heeft vanaf 23 maart 2020 tot en met 31 december 2021 het percentage voor te betalen invorderingsrente tijdelijk verlaagd van 4% naar 0,01%.

Vanaf 1 juni 2020 gelden voor het Rijk de bij AMvB voor in rekening te brengen en voor te vergoeden invorderingsrente vastgestelde percentages. Omdat de percentages van de invorderingsrente worden vastgesteld bij AMvB, gelden deze percentages niet automatisch voor gemeenten. Dat betekent dat colleges van burgemeester en wethouders zelf de percentages van de invorderingsrente moeten vaststellen. De hoogte van de percentages kan het college in beginsel zelf vaststellen, maar vanwege de eenheid van beleid achten wij het wenselijk dat gemeenten de voor het Rijk voor de invorderingsrente vastgestelde percentages volgen. Dat kan door de AMvB van overeenkomstige toepassing te verklaren in de Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen van de gemeente. Voor een voorbeeld verwijzen wij naar de modeluitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen waarin de betreffende AMvB voor de gemeente van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Zie Wijzigingsbesluit Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen (docx).

  • Voor informatie over staatssteunmogelijkheden ter bestrijding van de economische gevolgen van de coronacrisis zie deze link.
  • Voor informatie over de maatregelen van het Rijk voor banen en economie zie deze link.

Het verlagen van belastingtarieven, het afschaffen van belastingen of het toepassen van de hardheidsclausule is een ingrijpende maatregel die ook met terugwerkende kracht kan worden genomen. Minder ingrijpende maatregelen voor gemeenten zijn uitstel van betaling, een betalingsregeling of het op een later tijdstip binnen de driejaarstermijn opleggen van belastingaanslagen. Ook deze maatregelen bieden op korte termijn soelaas voor ondernemers, waardoor niemand door de lokale belastingen in de problemen hoeft te komen.

1b. Is bij uitstel van betaling i.v.m. het Coronavirus sprake van verboden staatssteun?

Volgens de VNG is bij een uitstel van betaling i.v.m. het coronavirus geen sprake van verboden staatssteun. Immers het uitstellen van de inning van gemeentelijke belastingen is niet anders dan het (ambtshalve of op verzoek) verlenen van uitstel van betaling. Uitstel leidt nog niet tot afstel. Dat is geen staatssteun. Het is mogelijk dat het uitstel uiteindelijk leidt tot oninbaarheid (zie art. 255, vijfde lid, Gemeentewet). Maar als ten aanzien van alle ondernemers hetzelfde beleid wordt gevoerd/dezelfde criteria worden gehanteerd, is van staatssteun geen sprake.

 

2a. Kunnen wij de BIZ-bijdragen verlagen zonder draagvlakmeting of moet er toch een stemronde komen?

Er hoeft geen stemronde plaats te vinden, de tarieven in de verordening kunnen zonder draagvlakmeting worden aangepast. De bevoegdheid om te wijzigen vloeit voort uit artikel 216 Gemeentewet.

Naar de letter van de wet is een draagvlakmeting bij wijziging van de verordening niet nodig. De draagvlakmeting moet bij de instelling van de BIZ (artikel 4, lid 1, Wet BIZ) en bij iedere verlenging (artikel 3, lid 2 Wet BIZ) worden gehouden. Bij een wijziging hoeft dat dus niet (maar mag wel). De wijziging van de verordening kan voor bijdrageplichtigen wel een reden zijn om (alsnog) een tussentijdse draagvlakmeting te vragen (artikel 6, lid 2 Wet BIZ). Maar dat is in tijden van corona van later zorg.

2b. Kan een gemeente een BIZ verlengen na de looptijd van 5 jaar zodat we pas na de coronacrisis besluiten hierover hoeven te nemen?

Na 5 jaar eindigt de BI-zone automatisch. In de wet staat niet binnen welke termijn de BI-zone moet worden verlengd. Het laten doorlopen van de bestaande BIZ-verordening is op grond van de wet niet mogelijk. Dat in de Wet op de bedrijveninvesteringszones een maximale termijn van 5 jaar is opgenomen, is om heroverweging van de wenselijkheid van de bedrijveninvesteringszone te garanderen. Het verlengen van de bedrijveninvesteringszone is immers niet per definitie in het voordeel van elke ondernemer.

 

3. Wat kunnen gemeenten doen om ondernemers te helpen op het gebied van toeristenbelasting?

Het opleggen van voorlopige aanslagen toeristenbelasting in de loop van het belastingjaar is een mogelijkheid, geen verplichting. De gemeente (heffingsambtenaar) kan daar dus van afzien. Het opleggen van definitieve aanslagen toeristenbelasting is pas mogelijk na afloop van het belastingjaar. Dit kan tot 3 jaar na het ontstaan van de belastingschuld. Deze schuld voor de toeristenbelasting ontstaat pas op 31 december, dus voor 31 december 2020 kan dit tot en met 31 december 2023. Bij betalingsproblemen kan de invorderingsambtenaar op verzoek een betalingsregeling treffen.

 

4. Hoe moeten gemeenten met de WOZ-bezwaren omgaan tijdens de coronacrisis?

Op de website van toezichthouder de Waarderingskamer vindt u informatie over de effecten van de coronacrisis op de WOZ.

 

5. Hoe moeten gemeenten omgaan met de Rijksmaatregel van het verlagen van de invorderingsrente?

Het wetsvoorstel Verzamelspoedwet COVID-19 wijzigt de Invorderingswet 1990 en regelt dat de percentages van te betalen en te vergoeden invorderingsrente voortaan bij AMvB worden vastgesteld. De rentepercentages gelden dan niet automatisch meer voor gemeenten. Vanaf de inwerkingtreding van de spoedwet zullen gemeenten daarom de percentages van de invorderingsrente zelf moeten vaststellen. Zie ook de informatie onder vraag 1 en 16 van deze FAQ. Vanwege de eenheid van beleid is het wenselijk dat gemeenten de in de AMvB vastgestelde rentepercentages volgen. De VNG heeft hiervoor een modelbesluit tot wijziging van de Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen beschikbaar gesteld. Zie Wijzigingsbesluit Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen (docx). 

 

6. Is een OZB-verlaging mogelijk voor specifieke doelgroepen, zoals detailhandel en horeca?

Het is niet mogelijk om bepaalde categorieën via de aanslag OZB te bevoordelen. De OZB is een objectieve belasting. Subjectieve vrijstellingen voor bepaalde categorieën zijn niet toegestaan. Het is bovendien niet toegestaan om de belasting afhankelijk te maken van inkomen, winst of vermogen (artikel 219 Gemeentewet). Dat geldt voor alle gemeentelijke heffingen.

 

7. Is het mogelijk de al vastgestelde OZB-tarieven te verlagen met terugwerkende kracht?

Ja. Het is mogelijk om de verordening OZB te wijzigen als belastingplichtigen daar voordeel van hebben. Het tarief voor de OZB moet voor ieder van de 3 categorieën belastingen afzonderlijk,

• eigendom niet-woningen;

• gebruik niet-woningen en

• eigendom woningen

gelijk zijn. Per categorie dus 1 vast tariefpercentage. Nadere differentiatie voor bepaalde categorieën is niet mogelijk.

 

8a. Kan de gemeente een hardheidsclausule toepassen op een complete verordening?

De hardheidsclausule is bedoeld voor onbillijkheden van overwegende aard die zich in bepaalde gevallen bij de toepassing van de belastingverordening kunnen voordoen. Voor een generieke toepassing kunt u de belastingverordening intrekken.

8b. Hoe zou een besluit tot de toepassing van de hardheidsclausule er uit kunnen zien voor bijvoorbeeld precario op terrassen?

Het besluit zou als volgt kunnen luiden (uitgegaan is van de Modelverordening precariobelasting):

Het college van burgemeester en wethouders van [gemeentenaam] gelet op artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met artikel 231, tweede lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet en [hoofdstuk 7 van de tarieventabel behorende bij de Verordening precariobelasting gemeentenaam [jaartal]];

Overwegende dat [... motivering waarom de hardheidsclausule wordt toegepast];

besluit:

Over de maand[en] […] van [jaartal] vindt geen heffing van precariobelasting ter zake van terrassen plaats. [Indien een jaartarief van toepassing is, wordt dit tarief naar tijdsgelang toegepast.].

Datum:

Het college van burgemeester en wethouders voornoemd,

De secretaris,

De burgemeester,

Leeswijzer modelbepalingen

- […] of bijvoorbeeld [aantal] = door gemeente in te vullen. Zie bijvoorbeeld….

- [iets] = facultatief.

 

9. Kan een belastingverordening waarvoor inmiddels aanslagen zijn opgelegd, met terugwerkende kracht worden ingetrokken?

Ja, dat kan, want dit is ten gunste van de belastingplichtigen. Aan al opgelegde aanslagen ontvalt dan de grondslag. Deze moeten worden verminderd/vernietigd en terugbetaald.

 

10. Kan een tariefgroep uit een belastingverordening waarvoor inmiddels aanslagen zijn opgelegd, op 0 worden gesteld of worden verwijderd uit de verordening?

In beginsel kan dat, maar dat is wel afhankelijk van de belastingsoort.

Bij de OZB is het tarief van de gebruikersbelasting voor alle niet-woningen hetzelfde. Dit geldt ook voor de eigenarenbelasting voor alle niet-woningen, of de eigenarenbelasting voor alle woningen (art. 220f Gemeentewet). De gemeente kan dus bijvoorbeeld wel de verordening OZB wijzigen en daarbij bijvoorbeeld het tarief gebruikersbelasting niet-woningen op nihil stellen (met terugwerkende kracht t/m 1 januari). Al opgelegde aanslagen moeten worden verminderd/vernietigd en al betaalde aanslagen moeten worden terugbetaald.

Bij de precariobelasting is dit mogelijk door bijvoorbeeld het tarief voor terrassen op nihil te stellen, of uit de verordening te verwijderen. De gemeenteraad is vrij om te kiezen voor welke voorwerpen zij precariobelasting wil heffen.

 

11. Komt er uitstel voor het doen van de belastingaangifte voor mensen die hulp nodig hebben bij het invullen?

Dit gaat over rijksbelastingen. Alleen de Belastingdienst zelf kan uitspraken doen over uitstel hiervan. Inwoners kunnen contact opnemen met de belastingtelefoon of kijken op de website van de Belastingdienst.

 

12. Mogen we taxatieverslagen en ontvangstbevestigingen op bezwaarverzoeken via mail verzenden?

Uit artikel 2:15 Awb volgt dat elektronisch verkeer mogelijk is als de gemeente die wijze van communiceren kenbaar heeft opengesteld. Als dat in uw gemeente aan de orde is, lijkt er geen beletsel om elektronisch te communiceren.

Een mogelijke oplossing als dat niet het geval is, is proberen wederzijds overeenstemming te bereiken. Dat kunt u bijvoorbeeld doen door eerst elektronisch te communiceren en daarbij aan de geadresseerde te vragen of deze wijze van communiceren zijn of haar instemming heeft. Wij kunnen ons voorstellen dat een rechter daaraan achteraf zijn goedkeuring verleent.

 

13. Wat kan een gemeente zelf nog doen als zij haar bevoegdheid tot heffen en invorderen van belastingen heeft ondergebracht bij een belastingsamenwerking?

De gemeenschappelijke regeling (GR) geeft aan welke bevoegdheden zijn overgedragen aan het openbaar lichaam (OL)/bedrijfsvoeringsorganisatie (BO) en voor welke belastingen het OL/de BO bevoegd is.

Als een bevoegdheid is overgedragen, kan de gemeente de bevoegdheid niet meer uitoefenen. Het OL/de BO is bevoegd. De gemeente kan haar wensen natuurlijk wel kenbaar maken aan het OL/de BO en daarmee nadere afspraken maken. De gemeente kan weer bevoegd worden door de delegatie in te trekken. Daarvoor moet de GR gewijzigd worden.

Als de bevoegdheid is opgedragen aan het OL/de BO (mandaat/machtiging), dan blijft de gemeente ook zelf nog bevoegd.

In het algemeen geldt bij belastingsamenwerkingen dat de gemeente de bevoegdheid om belastingverordeningen vast te stellen niet overdraagt aan het OL (bij een BO kan dat niet eens, omdat dit een uitvoeringsorganisatie is). Dus als de gemeenteraad niet de GR is aangegaan, is de bevoegdheid tot vaststelling van belastingverordeningen (= invoeren, wijzigen of afschaffen van een belasting) in ieder geval niet overgedragen. Is de gemeenteraad de GR wel aangegaan, dan moet de gemeente weer in de GR zelf kijken welke bevoegdheden zijn overgedragen.

Als de gemeente wil dat bepaalde aanslagen voorlopig niet worden opgelegd, moet zij overleggen met het OL/de BO, omdat daarmee wordt afgeweken van afspraken die in de GR zijn vastgelegd. Dit heeft namelijk gevolgen voor de begroting van de OL/het BO en afdracht vanuit het OL/de BO aan de gemeente.

Als de gemeente bepaalde aanslagen wil terugbetalen, moet zij overleggen met het OL/de BO. Het terugbetalen moet een juridische grondslag hebben (denk aan de rechtmatigheidscontrole), bijvoorbeeld het toepassen van de hardheidsclausule. Door het hardheidsclausulebesluit vermindert de heffingsambtenaar de aanslag bij beschikking en betaalt de invorderingsambtenaar de betaalde belasting terug. Het geeft de OL/het BO dus meer werk.

Als de gemeente een invorderingstraject wil stopzetten, moet zij overleggen met het OL/de BO. De daartoe bij het OL/de BO aangewezen invorderingsambtenaar is bevoegd om uitstel van betaling te verlenen of een betalingsregeling te treffen. Als met stopzetten oninbaar lijden wordt bedoeld, zoals in artikel 255, vijfde lid, Gemeentewet, moet de gemeente in de GR kijken of het college deze bevoegdheid aan het (dagelijks) bestuur van het OL/de BO heeft overgedragen. Oninbaar lijden is een interne, administratieve handeling. De belastingschuld gaat niet teniet.

 

14. Wie kan besluiten om af te zien van een heffing en welke rol/bevoegdheid heeft de raad hierbij?

De heffingsambtenaar is het bestuursorgaan dat de aanslagen oplegt. Hij of zij kan besluiten dat niet te doen. Toepassing van een hardheidsclausule is een bevoegdheid van het college. Een besluit om een verordening helemaal niet uit te voeren is een besluit dat redelijkerwijs politieke dekking nodig heeft. Wij adviseren daarom om nu te besluiten geen aanslagen de deur uit te doen. De termijn daarvoor is 3 jaar, dus die tijd heeft de gemeente. Zo komt er niemand acuut in de problemen en heeft het college de tijd om ruggespraak te hebben met de raad over voorgenomen maatregelen.

 

15. Wie kan besluiten over standaard uitstel of een betalingsregeling voor gemeentelijke belastingen voor bedrijven?

Zowel de ontvanger (invorderingsambtenaar) als het college heeft deze bevoegdheid. In feite geldt hier hetzelfde als bij het vaststellen van de leidraad invordering. Een standaardregeling voor uitstel van betaling is ook een algemene instructie waarbij de voorkeur van de VNG uitgaat naar een besluit door het college. Zie voor meer informatie de toelichting op onze leidraad invordering op www.decentraleregelgeving.nl.

 

16. Hoe kunnen we de tijdelijke maatregelen belastinginvordering afbouwen?

De VNG heeft als uitgangspunt dat gemeenten het rijksbeleid wat betreft de invordering en kwijtschelding van belastingen volgen, tenzij de (lokale) omstandigheden een ander beleid rechtvaardigen of noodzakelijk maken. Dit uitgangspunt is gekozen uit de wens van uniformiteit voor belastingplichtigen. 

De VNG adviseert de relevante stappen voor gemeenten van het Rijk over te nemen, met inachtneming van de lokale omstandigheden. 

Bij gemeenten zal het namelijk veelal om relatief kleinere bedragen gaan. Daarom verdient het aanbeveling om het aflossen hierop aan te passen. Verkort bijvoorbeeld de aflostermijn of stel een minimumbedrag per maand in. Zo voorkomt u dat kleine bedragen extreem lang open blijven staan en heeft de belastingplichtige niet een veel te lange termijn voor aflossing. Zorg er hierbij voor dat de regeling zowel voor de belastingbetaler als de gemeente haalbaar en proportioneel is.

 

17. Burgemeesters kunnen ontheffingen verlenen van sommige bepalingen uit de TWM. Kan de gemeente voor dergelijke aanvragen leges heffen?

Ja dit kan, in de TWM is niets geregeld over leges. Je valt daarom terug op artikel 229 Gemeentewet. Om vervolgens te kunnen heffen moet je wel een tarief voor het aanvragen van die ontheffingen in de legesverordening opnemen.

 

 

Terug naar boven

Ondersteuning inwoners

1. Hoe staat de VNG tegenover het statement van een aantal verhuurders om geen huisuitzetting te doen?

Een aantal verhuurders (Aedes, IVBN, Kences, Vastgoed Belang) heeft op 26 maart een statement tegen huisuitzetting gepubliceerd. De VNG steunt deze oproep. Gemeenten door heel Nederland zijn hard bezig om de noodmaatregelen van het kabinet verder vorm te geven. Voor de VNG en de gemeenten is het vanzelfsprekend dat huurders in deze coronacrisis niet op straat worden gezet.

 

4. Hoe kunnen gemeenten omgaan met problemen bij de voedselbank in hun gemeente?
Diverse gemeenten hebben te maken met voedselbanken die in de problemen (kunnen gaan) komen als gevolg van het coronavirus. Hun voedseldistributie komt in het gedrang door een combinatie van minder aanvoer van voedsel door het hamsteren en een terugloop van het aantal vrijwilligers dat inzetbaar is. Ook de praktische invulling van de werkzaamheden speelt een rol vanwege de richtlijn om anderhalve meter afstand tot anderen te houden, niet alle panden zijn daarvoor geschikt. Deze situatie heeft de volle aandacht van de Rijksoverheid (ministeries van SZW en LNV), de VNG en Voedselbanken Nederland. Gezamenlijk wordt hard aan oplossingen gewerkt, zodat onze kwetsbare inwoners niet de dupe worden.  
 
We roepen gemeenten op om actief de samenwerking te zoeken met de lokale voedselbank. We zien in het land al veel lokale initiatieven ontstaan, zoals samenwerking met horeca, tuinders of vrijwilligers. Die creatieve oplossingen juichen wij van harte toe en delen we via de site van de VNG, zodat gemeenten elkaar kunnen inspireren en kunnen helpen.

De Participatiewet biedt gemeenten uitdrukkelijk de ruimte om cadeaukaarten voor onder meer voedsel niet in mindering te brengen op de reguliere bijstandsuitkering. Op grond van artikel 31 tweede lid sub m Participatiewet kan de gemeente namelijk besluiten dat dit soort cadeaukaarten niet tot de middelen worden gerekend, en dus worden 'vrijgelaten'. Een cadeaubon wordt namelijk beschouwd als een gift en in voorkomende gevallen is het dan expliciet aan de gemeente om te beoordelen of zo’n gift uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is en zo ja, tot welk bedrag. Gelet op de huidige situatie in Nederland roepen het ministerie van SZW en de VNG de gemeenten op om de ruimte die de Participatiewet op dit punt biedt, zoveel mogelijk te benutten.

De Rijksoverheid (ministeries van SZW en LNV), de VNG en Voedselbanken Nederland hebben daarnaast gezamenlijk noodscenario’s klaargezet voor situaties waar geen oplossing gevonden kan worden. Het uitgangspunt is dat er altijd een oplossing moet zijn voor inwoners die afhankelijk zijn van de voedselbank. Het kabinet stelt daarom eenmalig een subsidie van vier miljoen euro beschikbaar als vangnet voor het calamiteitenfonds van Voedselbanken Nederland.


5. Met welke regels van onze buurlanden moeten grensgemeenten en inwoners momenteel rekening houden?

Voor gemeenten aan de Vlaamse grens
Informatie over de actuele situatie en maatregelen is via de volgende nationale websites beschikbaar:

Voor gemeenten aan de Duitse grens
Informatie over de actuele situatie en maatregelen is via de volgende nationale websites beschikbaar:

Terug naar boven

Ondersteuning ondernemers

3. Op welke manier kunnen gemeenten lokale ondernemers ondersteunen?

Door de maatregelen tegen het coronavirus derven veel zelfstandige ondernemers, onder wie zzp’ers, inkomsten. Het kabinet ondersteunt hen met een tijdelijke regeling tot 1 juli 2021. Deze regeling voor zelfstandige ondernemers met financiële problemen wordt uitgevoerd door gemeenten.

 

4. Welke maatregelen heeft het kabinet ingesteld om ondernemers in financiële problemen te ondersteunen?

Het kabinet heeft op 17 maart een eerste pakket noodmaatregelen afgekondigd om de gevolgen van de coronamaatregelen voor de economie te dempen. Op 20 mei is het kabinet een tweede pakket noodmaatregelen gekomen, waar op 28 mei aanvullende afspraken over zijn gemaakt met de sociale partners. Hierin zijn verschillende maatregelen gewijzigd om beter aan te kunnen sluiten bij een nieuwe realiteit van de anderhalvemetersamenleving. Doel is om naast de publieke gezondheid ook banen en inkomens te beschermen en de gevolgen voor zzp’ers, mkb-ondernemers en grootbedrijven op te vangen.

Op 28 augustus heeft het kabinet het 3e steun- en herstelpakket gepresenteerd, en op 9 december is opnieuw een aanvullend pakket bekend gemaakt.


5. Welke aanvullende financiële ondersteuning kunnen gemeenten zelf bieden aan ondernemers en organisaties in relatie tot staatssteun?

Aanvullend op de door de rijksoverheid beschikbaar gestelde middelen kunnen gemeenten ook zelf financiële ondersteuning voor de gevolgen van corona aan ondernemers bieden. Welke methode voor extra financiële ondersteuning door de gemeente aan ondernemers geëigend is, hangt af van de voorkeur van de gemeente. In de basis gaat het om een keuze tussen wel of geen terugbetalingsverplichting. In de praktijk komt men allerlei namen tegen voor verschillende soorten subsidies, zoals exploitatiesubsidie of budgetsubsidie. De juridische betekenis van zulke namen is beperkt. Ze slaan vooral op het doel dat met de subsidie wordt beoogd en niet zozeer op de te subsidiëren activiteit.  

Hoe een betaling wordt genoemd, is niet van belang. Soms wordt iets subsidie genoemd terwijl het dat volgens de definitie in de Algemene wet bestuursrecht niet is. Ook het omgekeerde komt voor: er is sprake van een bijdrage of een uitkering, maar het gaat in feite om een subsidie. Onder het begrip 'subsidie' valt bijvoorbeeld niet:

  • een uitkering voor levensonderhoud, omdat subsidie moet worden verstrekt voor bepaalde activiteiten van de aanvrager. Dat wil zeggen dat de bestedingsrichting van tevoren duidelijk omschreven moet zijn;
  • een betaling voor goederen of diensten die ondernemers in ruil aan het bestuursorgaan zouden moeten leveren.  

Aan de andere kant kunnen kredieten, leningen, garanties, overeenkomsten of opdrachten soms net zo goed onder het begrip 'subsidie' vallen. Garanties zijn bijvoorbeeld subsidie als de overheid rente en aflossing garandeert van een krediet dat door een bank aan een derde is verstrekt. Een garantie is in de systematiek van de subsidietitel een subsidieverlening onder de opschortende voorwaarde dat zich een onzekere gebeurtenis voordoet.

Een lening door de overheid tegen een niet-marktconform tarief valt in beginsel ook onder het subsidiebegrip, als deze verstrekt wordt voor bepaalde activiteiten.  

Verder is het soms niet direct duidelijk of er in een concreet geval sprake is van een subsidie, of een overeenkomst die is gesloten in het kader van een overheidsopdracht. De MvT bij de subsidietitel verstaat onder ‘betaling’ het leveren van een tegenprestatie die is afgestemd op de waarde van de verkregen goederen of diensten in het economisch verkeer. Dit betekent niet dat iedere betaling boven de marktprijs een subsidie is. Dat is alleen het geval als de betaling onmiskenbaar zozeer boven de marktprijs ligt dat redelijkerwijs niet meer van betaling kan worden gesproken (MvT bij Derde tranche Awb, kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 33). Hierover bestaat de nodige jurisprudentie.  Het belangrijkste kenmerk van een overheidsopdracht is dat er sprake is van een overeenkomst onder bezwarende titel. Een bezwarende titel geeft aan dat er een verband bestaat tussen de betaling en de prestatie in die zin dat er afdwingbare wederzijdse verplichtingen bestaan.

Let op: bij het verstrekken van financiële maatregelen aan ondernemingen kan er sprake zijn van (ongeoorloofde) staatssteun. Meer informatie hierover staat op de website van het Kenniscentrum Europa decentraal. Kort gezegd komt het erop neer dat er sprake is van staatssteun wanneer er aan 5 cumulatieve criteria wordt voldaan. Zolang maatregelen voor alle ondernemingen gelden en daarmee niet selectief van aard zijn, vallen ze niet onder de staatssteunregels. Financiële maatregelen vallen ook buiten de staatssteunsfeer wanneer een maatregel marktconform is of indien de maatregel geen (potentieel) effect op het interstatelijke handelsverkeer heeft.

Non-marktconformiteit betreft ieder economisch voordeel dat de betrokken onderneming zonder de overheidsmaatregel, dus onder normale voorwaarden, niet had verkregen. Om te bepalen of een investering (zoals een lening) van een overheidsinstantie staatssteun vormt, dient te worden beoordeeld of een particuliere investeerder in soortgelijke omstandigheden ertoe zou kunnen worden gebracht om een investering van vergelijkbare omvang te doen.

Zolang er niet meer dan een marginaal effect op het handelsverkeer tussen de lidstaten aan de orde is, wordt verondersteld dat de maatregel geen staatssteun oplevert. Als indicaties voor een marginaal effect noemt de Europese Commissie:

  • de steun leidt er niet toe dat economische vraag of investeringen naar de betrokken regio worden aangetrokken en werpt geen belemmeringen op voor de vestiging van ondernemingen uit andere EU-lidstaten;
  • de door de begunstigde onderneming geproduceerde goederen of diensten hebben een zuiver lokaal karakter of een geografisch beperkt aantrekkingsgebied;
  • er is een gering effect op de markten en consumenten uit aangrenzende lidstaten.  

Terug naar boven

Sport, cultuur, media en evenementen

 

1. Hoe kan een gemeente omgaan met subsidies (bijvoorbeeld van evenementen) waarvan de verplichtingen niet worden nagekomen?
In beginsel adviseert de VNG om ook hier, waar mogelijk, coulant mee om te gaan. Of het gewenst en noodzakelijk is om te acteren op niet nagekomen verplichtingen, is in eerste instantie een politieke en beleidsmatige keuze. In juridisch opzicht zijn er 4 mogelijkheden. Het gaat hierbij steeds om discretionaire bevoegdheden van het bevoegd gezag:

1. Bij de subsidievaststelling met terugwerkende kracht

Het bestuursorgaan wacht tot de subsidievaststelling en kan de subsidie lager vaststellen indien de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of als de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen (artikel 4:46 Awb).

Bij het bepalen van de omvang van de verlaging moet rekening worden gehouden met het evenredigheidsbeginsel van art. 3:4 lid 2 Awb. Bij het niet voldoen aan verplichtingen moet een afweging worden gemaakt tussen het belang van handhaving van de verplichting en de gevolgen van de verlaging voor de subsidieontvanger. Daarbij zijn tevens de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de subsidie-ontvanger kan worden verweten van belang zijnde factoren.

2. Tot aan de subsidievaststelling met terugwerkende kracht

Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kan het bestuursorgaan de subsidieverlening met terugwerkende kracht intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen als de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden of als de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen (artikel 4:48 Awb).

Als sprake is van een subsidie voor voortdurende activiteiten kan het redelijk zijn om de intrekking niet verder te laten terugwerken dan tot het moment waarop de activiteiten zijn beëindigd of het moment waarop in strijd met de verplichtingen is gehandeld.

De verplichting tot betaling van een subsidiebedrag of een voorschot wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan aan de subsidie-ontvanger schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om toepassing te geven aan artikel 4:48 Awb, tot en met de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving van het ernstige vermoeden 13 weken zijn verstreken (artikel 4:56 Awb).

3. Tot aan de subsidievaststelling voor de toekomst

Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kan het bestuursorgaan de subsidieverlening met inachtneming van een redelijke termijn voor de toekomst intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen voor zover veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten (artikel 4:50 Awb). In dit geval vindt de intrekking of wijziging plaats wegens omstandigheden bij het bestuursorgaan.

De lengte van de redelijke termijn hangt af van de aard van de subsidie en de gesubsidieerde activiteiten.

Deze intrekkings- of wijzigingsgrond komt niet aan de orde als een wettelijk voorschrift verplicht tot voortzetting van de subsidiëring. Intrekking is dan dus alleen mogelijk bij voldoende beleidsruimte. Verder vergoedt het bestuursorgaan bij een dergelijke intrekking of wijziging de schade die de subsidie-ontvanger lijdt doordat hij in vertrouwen op de subsidie anders heeft gehandeld dan hij zonder subsidie zou hebben gedaan.

4. Bij meerjarige subsidies voor een aansluitend tijdvak

Indien aan een subsidie-ontvanger voor 3 of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten, geschiedt gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidie voor een daarop aansluitend tijdvak op de grond, dat veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, slechts met inachtneming van een redelijke termijn (artikel 4:51 Awb). Ook hier gaat het om omstandigheden die liggen bij het bestuursorgaan.

Vergeleken met artikel 4:50 Awb ontbreekt hier de clausulering ‘in overwegende mate’. De bescherming van de subsidie-ontvanger na afloop van een subsidietijdvak is dus minder sterk dan die gedurende het subsidietijdvak. Een subsidieverstrekker heeft in ruime mate de vrijheid om nieuw beleid te formuleren en uit te voeren, daartoe al dan niet genoodzaakt door bezuinigingsoverwegingen. Ook hier geldt een redelijke termijn en het artikel is alleen toepasbaar voor zover de betrokken subsidieregeling beleidsvrijheid biedt om subsidie wegens veranderde inzichten of gewijzigde omstandigheden te weigeren.

Bezwaar en beroep
Zowel tegen de subsidieverlening als tegen de subsidievaststelling staan voor belanghebbenden bezwaar en beroep open. Dat is niet geregeld in de subsidiebeschikking zelf, maar vloeit voort uit het algemene stelsel van rechtsbescherming dat is vastgelegd in de hoofdstukken 6-8 Awb. Als tegen de subsidieverlening geen bezwaar en beroep is ingesteld, kunnen echter tegen de subsidievaststelling (situatie 1 hierboven) geen bezwaren meer worden ingebracht die tegen de subsidieverlening hadden kunnen worden ingebracht (formele rechtskracht).

 

4. Wat kunnen gemeenten doen als lokale media in de financiële problemen komen door de coronacrisis?

Gemeentelijke bekostiging
Het is aan te raden dat gemeenten hun bekostiging in principe op peil houden. Het gaat namelijk om een cruciale voorziening en er is een gemeentelijke verplichting op basis van de Mediawet. Daarom roept de VNG op om de mediawettelijke bekostiging voor de lokale publieke omroepen van tenminste € 1,32 per huishouden op peil te houden. Lokale omroepen hebben de mogelijkheid om zich aan te passen aan de actuele situatie. Er zijn ook gemeenten die de bevoorschotting naar voren halen. Als de activiteiten tijdelijk geheel of gedeeltelijk worden gestopt, dan moet in nader overleg bekeken worden welke gevolgen dit heeft voor de gemeentelijke bekostiging, ook gelet op kosten die doorlopen enerzijds en steunmaatregelen vanuit het Rijk voor bedrijven en zzp’ers anderzijds.

Wegvallen van andere inkomstenbronnen
Gemeenten kunnen bekijken welke mogelijkheid zij hebben om wegvallende bijdragen vanuit andere bronnen, zoals reclame-inkomsten, financieel te compenseren of extra advertentieruimte inkopen bijvoorbeeld ten behoeve van de communicatie over coronamaatregelen.

Aan de gemeenten verleende diensten plus te betalen huur en belastingen
Lokale omroepen hebben regelmatig aparte overeenkomsten met de gemeente over te verlenen diensten, bijvoorbeeld de verslaglegging van raadsvergaderingen en evenementen. De inkomsten hieruit zijn van wezenlijk belang. Het is daarom verstandig om coulant te handelen als diensten noodgedwongen niet, of slechts beperkt verleend worden vanwege corona. Ditzelfde geldt voor huur en belastingen die aan de gemeenten betaald moeten worden.

 

6. Hoe gaan we om met de sectoren cultuureducatie en cultuurparticipatie?
Op de website van het LKCA staat meer informatie hierover.

 

7. Hoe kunnen door gemeenten bekostigde culturele organisaties specifieke rijksondersteuning ontvangen?
Het Rijk heeft  €30 miljoen beschikbaar gesteld als noodhulp voor cruciale (pop)podia, musea en filmtheaters in de regionale culturele infrastructuur. Gemeenten en provincies moeten dit bedrag echter cofinancieren, hetgeen financieel lastig is.De rijksregeling die loopt via een aantal van de 6 rijkscultuurfondsen. ​In deze infographic (pdf) vindt u een overzicht van de verdeling en de wijze waarop er aanspraak op kan worden gemaakt.

Voordat het Rijk meer specifieke steun geeft wil het eerst de beschikking krijgen over een inventarisatie vanuit de VNG over de netto financiële corona-schade (dat wil zeggen inkomstenverlies enerzijds onder aftrek van algemene maatregelen zoals NOW en TOGS plus anderzijds opgeteld met eventuele extra kosten) bij de door gemeenten bekostigde culturele organisaties in de tijdvakken maart tot juni en juni tot september 2020. Het Rijk hanteert hierbij het compensatie-principe.

De VNG is sinds 24 april doende om deze gegevens bij een steekproef van gemeenten en bij de branches boven tafel te krijgen met het oog op een Bestuurlijk overleg financiële verhoudingen tussen de overheden op 26 mei.

Zie ook: Factsheet voor gemeentelijke steun aan cultuursector (14 juli 2020)

 

8. Hoe moeten gemeenten omgaan met sport en spel in BSO-verband?
De RIVM-richtlijn schrijft voor dat sporten buiten gebeurt. Tot nu toe is hier alleen een uitzondering voor gemaakt voor het basisschoolonderwijs: omdat zij een vaste groep leerlingen van 1 klas zijn, kunnen zij ook binnen sporten. Dat geldt niet voor een BSO, behalve als het gaat om groepen die op school ook in dezelfde samenstelling samen zijn en sporten, omdat zij in dezelfde klas op school zitten. Maar als het gaat om groepen die zijn samengesteld vanuit verschillende scholen of klassen, dan moeten ze dus buiten sporten.

 

9. Waar kan ik terecht voor informatie over de omvang en mogelijkheden van de coronacompensatie voor de lokale cultuur?
Raadpleeg hiervoor de gids Corona, cultuur en gemeenten (pdf). Deze gids helpt gemeenten bij het vormgeven van de noodsteun aan de cultuursector en laat zien hoe dit effectief kan worden ingezet.

 

10. Wat betekent de lockdown per 15 december 2020 voor de cultuur?

De openbare bibliotheken mogen open blijven voor het afhalen en brengen van gereserveerde boeken en voor activiteiten ten behoeve van kwetsbare groepen zoals georganiseerde en besloten huiswerkbegeleiding.

Andere culturele locaties, zoals musea, theaters, bioscopen, muziekscholen en centra voor de kunsten, worden gesloten voor het publiek. Amateurkunstbeoefenaren mogen daar niet repeteren of optreden. Professionele gezelschappen en spelers mogen er wel repeteren en opnames (voor bijvoorbeeld livestreams) maken.

Onduidelijk is nog de situatie van amateurkunst in eigen verenigingsaccommodaties. Overigens werd amateurzingen in groepen al eerder afgeraden.

 

11. Wat betekent de lockdown voor de sport?

  • Alleen buiten sporten is nog toegestaan. Volwassenen sporten alleen of met zijn tweeën met minimaal 1,5 meter afstand.
  • Volwassenen van 27 jaar en ouder mogen buiten op sportaccommodaties met maximaal 4 mensen sporten. De voorwaarde is wel dat zij 1,5 meter afstand houden.
  • Kinderen, jongeren en jong volwassenen tot en met 26 jaar mogen sporten in teamverband en wedstrijden onderling spelen. Echter alleen bij erkende sportaccommodaties en onder begeleiding.
  • En vanaf 13 jaar mogen ze na het sporten slechts met zijn tweeën bij elkaar komen.
  • Evenals in het voorjaar wordt opgeroepen om ook niet-leden toe te laten.
  • Publiek is echter niet toegestaan, alleen de noodzakelijke ouders/verzorgers van kinderen en begeleiders van volwassenen mogen aanwezig zijn.
  • De sportkantines, kleedkamers en douches moeten dicht blijven.
  • Voor topsporters zoals in de ere- en eerste divisie voetbal geldt een uitzondering.
  • Basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs mogen gebruik maken van gymzalen of binnensportaccommodaties voor hun gymlessen.
  • Zwemles is mogelijk voor kinderen tot en met 12 jaar, zodat zij hun A-, B- of C-diploma kunnen halen.

 

12. Wat betekent de lockdown per 15 december 2020 voor de media?

Werkenden in communicatie en media zoals bij de lokale publieke omroepen staan op de lijst van cruciale beroepen die doorgang moeten vinden. Volgens het kabinet ten behoeve van informatievoorziening aan de samenleving die van noodzaak is om op de hoogte te blijven van wat er speelt. Zij kunnen dus ook gebruik maken van de noodopvang voor hun kinderen.

Producenten in de audiovisuele sector mogen opnames maken voor bijvoorbeeld films, series, reclames en documentaires. Publiek is hierbij niet toegestaan. Dit mag in zowel studioruimten als op andere binnen- en buitenlocaties. Hiervoor geldt geen maximum aantal personen. Maar alleen als het noodzakelijk is voor het doorgaan van het dagelijkse werk. Bij de werkzaamheden wordt het protocol van de betreffende sector gevolgd.

 

13. Wat betekent de lockdown per 15 december 2020 voor de buurthuizen?

Buurthuizen (en vergelijkbare accommodaties zoals dorps- en gemeenschapshuizen, wijk- en ontmoetingscentra) mogen open blijven voor dienstverlening aan kwetsbare mensen.

Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan Wmo-dagbesteding voor demente ouderen o.a. bedoeld om mantelzorgers te ontlasten.

Ook bieden zij vaak ruimte voor activiteiten van (para)medische contactberoepen die doorgang mogen vinden zoals huisartsen, verpleegkundigen, ggz-begeleiders, medewerkers bloedafname.

Soms is er een dependance van het gemeente-loket, dat eveneens open mag blijven.

 

14. Hoe moet er worden omgegaan met de aanvragen voor evenementen?

Om duidelijkheid te bieden aan organisatoren van grote evenementen, gemeenten, hulpdiensten en aan de samenleving heeft het Veiligheidsberaad een landelijk advies uitgebracht ten aanzien van het vergunnen en toestaan van (grootschalige) evenementen te hanteren. Het samen volgen van een landelijke lijn biedt helderheid en consistentie.

Deze landelijke lijn is om evenementen van de categorie B en C niet plaats te laten vinden tot en met 5 mei 2021. Het betreft hier een advies, de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor het in behandeling nemen van aanvragen en toekennen van vergunningen ligt uiteraard bij de gemeente zelf. Vanzelfsprekend moet deze lijn worden bezien in het licht van de op dat moment geldende maatregelen.

Daarnaast worden de ontwikkelingen rondom de fieldlabs en pilots met evenementen nauwlettend gevolgd. In gesprek met het Rijk wordt gekeken naar mogelijkheden, die de resultaten van deze testevenementen bieden voor de (gedeeltelijke) opening van de evenementensector.

Terug naar boven