Op deze pagina vindt u veelgestelde vragen en antwoorden over onderstaande onderwerpen. De vragen zijn per onderwerp genummerd. Om die reden vindt u de nieuwste vragen onderaan het onderwerp. Mocht er een nummer ontbreken, dan is deze vraag inmiddels vervallen. 

Maatregelen lokale belastingen

1. Wat kunnen gemeenten voor ondernemers doen op het gebied van lokale belastingen?
Let op: dit is een werkdocument dat doorlopend wordt bijgewerkt. Wij doen geen uitspraken over lopende overleggen, maar zullen zo snel mogelijk over de uitkomsten communiceren.

Het is niet goed mogelijk om daarover één algemeen luidend advies te geven. Maar er is wel een aantal mogelijkheden voor tijdelijke tegemoetkoming van ondernemers:

  • Als al een aanslag is opgelegd, kan de ontvanger uitstel van betaling geven of een gespreide betalingsregeling treffen. Dit kan gebeuren op verzoek van individuele belastingschuldigen, maar er kan ook een beleid worden gevoerd voor bepaalde categorieën (bijvoorbeeld horecaondernemers) en voor bepaalde heffingen (bijvoorbeeld precario terrassen).

Op het gebied van de invordering en kwijtschelding van belastingen heeft de VNG als uitgangspunt dat gemeenten het Rijksbeleid volgen, tenzij de (lokale) omstandigheden een ander beleid rechtvaardigen c.q. noodzakelijk maken. Dat uitgangspunt is gekozen uit oogpunt van wenselijke uniformiteit voor belastingplichtigen.

Daarom kunnen wij ons goed voorstellen dat gemeenten voor wat betreft het verlenen van uitstel van betaling door Corona gerelateerde omstandigheden, aanknopen bij het Rijksbeleid. Het Rijk heeft zijn beleid versoepeld.

Het beleid is verwoord in een brief aan de Tweede Kamer van 19 maart 2020. Daarin staat dat iedere ondernemer die door de coronacrisis in financiële problemen is gekomen in aanmerking komt voor uitstel van betaling van zijn belastingschuld. Ondernemers kunnen met een brief uitstel van betaling aanvragen bij de Belastingdienst. Vanaf het moment dat de ondernemer zich meldt, wordt de invordering van zijn belastingschulden voor de inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, omzetbelasting/btw en loonbelasting direct stopgezet. Dat betekent dat de ondernemer feitelijk meteen uitstel van betaling krijgt. Voor uitstel langer dan drie maanden is aanvullende informatie nodig om te beoordelen of de financiële problemen hoofdzakelijk zijn veroorzaakt door de coronacrisis. De ondernemer kan de eerste drie maanden gebruiken om deze informatie te verstrekken.

Volgens de VNG is bij een uitstel van betaling i.v.m. het Coronavirus geen sprake van verboden staatssteun. Immers het uitstellen van de inning van gemeentelijke belastingen is niet anders dan het (ambtshalve of op verzoek) verlenen van uitstel van betaling. Uitstel leidt nog niet tot afstel. Dat is geen staatssteun. Het is mogelijk dat het uitstel uiteindelijk leidt tot oninbaarheid (zie art. 255, vijfde lid, Gemeentewet). Maar als ten aanzien van alle ondernemers hetzelfde beleid wordt gevoerd/dezelfde criteria worden gehanteerd, is van staatssteun geen sprake.

  • Als dat in de gemeente nog niet geldt, kan in de kwijtscheldingsregeling ook (beperkte) kwijtschelding voor ondernemers mogelijk worden gemaakt. Als kwijtschelding wegens onvermogen of geringe betaalcapaciteit op grond van de (landelijke) regels niet mogelijk is, kan het college (of de invorderingsambtenaar namens hem) een aanslag oninbaar verklaren (artikel 255 Gemeentewet).
     
  • Aanslagen kunnen later worden verzonden (bijvoorbeeld voorlopige aanslagen toeristenbelasting). Zolang de wettelijke termijn van 3 jaar niet wordt overschreden, verspeelt de gemeente daarmee geen rechten.
     
  • Op basis van de zogeheten hardheidsclausule (artikel 63 AWR) kunnen opgelegde aanslagen worden ingetrokken. Hiermee verspeelt de gemeente de mogelijkheid later alsnog te heffen. Dit zou kunnen worden overwogen bij bijvoorbeeld ‘evenementenleges’ voor evenementen die niet doorgaan (het belastbaar feit heeft zich wel voorgedaan omdat dit het in behandeling nemen van de aanvraag voor de vergunning is).
     
  • Wijzigen of intrekken van een belastingverordening (verlagen of laten vervallen van bepaalde tariefbepalingen of afschaffen van een belasting) waardoor bepaalde belastingen tegen een lager tarief of niet meer worden geheven (bijvoorbeeld precariobelasting of reclamebelasting). Dit kan desgewenst met terugwerkende kracht zolang de wijziging in het voordeel van belastingplichtigen is.
     
  • In alle gevallen is het van belang om een helder onderscheid te maken tussen gevallen waarbij wel een tegemoetkoming wordt gegeven en gevallen waarbij dat niet gebeurt. Ook is het zaak om objectief te motiveren waarom de grens is getrokken.
     
  • Het Rijk verlaagt vanaf 23 maart 2020 bij beleidsbesluit het percentage voor te betalen invorderingsrente tijdelijk van 4% naar 0,01%. Omdat de wet niet wijzigt, geldt het percentage van 0,01% niet automatisch ook voor gemeenten. Als de gemeente het rijksbeleid wil overnemen, dan adviseren wij om hierover als gemeente ook een beleidsbesluit te nemen.
     
  • Voor informatie over staatssteunmogelijkheden ter bestrijding van de economische gevolgen van de coronacrisis zie deze link.
     
  • Voor informatie over de maatregelen van het Rijk voor banen en economie zie deze link.

Het komt ons juist voor in deze crisissituatie geen overhaaste toezeggingen te doen. Het verlagen van belastingtarieven, het afschaffen van belastingen of het toepassen van de hardheidsclausule is een ingrijpende maatregel die altijd nog (met terugwerkende kracht) kan worden overwogen. Uitstel van betaling, een betalingsregeling of het op een later tijdstip binnen de driejaarstermijn opleggen van belastingaanslagen biedt op korte termijn soelaas voor ondernemers, waardoor niemand door de lokale belastingen nu in de problemen hoeft te komen.

 

2a. Kunnen wij de BIZ-bijdragen verlagen zonder draagvlakmeting of moet er toch een stemronde komen?
Er hoeft geen stemronde plaats te vinden, de tarieven in de verordening kunnen zonder draagvlakmeting worden aangepast. De bevoegdheid om te wijzigen vloeit voort uit artikel 216 Gemeentewet.

Naar de letter van de wet is een draagvlakmeting bij wijziging van de verordening niet nodig. De draagvlakmeting moet bij de instelling van de BIZ (artikel 4, lid 1, Wet BIZ) en bij iedere verlenging (artikel 3, lid 2 Wet BIZ) worden gehouden. Bij een wijziging hoeft dat dus niet (maar mag wel). De wijziging van de verordening kan voor bijdrageplichtigen wel een reden zijn om (alsnog) een tussentijdse draagvlakmeting te vragen (artikel 6, lid 2 Wet BIZ). Maar dat is in tijden van corona van later zorg.


2b. Kan een gemeente een BIZ verlengen na de looptijd van 5 jaar zodat we pas na de Coronacrisis besluiten hierover hoeven te nemen?
Na 5 jaar eindigt de BI-zone automatisch. In de wet staat niet binnen welke termijn de BI-zone moet worden verlengd. Het laten doorlopen van de bestaande BIZ-verordening is op grond van de wet niet mogelijk. Dat in de Wet op de bedrijveninvesteringszones een maximale termijn van 5 jaar is opgenomen, is om heroverweging van de wenselijkheid van de bedrijveninvesteringszone te garanderen. Het verlengen van de bedrijveninvesteringszone is immers niet per definitie in het voordeel van elke ondernemer.

 

3. Wat kunnen gemeenten doen om ondernemers te helpen op het gebied van toeristenbelasting?
Het opleggen van voorlopige aanslagen toeristenbelasting in de loop van het belastingjaar is een mogelijkheid, geen verplichting. De gemeente (heffingsambtenaar) kan daar dus van afzien. Het opleggen van definitieve aanslagen toeristenbelasting is pas mogelijk na afloop van het belastingjaar. Dit kan tot 3 jaar na het ontstaan van de belastingschuld (31 december 2020), dat is voor de toeristenbelasting dus tot en met 31 december 2023. Bij betalingsproblemen kan de invorderingsambtenaar op verzoek een betalingsregeling treffen.

 

4. Hoe moeten gemeenten met de WOZ-bezwaren omgaan tijdens de coronacrisis?
Op de website van toezichthouder de Waarderingskamer vindt u informatie over de effecten van de coronacrisis op de WOZ.

 

5. Hoe moeten gemeenten omgaan met de Rijksmaatregel van het verlagen van de invorderingsrente?
Het kabinet heeft in verband met het coronavirus in een nieuwe brief aan de Tweede Kamer een extra pakket maatregelen aangekondigd bovenop de fiscale en economische maatregelen die donderdag 12 maart zijn genomen. Het betreft onder meer verlaging van de invorderingsrente naar praktisch 0 procent.

Om te faciliteren dat ondernemers gemakkelijk uitstel van betaling aanvragen, heeft de staatssecretaris van Financiën vanaf 23 maart 2020 bij beleidsbesluit het percentage voor te betalen invorderingsrente tijdelijk verlaagd van 4% naar 0,01%.

Omdat de wet niet wijzigt, geldt het percentage van 0,01% niet automatisch ook voor gemeenten. Als de gemeente het rijksbeleid wil overnemen, dan adviseren wij om hierover als gemeente ook een beleidsbesluit te nemen.

 

6. Is een OZB-verlaging mogelijk voor specifieke doelgroepen, zoals detailhandel en horeca?
Het is niet mogelijk om bepaalde categorieën via de aanslag OZB te bevoordelen. De OZB is een objectieve belasting. Subjectieve vrijstellingen voor bepaalde categorieën zijn niet toegestaan. Het is bovendien niet toegestaan om de belasting afhankelijk te maken van inkomen, winst of vermogen (artikel 219 Gemeentewet). Dat geldt voor alle gemeentelijke heffingen.

 

7. Is het mogelijk de al vastgestelde OZB-tarieven te verlagen met terugwerkende kracht?
Ja. Het is mogelijk om de verordening OZB te wijzigen als belastingplichtigen daar voordeel van hebben. Het tarief voor de OZB moet voor ieder van de 3 categorieën belastingen afzonderlijk, dus

  • eigendom niet-woningen
  • gebruik niet-woningen 
  • eigendom woningen

echter gelijk zijn. Per categorie dus 1 vast tariefpercentage. Nadere differentiatie voor bepaalde categorieën is niet mogelijk. 

 

8. Kan de gemeente een hardheidsclausule toepassen op een complete verordening?
De hardheidsclausule is bedoeld voor onbillijkheden van overwegende aard die zich in bepaalde gevallen bij de toepassing van de belastingverordening kunnen voordoen. Voor een generieke toepassing kunt u de belastingverordening intrekken.

 

9. Kan een belastingverordening waarvoor inmiddels aanslagen zijn opgelegd, met terugwerkende kracht worden ingetrokken?
Ja, dat kan, want dit is ten gunste van de belastingplichtigen. Aan al opgelegde aanslagen ontvalt dan de grondslag. Deze moeten worden verminderd/vernietigd en terugbetaald. 

 

10. Kan een tariefgroep uit een belastingverordening waarvoor inmiddels aanslagen zijn opgelegd, op 0 worden gesteld of worden verwijderd uit de verordening?
In beginsel kan dat, maar dat is wel afhankelijk van de belastingsoort.

Bij de OZB is het tarief van de gebruikersbelasting voor alle niet-woningen hetzelfde. Dit geldt ook voor de eigenarenbelasting voor alle niet-woningen, of de eigenarenbelasting voor alle woningen (art. 220f Gemeentewet). De gemeente kan dus bijvoorbeeld wel de verordening OZB wijzigen en daarbij bijvoorbeeld het tarief gebruikersbelasting niet-woningen op nihil stellen (met terugwerkende kracht t/m 1 januari 2020). Al opgelegde aanslagen moeten worden verminderd/vernietigd en al betaalde aanslagen moeten worden terugbetaald.

Bij de precariobelasting is dit mogelijk door bijvoorbeeld het tarief voor terrassen op nihil te stellen, of uit de verordening te verwijderen. De gemeenteraad is vrij om te kiezen voor welke voorwerpen zij precariobelasting wil heffen.

 

11. Komt er uitstel voor het doen van de belastingaangifte voor mensen die hulp nodig hebben bij het invullen?
Dit gaat over rijksbelastingen. Alleen de Belastingdienst zelf kan uitspraken doen over uitstel hiervan. Inwoners kunnen contact opnemen met de belastingtelefoon of kijken op de website van de Belastingdienst.

 

12. Mogen we taxatieverslagen en ontvangstbevestigingen op bezwaarverzoeken via mail verzenden?
Uit artikel 2:15 Awb volgt dat elektronisch verkeer mogelijk is als de gemeente die wijze van communiceren kenbaar heeft opengesteld. Als dat in uw gemeente aan de orde is, lijkt er geen beletsel om elektronisch te communiceren.

Een mogelijke oplossing als dat niet het geval is, is proberen wederzijds overeenstemming te bereiken. Dat kunt u bijvoorbeeld doen door eerst elektronisch te communiceren en daarbij aan de geadresseerde te vragen of deze wijze van communiceren zijn of haar instemming heeft. Wij kunnen ons voorstellen dat een rechter daaraan achteraf zijn goedkeuring verleent.

 

13. Wat kan een gemeente zelf nog doen als zij haar bevoegdheid tot heffen en invorderen van belastingen heeft ondergebracht bij een belastingsamenwerking?
De gemeenschappelijke regeling (GR) geeft aan welke bevoegdheden zijn overgedragen aan het openbaar lichaam (OL)/bedrijfsvoeringsorganisatie (BO) en voor welke belastingen het OL/de BO bevoegd is.

Als een bevoegdheid is overgedragen, kan de gemeente de bevoegdheid niet meer uitoefenen. Het OL/de BO is bevoegd. De gemeente kan haar wensen natuurlijk wel kenbaar maken aan het OL/de BO en daarmee nadere afspraken maken. De gemeente kan weer bevoegd worden door de delegatie in te trekken. Daarvoor moet de GR gewijzigd worden.

Als de bevoegdheid is opgedragen aan het OL/de BO (mandaat/machtiging), dan blijft de gemeente ook zelf nog bevoegd.

In het algemeen geldt bij belastingsamenwerkingen dat de gemeente de bevoegdheid om belastingverordeningen vast te stellen niet overdraagt aan het OL (bij een BO kan dat niet eens, omdat dit een uitvoeringsorganisatie is). Dus als de gemeenteraad niet de GR is aangegaan, is de bevoegdheid tot vaststelling van belastingverordeningen (= invoeren, wijzigen of afschaffen van een belasting) in ieder geval niet overgedragen. Is de gemeenteraad de GR wel aangegaan, dan moet de gemeente weer in de GR zelf kijken welke bevoegdheden zijn overgedragen.

Als de gemeente wil dat bepaalde aanslagen voorlopig niet worden opgelegd, moet zij overleggen met het OL/de BO, omdat daarmee wordt afgeweken van afspraken die in de GR zijn vastgelegd. Dit heeft namelijk gevolgen voor de begroting van de OL/het BO en afdracht vanuit het OL/de BO aan de gemeente.

Als de gemeente bepaalde aanslagen wil terugbetalen, moet zij overleggen met het OL/de BO. Het terugbetalen moet een juridische grondslag hebben (denk aan de rechtmatigheidscontrole), bijvoorbeeld het toepassen van de hardheidsclausule. Door het hardheidsclausulebesluit vermindert de heffingsambtenaar de aanslag bij beschikking en betaalt de invorderingsambtenaar de betaalde belasting terug. Het geeft de OL/het BO dus meer werk.

Als de gemeente een invorderingstraject wil stopzetten, moet zij overleggen met het OL/de BO. De daartoe bij het OL/de BO aangewezen invorderingsambtenaar is bevoegd om uitstel van betaling te verlenen of een betalingsregeling te treffen. Als met stopzetten oninbaar lijden wordt bedoeld, zoals  in artikel 255, vijfde lid, Gemeentewet, moet de gemeente in de GR kijken of het college deze bevoegdheid aan het (dagelijks) bestuur van het OL/de BO heeft overgedragen. Oninbaar lijden is een interne, administratieve handeling. De belastingschuld gaat niet teniet.

 

14. Wie kan besluiten om af te zien van een heffing en welke rol/bevoegdheid heeft de raad hierbij?
De heffingsambtenaar is het bestuursorgaan dat de aanslagen oplegt. Hij kan besluiten dat niet te doen. Toepassing van een hardheidsclausule is een bevoegdheid van het college. Een besluit om een verordening helemaal niet uit te voeren is een besluit dat redelijkerwijs politieke dekking nodig heeft. Wij adviseren daarom om nu te besluiten geen aanslagen de deur uit te doen. De termijn daarvoor is 3 jaar, dus die tijd heeft de gemeente. Zo komt er niemand acuut in de problemen en heeft het college de tijd om ruggespraak te hebben met de raad over voorgenomen maatregelen.

 

15. Wie kan besluiten over (standaard) uitstel of een betalingsregeling voor gemeentelijke belastingen voor bedrijven?
Zowel de ontvanger (invorderingsambtenaar) als het college heeft deze bevoegdheid. In feite geldt hier hetzelfde als bij het vaststellen van de beleidsregels inzake de leidraad invordering. Een standaardregeling voor uitstel van betaling is ook een algemene instructie waarbij de voorkeur van de VNG uitgaat naar een besluit door het college. Zie voor meer informatie de toelichting op onze leidraad invordering op www.decentraleregelgeving.nl.

 

16. Hoe zou een besluit tot de toepassing van de hardheidsclausule er uit kunnen zien voor bijvoorbeeld precario op terrassen?
Het besluit zou als volgt kunnen luiden (uitgegaan is van de Modelverordening precariobelasting):

Het college van burgemeester en wethouders van [gemeentenaam]
gelet op artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met artikel 231, tweede lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet en [hoofdstuk 7 van de tarieventabel behorende bij de Verordening precariobelasting gemeentenaam [jaartal]];
Overwegende dat [... motivering waarom de hardheidsclausule wordt toegepast];
besluit:
Over de maand[en] […] van 2020 vindt geen heffing van precariobelasting ter zake van terrassen plaats. [Indien een jaartarief van toepassing is, wordt dit tarief naar tijdsgelang toegepast]

Datum:
Het college van burgemeester en wethouders voornoemd,
De secretaris,
De burgemeester,

Leeswijzer

  • […] of bijvoorbeeld [aantal] = door gemeente in te vullen
  • [iets] = facultatief

Terug naar boven

Ondersteuning inwoners

1. Hoe staat de VNG tegenover het statement van een aantal verhuurders om geen huisuitzetting te doen?

Een aantal verhuurders (Aedes, IVBN, Kences, Vastgoed Belang) heeft op 26 maart een statement tegen huisuitzetting gepubliceerd. De VNG steunt deze oproep. Gemeenten door heel Nederland zijn hard bezig om de noodmaatregelen van het kabinet verder vorm te geven. Voor de VNG en de gemeenten is het vanzelfsprekend dat huurders in deze coronacrisis niet op straat worden gezet.

 

4. Hoe kunnen gemeenten omgaan met problemen bij de voedselbank in hun gemeente?
Diverse gemeenten hebben te maken met voedselbanken die in de problemen (kunnen gaan) komen als gevolg van het coronavirus. Hun voedseldistributie komt in het gedrang door een combinatie van minder aanvoer van voedsel door het hamsteren en een terugloop van het aantal vrijwilligers dat inzetbaar is. Ook de praktische invulling van de werkzaamheden speelt een rol vanwege de richtlijn om anderhalve meter afstand tot anderen te houden, niet alle panden zijn daarvoor geschikt. Deze situatie heeft de volle aandacht van de Rijksoverheid (ministeries van SZW en LNV), de VNG en Voedselbanken Nederland. Gezamenlijk wordt hard aan oplossingen gewerkt, zodat onze kwetsbare inwoners niet de dupe worden.  
 
We roepen gemeenten op om actief de samenwerking te zoeken met de lokale voedselbank. We zien in het land al veel lokale initiatieven ontstaan, zoals samenwerking met horeca, tuinders of vrijwilligers. Die creatieve oplossingen juichen wij van harte toe en delen we via de site van de VNG, zodat gemeenten elkaar kunnen inspireren en kunnen helpen.

De Participatiewet biedt gemeenten uitdrukkelijk de ruimte om cadeaukaarten voor onder meer voedsel niet in mindering te brengen op de reguliere bijstandsuitkering. Op grond van artikel 31 tweede lid sub m Participatiewet kan de gemeente namelijk besluiten dat dit soort cadeaukaarten niet tot de middelen worden gerekend, en dus worden 'vrijgelaten'. Een cadeaubon wordt namelijk beschouwd als een gift en in voorkomende gevallen is het dan expliciet aan de gemeente om te beoordelen of zo’n gift uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is en zo ja, tot welk bedrag. Gelet op de huidige situatie in Nederland roepen het ministerie van SZW en de VNG de gemeenten op om de ruimte die de Participatiewet op dit punt biedt, zoveel mogelijk te benutten.

De Rijksoverheid (ministeries van SZW en LNV), de VNG en Voedselbanken Nederland hebben daarnaast gezamenlijk noodscenario’s klaargezet voor situaties waar geen oplossing gevonden kan worden. Het uitgangspunt is dat er altijd een oplossing moet zijn voor inwoners die afhankelijk zijn van de voedselbank. Het kabinet stelt daarom eenmalig een subsidie van vier miljoen euro beschikbaar als vangnet voor het calamiteitenfonds van Voedselbanken Nederland.

 

6. Een inwoner moet voor zijn/haar werk de grens met België over, is dit mogelijk?
Alleen voor de vitale sectoren is dit mogelijk. Hiervoor zijn speciale afspraken gemaakt: grensarbeiders in vitale sectoren en met cruciale beroepen kunnen sinds 22 maart een vignet gebruiken om sneller de grens tussen België en Nederland te passeren. Het vignet dient om te voorkomen dat grensarbeiders in vitale sectoren en met cruciale beroepen worden opgehouden bij de grens en kan enkel door hen worden gebruikt. Het vignet is aan te vragen op de website van het Nationaal Crisiscentrum.

Sinds woensdag 18 maart verbiedt België niet-essentiële reizen naar het buitenland, waaronder Nederland. De niet-essentiële reizen zijn verboden tot en met 8 juni 2020.

 

7. Een inwoner moet voor zijn/haar werk de grens met Duitsland over, is dit mogelijk?
Op dit moment geldt het volgende:

Ja dit is mogelijk, de grenzen met Duitsland zijn open. De Duitse overheid ontraadt niet-noodzakelijke reizen. Het is mogelijk dat de lokale autoriteiten vragen naar het doel van de reis, vooral bij het inreizen in Duitsland. Voor grenspendelaars die over de Duitse federale grens moeten pendelen, stelt de federale politie een pendelkaart ter beschikking.

Sinds 10 april geldt dat inreizenden die een meerdaags bezoek aan het buitenland hebben gebracht, 14 dagen in thuisquarantaine in Duitsland moeten. Deze regels gelden echter niet voor personen betrokken bij goederentransport en grenspendelaars (inclusief mensen werkzaam in de medische sector). Ook bij bezoeken aan Duitsland vanwege zwaarwegende sociale redenen (bijvoorbeeld het verzorgen van een ziek familielid in Duitsland) zou ontheffing van de quarantaine-plicht kunnen worden verleend. 

 

8. Met welke regels van onze buurlanden moeten grensgemeenten en inwoners momenteel rekening houden?

Voor gemeenten aan de Vlaamse grens
Sinds 18 maart geldt in België een verbod op niet-essentiële reizen naar het buitenland, waaronder Nederland. Een reis voor het werk valt niet onder dit verbod, waardoor de passage van grensarbeiders en goederen- en dienstenverkeer tot op heden gegarandeerd is. Voor werknemers in vitale sectoren geldt een vignet om sneller de grens over te kunnen. Bezoeken aan België om andere redenen dan werk, bijvoorbeeld toerisme, bezoek tweede huis of tanken, zijn verboden en kunnen worden bestraft.  

Verder vallen onder essentiële verplaatsingen:

  • professionele reizen
  • co-ouderschapsregelingen
  • hulp bieden aan een kwetsbaar persoon die in het buitenland woont
  • een begrafenis bijwonen binnen de familie
  • iemand binnen het gezin ophalen op een luchthaven in een van de buurlanden
  • dieren verzorgen die zich in het buitenland bevinden

Sommige grensovergangen tussen Nederland en België zijn aan de Belgische zijde gesloten. Hierdoor kunnen de Belgische autoriteiten de naleving van de regels gemakkelijker handhaven. Deze grensovergangen kunnen onder geen beding gepasseerd worden, ook niet in het kader van werk. Er moet gebruik worden gemaakt van de primaire grensovergangen, die wel geopend zijn.

De niet-essentiële reizen zijn verboden tot en met 8 juni 2020. Schending van dit verbod is strafbaar. De Belgische autoriteiten controleren actief op naleving ervan. Wie het verbod overtreedt, riskeert een boete tot € 4000 of maximaal 3 maanden gevangenisstraf.

Zie ook

Voor gemeenten aan de Duitse grens
De Duitse grenzen zijn open. De Duitse overheid ontraadt niet-noodzakelijke reizen. Het is mogelijk dat de lokale autoriteiten vragen naar het doel van de reis, vooral bij het inreizen in Duitsland. Bij dringende medische redenen – zoals een belangrijke geplande medische behandeling – mag Duitsland bezocht worden. Scholen, religieuze instellingen, niet-essentiële locaties en winkels blijven voorlopig gesloten, behalve levensmiddelenwinkels, apotheken, benzinestations en andere essentiële voorzieningen.

Vanaf 10 april moet iedereen die Duitsland inreist na een meerdaags verblijf in het buitenland, 14 dagen in thuisquarantaine en moet daarbij in contact blijven met de Duitse autoriteiten. Dit geldt ook voor personen die in Duitsland wonen. Op niet-naleving staan boetes die kunnen oplopen tot € 25,000. De regeling geldt niet voor grenspendelaars en goederentransport. In het grensgebied vinden verscherpte Duitse controles op inreizenden plaats.

Het streekvervoer kan worden gebruikt om naar werk te reizen, met inachtneming van de maatregelen die in Nederland én Duitsland gelden in het openbaar vervoer. In heel Duitsland moeten mensen in het openbaar vervoer en in de winkels vanaf 27 april een mondkapje dragen. Nederlanders die in het grensgebied wonen en in Duitsland werken en hun boodschappen halen, zijn dus verplicht om een mondkapje te dragen. Het gaat om doekjes die voor je en neus worden gebonden. Een sjaal mag bijvoorbeeld ook. Ook gelden verder de maatregelen van 1,5 meter afstand, een goede hoest- en niesdiscipline en handen wassen.

Overtreding van de maskerplicht is een administratieve overtreding in de zin van § 16, lid 4, CoronaSchVO. Een passagier die de verplichting om een masker te dragen niet nakomt, wordt door het personeel van de betreffende maatschappij eerst verzocht om onmiddellijk een mond- en neusdoek te gebruiken. Dit verzoek kan ook worden gedaan door middel van een aankondiging.  Als de passagier niet aan het verzoek voldoet, wordt hij/zij uit het voertuig en/of de inrichting verwijderd in het kader van de uitoefening van de rechten van de huisbewaarder.

Er wordt vanuit gegaan dat de passagiers door middel van aankondigingen in de voertuigen en op de stations gewezen worden op de verplichting om een masker te dragen.

Sinds 20 april mogen sommige kleinere winkels weer open, grote winkelcentra blijven echter dicht. Hotelovernachtingen voor toeristische bezoeken zijn in enkele deelstaten verboden. In de openbare ruimte moet iedereen minstens 1,5 meter afstand van elkaar houden. Grote bijeenkomsten zijn tot en met 31 augustus verboden.

Voor alle deelstaten geldt een zogenoemd contactverbod, waardoor mensen in het openbaar nog maar met maximaal 2 personen mogen samenkomen. Uitzonderingen zijn er voor gezinsleden en mensen die samen in een huishouden leven. Het verbod wordt streng gehandhaafd en op overtredingen staan forse boetes.

De lokale overheid neemt maatregelen in de aanpak van de verspreiding van het coronavirus. Deze maatregelen kunnen elkaar snel opvolgen. Het kan beperkingen opleveren voor het in- en uitreizen en het dagelijkse leven. Voor concrete maatregelen wordt geadviseerd de aanwijzingen van de lokale overheid op te volgen en het nieuws te volgen. 

Meer informatie

Nederland

België 

Duitsland

Terug naar boven

Ondersteuning ondernemers
 

1. Mogen gemeenten winkels toestaan om op Pinksterdagen open te zijn?

Ja. Omdat de Pinksterdagen in de Winkeltijdenwet zijn opgenomen als dagen waarop winkels niet open mogen zijn, moeten gemeenten dit wel in een gedoogbeslissing aangeven. De reden om deze verruiming toe te staan is om de spreiding van het aantal bezoekers in supermarkten goed te kunnen opvangen, gezien de verwachte drukte. De VNG adviseert gemeenten ook politie en boa te informeren over dit besluit, vanuit het oogpunt van handhaving.
 

3. Op welke manier kunnen gemeenten lokale ondernemers ondersteunen?
Door de maatregelen tegen het coronavirus derven veel zelfstandige ondernemers, onder wie zzp’ers, inkomsten. Het kabinet ondersteunt hen met een tijdelijke regeling, vooralsnog tot 1 juni 2020. Deze regeling voor zelfstandige ondernemers met financiële problemen wordt uitgevoerd door gemeenten.

 

4. Welke maatregelen heeft het kabinet ingesteld om ondernemers in financiële problemen te ondersteunen?
Het kabinet heeft 17 maart besloten om vanwege het coronavirus uitzonderlijke economische maatregelen te nemen. Doel is om naast de publieke gezondheid ook banen en inkomens te beschermen en de gevolgen voor zzp’ers, mkb-ondernemers en grootbedrijven op te vangen.


5. Welke aanvullende financiële ondersteuning kunnen gemeenten zelf bieden aan ondernemers en organisaties in relatie tot staatssteun?
Aanvullend op de door de rijksoverheid beschikbaar gestelde middelen kunnen gemeenten ook zelf financiële ondersteuning voor de gevolgen van corona aan ondernemers bieden. Welke methode voor extra financiële ondersteuning door de gemeente aan ondernemers geëigend is, hangt af van de voorkeur van de gemeente. In de basis gaat het om een keuze tussen wel of geen terugbetalingsverplichting. In de praktijk komt men allerlei namen tegen voor verschillende soorten subsidies, zoals exploitatiesubsidie of budgetsubsidie. De juridische betekenis van zulke namen is beperkt. Ze slaan vooral op het doel dat met de subsidie wordt beoogd en niet zozeer op de te subsidiëren activiteit.  

Hoe een betaling wordt genoemd, is niet van belang. Soms wordt iets subsidie genoemd terwijl het dat volgens de definitie in de Algemene wet bestuursrecht niet is. Ook het omgekeerde komt voor: er is sprake van een bijdrage of een uitkering, maar het gaat in feite om een subsidie. Onder het begrip 'subsidie' valt bijvoorbeeld niet:

  • een uitkering voor levensonderhoud, omdat subsidie moet worden verstrekt voor bepaalde activiteiten van de aanvrager. Dat wil zeggen dat de bestedingsrichting van tevoren duidelijk omschreven moet zijn;
  • een betaling voor goederen of diensten die ondernemers in ruil aan het bestuursorgaan zouden moeten leveren.  

Aan de andere kant kunnen kredieten, leningen, garanties, overeenkomsten of opdrachten soms net zo goed onder het begrip 'subsidie' vallen. Garanties zijn bijvoorbeeld subsidie als de overheid rente en aflossing garandeert van een krediet dat door een bank aan een derde is verstrekt. Een garantie is in de systematiek van de subsidietitel een subsidieverlening onder de opschortende voorwaarde dat zich een onzekere gebeurtenis voordoet.

Een lening door de overheid tegen een niet-marktconform tarief valt in beginsel ook onder het subsidiebegrip, als deze verstrekt wordt voor bepaalde activiteiten.  

Verder is het soms niet direct duidelijk of er in een concreet geval sprake is van een subsidie, of een overeenkomst die is gesloten in het kader van een overheidsopdracht. De MvT bij de subsidietitel verstaat onder ‘betaling’ het leveren van een tegenprestatie die is afgestemd op de waarde van de verkregen goederen of diensten in het economisch verkeer. Dit betekent niet dat iedere betaling boven de marktprijs een subsidie is. Dat is alleen het geval als de betaling onmiskenbaar zozeer boven de marktprijs ligt dat redelijkerwijs niet meer van betaling kan worden gesproken (MvT bij Derde tranche Awb, kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 33). Hierover bestaat de nodige jurisprudentie.  Het belangrijkste kenmerk van een overheidsopdracht is dat er sprake is van een overeenkomst onder bezwarende titel. Een bezwarende titel geeft aan dat er een verband bestaat tussen de betaling en de prestatie in die zin dat er afdwingbare wederzijdse verplichtingen bestaan.

Let op: bij het verstrekken van financiële maatregelen aan ondernemingen kan er sprake zijn van (ongeoorloofde) staatssteun. Meer informatie hierover staat op de website van het Kenniscentrum Europa decentraal. Kort gezegd komt het erop neer dat er sprake is van staatssteun wanneer er aan 5cumulatieve criteria wordt voldaan. Zolang maatregelen voor alle ondernemingen gelden en daarmee niet selectief van aard zijn, vallen ze niet onder de staatssteunregels. Financiële maatregelen vallen ook buiten de staatssteunsfeer wanneer een maatregel marktconform is of indien de maatregel geen (potentieel) effect op het interstatelijke handelsverkeer heeft.

Non-marktconformiteit betreft ieder economisch voordeel dat de betrokken onderneming zonder de overheidsmaatregel, dus onder normale voorwaarden, niet had verkregen. Om te bepalen of een investering (zoals een lening) van een overheidsinstantie staatssteun vormt, dient te worden beoordeeld of een particuliere investeerder in soortgelijke omstandigheden ertoe zou kunnen worden gebracht om een investering van vergelijkbare omvang te doen.

Zolang er niet meer dan een marginaal effect op het handelsverkeer tussen de lidstaten aan de orde is, wordt verondersteld dat de maatregel geen staatssteun oplevert. Als indicaties voor een marginaal effect noemt de Europese Commissie:

  • de steun leidt er niet toe dat economische vraag of investeringen naar de betrokken regio worden aangetrokken en werpt geen belemmeringen op voor de vestiging van ondernemingen uit andere EU-lidstaten;
  • de door de begunstigde onderneming geproduceerde goederen of diensten hebben een zuiver lokaal karakter of een geografisch beperkt aantrekkingsgebied;
  • er is een gering effect op de markten en consumenten uit aangrenzende lidstaten. 

Terug naar boven

Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers

1. Wat houdt de tijdelijke overbruggingsregeling voor zelfstandige ondernemers in?
De Tozo ondersteunt zelfstandig ondernemers, waaronder zzp’ers. Zelfstandigen kunnen aanvullende inkomensondersteuning ontvangen voor levensonderhoud en/of een lening voor bedrijfskapitaal. De regeling wordt uitgevoerd door gemeenten en is bedoeld voor mensen waarvan het inkomen als gevolg van de coronacrisis onder het sociaal minimum komt.

De tijdelijke regeling kent geen partner- en inkomens/vermogenstoets. Ook de check op levensvatbaarheid is geen voorwaarde in de regeling. Er is een regeling ontworpen die uitvoerbaar en verantwoord is. Aanvragers vallen onder het reguliere inlichtingenregime van de Participatiewet. Dit betekent dat aanvragers zo snel mogelijk en op eigen initiatief alle zaken melden, die redelijkerwijs van invloed zijn op het recht of op de hoogte van de overbrugging. In het geval van oneigenlijk gebruik of misbruik gelden de bestaande terugvordering- en boetebepalingen uit de Participatiewet.

Terug naar boven

Sport, cultuur en media

1. Hoe kan een gemeente omgaan met subsidies (bijvoorbeeld van evenementen) waarvan de verplichtingen niet worden nagekomen?
In beginsel adviseert de VNG om ook hier, waar mogelijk, coulant mee om te gaan. Of het gewenst en noodzakelijk is om te acteren op niet nagekomen verplichtingen, is in eerste instantie een politieke en beleidsmatige keuze. In juridisch opzicht zijn er 4 mogelijkheden. Het gaat hierbij steeds om discretionaire bevoegdheden van het bevoegd gezag:

1. Bij de subsidievaststelling met terugwerkende kracht

Het bestuursorgaan wacht tot de subsidievaststelling en kan de subsidie lager vaststellen indien de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of als de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen (artikel 4:46 Awb).

Bij het bepalen van de omvang van de verlaging moet rekening worden gehouden met het evenredigheidsbeginsel van art. 3:4 lid 2 Awb. Bij het niet voldoen aan verplichtingen moet een afweging worden gemaakt tussen het belang van handhaving van de verplichting en de gevolgen van de verlaging voor de subsidieontvanger. Daarbij zijn tevens de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de subsidie-ontvanger kan worden verweten van belang zijnde factoren.

2. Tot aan de subsidievaststelling met terugwerkende kracht

Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kan het bestuursorgaan de subsidieverlening met terugwerkende kracht intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen als de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden of als de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen (artikel 4:48 Awb).

Als sprake is van een subsidie voor voortdurende activiteiten kan het redelijk zijn om de intrekking niet verder te laten terugwerken dan tot het moment waarop de activiteiten zijn beëindigd of het moment waarop in strijd met de verplichtingen is gehandeld.

De verplichting tot betaling van een subsidiebedrag of een voorschot wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan aan de subsidie-ontvanger schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om toepassing te geven aan artikel 4:48 Awb, tot en met de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving van het ernstige vermoeden 13 weken zijn verstreken (artikel 4:56 Awb).

3. Tot aan de subsidievaststelling voor de toekomst

Zolang de subsidie niet is vastgesteld, kan het bestuursorgaan de subsidieverlening met inachtneming van een redelijke termijn voor de toekomst intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen voor zover veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten (artikel 4:50 Awb). In dit geval vindt de intrekking of wijziging plaats wegens omstandigheden bij het bestuursorgaan.

De lengte van de redelijke termijn hangt af van de aard van de subsidie en de gesubsidieerde activiteiten.

Deze intrekkings- of wijzigingsgrond komt niet aan de orde als een wettelijk voorschrift verplicht tot voortzetting van de subsidiëring. Intrekking is dan dus alleen mogelijk bij voldoende beleidsruimte. Verder vergoedt het bestuursorgaan bij een dergelijke intrekking of wijziging de schade die de subsidie-ontvanger lijdt doordat hij in vertrouwen op de subsidie anders heeft gehandeld dan hij zonder subsidie zou hebben gedaan.

4. Bij meerjarige subsidies voor een aansluitend tijdvak

Indien aan een subsidie-ontvanger voor 3 of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten, geschiedt gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidie voor een daarop aansluitend tijdvak op de grond, dat veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, slechts met inachtneming van een redelijke termijn (artikel 4:51 Awb). Ook hier gaat het om omstandigheden die liggen bij het bestuursorgaan.

Vergeleken met artikel 4:50 Awb ontbreekt hier de clausulering ‘in overwegende mate’. De bescherming van de subsidie-ontvanger na afloop van een subsidietijdvak is dus minder sterk dan die gedurende het subsidietijdvak. Een subsidieverstrekker heeft in ruime mate de vrijheid om nieuw beleid te formuleren en uit te voeren, daartoe al dan niet genoodzaakt door bezuinigingsoverwegingen. Ook hier geldt een redelijke termijn en het artikel is alleen toepasbaar voor zover de betrokken subsidieregeling beleidsvrijheid biedt om subsidie wegens veranderde inzichten of gewijzigde omstandigheden te weigeren.

Bezwaar en beroep
Zowel tegen de subsidieverlening als tegen de subsidievaststelling staan voor belanghebbenden bezwaar en beroep open. Dat is niet geregeld in de subsidiebeschikking zelf, maar vloeit voort uit het algemene stelsel van rechtsbescherming dat is vastgelegd in de hoofdstukken 6-8 Awb. Als tegen de subsidieverlening geen bezwaar en beroep is ingesteld, kunnen echter tegen de subsidievaststelling (situatie 1 hierboven) geen bezwaren meer worden ingebracht die tegen de subsidieverlening hadden kunnen worden ingebracht (formele rechtskracht).

 

2. Op welke wijze kunnen sportverenigingen ondersteuning ontvangen?

  • Als gemeenten sportaccomodaties verhuren aan sportverenigingen dan ontvangen zij het Rijk een specifieke uitkering, zodat zij in de periode 1 maart–1 juni 2020 de huur kunnen kwijtschelden.
  • Sportverenigingen met een eigen accommodatie worden geconfronteerd met omzetverlies en doorlopende lasten, maar komen vaak niet in aanmerking voor de rijksbrede regelingen. Als er 20% of meer omzetverlies is, dan kan een organisatie in aanmerking komen voor een eenmalige tegemoetkoming van maximaal € 2500,-. 
  • Amateursportverenigingen die in liquiditeits-problemen raken, kunnen een bancaire lening afsluiten tegen een lage rente. Reguliere leningen zijn voor hen immers vaak niet bereikbaar, omdat zij in veel gevallen niet aangemerkt worden als onderneming.

Een Kamerbrief met de technische uitwerking volgt snel. Zie ook: VNG-bericht 'Steunpakket van € 110 miljoen voor lokale sport' (1 mei 2020)

 

3. Waar kan ik meer informatie vinden over het effect van de maatregelen rond het coronavirus op sport en verenigingen?
Hiervoor kunt u terecht op de website van de Vereniging Sport en Gemeenten (VSG).

 

4. Wat kunnen gemeenten doen als lokale media in de financiële problemen komen door de coronacrisis?

Gemeentelijke bekostiging
Het is aan te raden dat gemeenten hun bekostiging in principe op peil houden. Het gaat namelijk om een cruciale voorziening en er is een gemeentelijke verplichting op basis van de Mediawet. Daarom roept de VNG op om de mediawettelijke bekostiging voor de lokale publieke omroepen van tenminste € 1,32 per huishouden op peil te houden. Lokale omroepen hebben de mogelijkheid om zich aan te passen aan de actuele situatie. Er zijn ook gemeenten die de bevoorschotting naar voren halen. Als de activiteiten tijdelijk geheel of gedeeltelijk worden gestopt, dan moet in nader overleg bekeken worden welke gevolgen dit heeft voor de gemeentelijke bekostiging, ook gelet op kosten die doorlopen enerzijds en steunmaatregelen vanuit het Rijk voor bedrijven en zzp’ers anderzijds.

Wegvallen van andere inkomstenbronnen
Gemeenten kunnen bekijken welke mogelijkheid zij hebben om wegvallende bijdragen vanuit andere bronnen, zoals reclame-inkomsten, financieel te compenseren of extra advertentieruimte inkopen bijvoorbeeld ten behoeve van de communicatie over coronamaatregelen.

Aan de gemeenten verleende diensten plus te betalen huur en belastingen
Lokale omroepen hebben regelmatig aparte overeenkomsten met de gemeente over te verlenen diensten, bijvoorbeeld de verslaglegging van raadsvergaderingen en evenementen. De inkomsten hieruit zijn van wezenlijk belang. Het is daarom verstandig om coulant te handelen als diensten noodgedwongen niet, of slechts beperkt verleend worden vanwege corona. Ditzelfde geldt voor huur en belastingen die aan de gemeenten betaald moeten worden.

 

5. Is er landelijke ondersteuning voor lokale media?
Ja, het ministerie van OCW heeft € 11 miljoen beschikbaar gesteld. Het gaat om een eenmalige bijdrage met een ondergrens van € 4.000 voor een periode van 3 maanden; van 15 maart tot en met 14 juni. Lokale media moesten zelf hun aanvraag indienen (van 11 t/m 19 april) bij het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek (SvdJ). De huis-aan-huiskranten ontvangen € 0,66 per huishouden in hun verzorgingsgebied, lokale omroepen ontvangen € 0,33. 

Het SvdJ verdeelt het rijksgeld via een Tijdelijk Steunfonds Lokale Informatievoorziening. Het SvdJ maakte eind april bekend dat het € 9,3 miljoen heeft verstrekt aan 181 lokale publieke omroepen en 410 huis-aan-huis bladen. Als deze media-organisaties aan alle voorwaarden voldoen dan wordt dit krediet na drie maanden omgezet in een uitkering.

Op de SvdJ-site staat een kaart van Nederland met de aantallen en typen gehonoreerde media-organisaties.

Na het toewijzen van de eerste kredieten is er ruimte ontstaan voor een verbreding van het Steunfonds voor drie doelgroepen die eerder geen aanspraak konden maken op de gelden. Het Steunfonds staat vanaf 15 mei open voor lokale nieuwsbladen, huis-aan-huiskranten met een lagere verschijningsfrequentie dan tweewekelijks en lokale nieuwswebsites. Om in aanmerking te komen voor steun konden deze organisaties tot en met 24 mei een aanvraag indienen via het SvdJ. Beslissingen volgen.

 

6. Hoe gaan we om met de sectoren cultuureducatie en cultuurparticipatie?
Op de website van het LKCA staat meer informatie hierover.

 

7. Hoe kunnen door gemeenten bekostigde culturele organisaties specifieke rijksondersteuning ontvangen?
Het Rijk heeft  € 30 miljoen beschikbaar gesteld als noodhulp voor cruciale (pop)podia, musea en filmtheaters in de regionale culturele infrastructuur. Gemeenten en provincies moeten dit bedrag echter cofinancieren, hetgeen financieel lastig is. De rijksregeling loopt via een aantal van de 6 rijkscultuurfondsen. Zodra hierover meer bekend is, vermelden we dat hier.

Voordat het Rijk meer specifieke steun geeft wil het eerst de beschikking krijgen over een inventarisatie vanuit de VNG over de netto financiële corona-schade (dat wil zeggen inkomstenverlies enerzijds onder aftrek van algemene maatregelen zoals NOW en TOGS plus anderzijds opgeteld met eventuele extra kosten) bij de door gemeenten bekostigde culturele organisaties in de tijdvakken maart tot juni en juni tot september 2020. Het Rijk hanteert hierbij het compensatie-principe.

De VNG is sinds 24 april doende om deze gegevens bij een steekproef van gemeenten en bij de branches boven tafel te krijgen met het oog op een Bestuurlijk overleg financiële verhoudingen tussen de overheden op 26 mei.

Terug naar boven