Op deze pagina vindt u veelgestelde vragen en antwoorden over onderstaande onderwerpen. De vragen zijn per onderwerp genummerd. Om die reden vindt u de nieuwste vragen onderaan het onderwerp. Mocht er een nummer ontbreken, dan is deze vraag inmiddels vervallen. 

Arbeidsvoorwaarden

1. Hoe kan de werkgever in het kader van ‘verplicht thuiswerken vanwege corona’ het beste omgaan met aanvragen van medewerkers voor (thuis)werkplekaanpassingen en faciliteiten?

Gemeenten moeten op dit moment alles op alles zetten om hun dienstverlening op orde te houden richting burgers. Dit vereist flexibiliteit van zowel de werkgever als van medewerkers. In de meeste gevallen beschikken medewerkers over middelen om thuis hun werk goed te kunnen doen.

Indien er medewerkers zijn die niet over een thuiswerkplek beschikken, dan is het aan gemeenten zelf om de afweging te maken om dit te faciliteren als de gemeentelijke dienstverlening daarbij gebaat is, of als dit zelfs essentieel is. Dat neemt niet weg dat werkgevers een arboverantwoordelijkheid hebben richting medewerkers, ook voor thuiswerkplekken. Indien er in dat licht middelen noodzakelijk zijn om thuis goed te kunnen werken, wordt geadviseerd om daarover overleg te voeren tussen werkgever en medewerker en te kijken wat de werkgever daar in alle redelijkheid in kan betekenen.

Kijk voor meer informatie op: https://www.aeno.nl/hulp-voor-thuiswerken.

Thuiswerken is nu een actueel HR-vraagstuk en het A&O fonds Gemeenten ondersteunt daar graag bij, met een bijzondere en snelle subsidieregeling bij actuele HR-vragen. Zie https://www.aeno.nl/nu-snelle-subsidie-vanwege-corona

 

2. Hoe om te gaan met medewerkers die vanwege het coronavirus niet mogen komen werken van het RIVM en niet thuis kunnen werken?

Als de medewerker niet thuis kan werken en als hij/zij verplicht naar huis wordt gestuurd, dan is sprake van loondoorbetaling. De werknemer wordt in dat geval namelijk niet in de gelegenheid gesteld om te werken.

 

3. Kan de gemeente een medewerker inzetten voor werkzaamheden voor de veiligheidsregio?

De gemeente kan de werknemer in geval van ramp of crisis aanwijzen om werkzaamheden te verrichten onder gezag van de veiligheidsregio op grond van artikel 11.6 lid 2 cao gemeenten en cao sgo.

Uiteraard moeten de medewerker wel toegerust zijn op de tijdelijke taak en moet de werkgever rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de medewerker. De coronapandemie en de overheidsmaatregelen vormen een buitengewone omstandigheid. De taken die de werkgever in de buitengewone omstandigheden heeft, kunnen liggen in het bestrijden van de crisis, de gevolgen van de crisis of in de continuïteit van essentiële taken.

 

4. Kan de gemeente een werknemer verplichten vakantiedagen op te nemen?

Nee, de gemeente kan een werknemer niet verplichten vakantiedagen op te nemen. De juridische grondslag hiervoor is artikel 7:638 BW.

 

5. Kan een werknemer een door de werkgever goedgekeurde vakantie eenzijdig annuleren?

De werkgever heeft op verzoek van de werknemer zijn/haar vakantie vastgesteld, maar de werknemer wil deze vakantie i.v.m. de coronacrisis cancelen. Kan de werknemer eenzijdig een eenmaal vastgestelde vakantie annuleren?

Wettelijk is geregeld dat de werkgever de vakantie vaststelt overeenkomstig de wens van de werknemer. Het annuleren van een eenmaal vastgestelde (goedgekeurde) vakantie is niet wettelijk geregeld. Als het annuleren van een eenmaal goedgekeurde vakantie ook niet is geregeld in het personeelshandboek, is de werkgever niet zonder meer verplicht om een annuleringsverzoek van de werknemer te honoreren. De werkgever moet dan zelf bepalen hoe deze daarmee om wil gaan.

Als er genoeg werk is, kan de werknemer in beginsel weer gewoon aan het werk gaan en worden de opgenomen verlofuren teruggeboekt. Is dat niet het geval, dan brengt 'goed werkgeverschap' met zich mee dat werkgever en werknemer met elkaar in overleg treden om gezamenlijk tot een oplossing te komen. Of de werkgever in dat geval al dan niet moet instemmen met de annulering, hangt af van wat na een afweging van de belangen in de gegeven omstandigheden ‘redelijk en billijk’ is.

 

6. Hoe kunnen wij als werkgever omgaan met vakantie en verlof in deze omstandigheden?

De VNG heeft voor werkgevers een beknopte handreiking opgesteld over vakantie en verlof. 

 

8. Mag de werkgever aan werknemers vragen om andere werkzaamheden te verrichten?

Ja, dat mag. Daarbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen twee situaties.

  1. De werkgever kan in buitengewone omstandigheden een werknemer verplichten om tijdelijk andere werkzaamheden te verrichten, als die werkzaamheden bijdragen aan de taken van de werkgever in die buitengewone omstandigheden. Dit staat in artikel 11.6 cao gemeenten en cao sgo.
  2. De werkgever kan ook reguliere taken en werkzaamheden aan de werknemer opdragen. Daarbij kan worden gedacht aan reguliere werkzaamheden die in de gegeven omstandigheden door ziekte van collega’s of tijdelijke inzet elders, niet (kunnen) worden verricht. Op grond van de gezagsverhouding die er tussen werkgever en werknemer bestaat en het feit dat de werknemer zich als een ‘goed werknemer’ dient te gedragen, is deze gehouden om aan redelijke verzoeken van de werkgever tegemoet te komen ( Taxi Hofman-arrest 1998).

 

9. Moet een werkgever werknemers toestaan om thuis te blijven voor de opvang van kinderen waarvan de school of kinderopvang is gesloten?

Hoewel de opvang van de kinderen primair een zaak van de ouders is, wordt werkgevers geadviseerd om in deze uitzonderlijke situatie begrip voor werknemers te hebben die er niet in slagen om de opvang (volledig) te regelen.
Van werknemers mag verwacht worden dat zij er alles aan doen om opvang te regelen voor die kinderen waarvoor opvang noodzakelijk is, dat wil zeggen voor kinderen die op de crèche of basisschool zitten.

Als er geen alternatieven voor opvang voorhanden zijn, dan mag – indien er sprake is van meer dan één ouder/verzorger - de opvang zoveel mogelijk gelijk over de partners worden verdeeld.

Calamiteiten- en kortdurende zorgverlof kunnen een oplossing zijn als een werknemer voor betrekkelijk korte tijd niet of slechts gedeeltelijk in staat is om zijn/haar werkzaamheden te verrichten. Deze vormen van verlof bieden geen soelaas voor gevallen waarin  een werknemer vanwege zorgtaken voor langere duur niet beschikbaar is.

Van zowel werkgever als werknemer mag inzet verwacht worden om tot een werkbare oplossing te komen. Advies van de VNG is om waar nodig maatwerkafspraken te maken. Bijvoorbeeld door het calamiteitenverlof en het kortdurende zorgverlof te laten volgen door in de cao opgenomen verlofvormen, waaronder (eventueel vervroegd) ouderschapsverlof, vakantieverlof, onbetaald verlof en (voor zover dat lokaal nog bestaat) compensatieverlof. Hiernaast kunnen ook afspraken worden gemaakt over de werktijden: bijvoorbeeld het aanbod om later uren in te halen. Eventueel kan ook een mix van deze afspraken en verlofvormen worden afgesproken, of kunnen ze worden aangevuld met (nieuwe) vormen van lokaal (volledig betaald, gedeeltelijk betaald of onbetaald) verlof (artikel 6.13 cao).

 

10. Moet een werkgever medewerkers toestaan om thuis voor zieke naasten te zorgen?

Ja, een verzoek van een medewerker voor kortdurend zorgverlof wordt toegestaan, tenzij de werkgever tegen het opnemen van verlof een zodanig zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang heeft, dat het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Om deze redenen kan al toegestaan verlof ook worden ingetrokken. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn bij functies die door de gemeente als essentieel zijn aangewezen. 

Op grond van artikel 6.7 cao gemeenten en cao sgo komt het kortdurend zorgverlof voor 50% voor rekening van de werknemer en voor 50% voor rekening van de werkgever.

 

11. Moet de gemeente haar werknemers thuis laten werken?

Net als voor andere werkgevers, geldt ook voor gemeenten het advies van de Rijksoverheid: 'Laat werknemers tot en met 19 mei 2020 zo veel mogelijk thuis werken. Overweeg daarom of thuiswerken voor uw werknemers mogelijk is. Daarnaast is de oproep aan u om de werktijden van uw werknemers zo veel mogelijk te spreiden.’ 

Kan de medewerker niet thuis werken, ondanks dat de medewerker dat wel wil en wordt hij/zij verplicht naar huis gestuurd, dan behoudt hij/zij wel recht op loondoorbetaling op grond van 7:628 BW.
 

12. Kunnen werkgevers in de sector gemeenten gebruik maken van de Noodmaatregel Overbrugging ter voorkoming van Werkloosheid (NOW)?
Het is onduidelijk of de regeling ook bedoeld is voor overheidssectoren. De Rijksoverheid (SZW) gaat ervan uit dat overheidssectoren niet tot nauwelijks een beroep op de regeling zullen doen. Overheidswerkgevers zijn niet formeel uitgesloten van de NOW-regeling. De NOW maakt geen onderscheid tussen private rechtspersonen (bijvoorbeeld BV, Stichting, Vereniging) en publiekrechtelijke rechtspersonen (bijvoorbeeld gemeente, GR). Wel moeten zij aan de formele voorwaarden voldoen om voor NOW-subsidie in aanmerking te komen. 

Een belangrijke voorwaarde is tenminste 20% omzetdaling. De definitie van omzet is breed. Het betreft de totale opbrengsten van een rechtspersoon of groep (concern). Waar rechtspersonen in de sector gemeenten activiteiten verrichten gefinancierd met publiek geld wordt geen omzetdaling verwacht, maar waar rechtspersonen in de sector gemeenten activiteiten verrichten gefinancierd met privaat gel kan een omzetdaling plaatsvinden.

Uiteindelijk is het totale verlies aan omzet of opbrengsten voor een rechtspersoon of de gehele groep (concern) leidend. Het ministerie van SZW heeft recent aangegeven dat er een verspoeling komt voor aanvragen van groepen (concern). Hiervoor geldt dat als de omzetdaling van het concern niet minstens 20% bedraagt, maar het omzetverlies van een individuele werkmaatschappij van het concern (onderdeel van het concern) wel ten minste 20% bedraagt, dan is het onder omstandigheden mogelijk om het omzetverlies van het concern buiten beschouwing te laten. Er mag dan worden uitgegaan van het omzetverlies van de individuele werkmaatschappij. Er gelden dan wel aanvullende voorwaarden voor deze werkmaatschappij. Enkele belangrijke voorwaarden.Het moet een private rechtspersoon zijn, een afspraak met bonden voor behoud van werkgelegenheid en er mag geen dividend (winstuitkering) of bonus worden uitgekeerd over het jaar 2020.

Voor de omzetdaling wordt aangesloten bij de omzetdefinitie van rechtspersonen of groep (concern) in de jaarrekening, die door de accountant wordt opgesteld en die ook voor overheidsorganisaties (gemeenten, gemeenschappelijke regelingen) van toepassing is. De financiële overzichten van rechtspersonen of groepen (concerns) worden door het UWV beoordeeld bij het vaststellen van de uiteindelijke NOW-subsidie. 
 
Meer informatie


13. Wat gebeurt er met de reiskostenvergoeding als een werknemer voor een langere periode niet naar het werk reist?
Het antwoord hierop heeft een arbeidsrechtelijke en een fiscale component.

Wat betreft het eerste, dit hangt af van de afspraken in de lokale regeling. En wat het tweede betreft, de belastingdienst heeft besloten dat voorlopig de vaste onkostenvergoeding ongewijzigd onbelast kan worden uitbetaald.

Arbeidsrechtelijk

Er is geen bepaling in het BW die het recht op reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer regelt. De kern is dat de reiskostenvergoeding niet centraal in de cao Gemeenten / SGO of in de CAR-UWO (Veiligheidsregio’s) is geregeld, maar wel geeft artikel 3:22 cao / CAR-UWO de mogelijkheid voor een lokale regeling reiskosten woon-werkverkeer. De tekst / bepalingen van de reiskostenregeling in de lokale regeling is rechtspositioneel leidend voor het wel of niet vergoeden van de reiskosten woon-werkverkeer. In de lokale regeling zal iets opgenomen moeten zijn over het mogelijk maken van wel of niet stoppen van de reiskostenvergoeding bij kortdurende afwezigheid (6 weken) of langdurige afwezigheid van de werknemer. Als in de lokale regeling is afgesproken dat de werkgever de reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer tijdens langdurige afwezigheid van de werknemer (door ziekte, vakantie of omstandigheden waaronder thuiswerken noodzakelijk is) aan de werknemer moet blijven vergoeden, dan moet de werkgever de reiskostenvergoeding blijven doorbetalen aan de werknemer. Als er in de lokale regeling niets is geregeld over vergoeding van reiskosten woon-werkverkeer bij langdurige afwezigheid, dan is de werkgever niet verplicht om de reiskostenvergoeding door te betalen aan de werknemer.

Fiscaal

Als in de lokale regeling is bepaald dat de werkgever de vaste reiskostenvergoeding moet blijven vergoeden, dan is de vraag of het fiscaal wel mag, dus of de vaste reiskostenvergoeding woon-werkverkeer belast of onbelast mag worden vergoed aan de werknemer. Hiervoor geldt dat de fiscale regels bepalen dat de vaste reiskostenvergoeding woon-werkverkeer bij korte (6 weken) of langdurige afwezigheid van de werknemer onbelast kan worden uitbetaald. Langdurige afwezigheid kan zijn ziekte, maar ook kabinetsmaatregelen zoals het dringende advies om thuis te werken. Als men langdurige afwezigheid van de werknemer verwacht, mag de vaste reiskostenvergoeding nog onbelast worden uitbetaald, gerekend vanaf de eerste dag van de langdurige afwezigheid gedurende de lopende en de eerstvolgende kalendermaand. De werkgever mag de vaste, onbelaste reiskostenvergoeding weer uitbetalen vanaf de maand volgend op de maand waarin de werknemer weer is gaan werken.

Concreet betekent dit dat de Belastingdienst volgens het huidige fiscale kader werkgevers de mogelijkheid geeft om in ieder geval tot 28 april (kabinetsmaatregelen) de vaste reiskostenvergoeding onbelast aan de werknemer te vergoeden. Als de kabinetsmaatregelen na 28 april voortduren, heeft de Belastingdienst inmiddels in het Beleidsbesluit fiscale maatregelen coronavirus, onder 4.2 (vaste reiskostenvergoeding woon-werk) aangegeven dat de vaste onkostenvergoeding ongewijzigd onbelast kan worden uitbetaald. De Belastingdienst verbindt daarbij geen gevolgen aan een wijziging in het reispatroon van een werknemer zolang de kabinetsmaatregelen van de coronacrisis van kracht zijn. Dit betekent dat de werkgever voor deze periode mag blijven uitgaan van de aangenomen feiten waar de vergoeding op gebaseerd is. Het beleidsbesluit geldt met terugwerkende kracht vanaf 12 maart en geldt totdat het ingetrokken wordt (nader order).

Meer informatie:

 

14. Hoe moeten wij onder de huidige omstandigheden (coronacrisis) als overheidswerkgever de eed of belofte bij een ambtenaar afnemen?

De eed of belofte laten afleggen door een ambtenaar is voor een overheidswerkgever een verplichting die voortvloeit uit artikel 5 van de Ambtenarenwet 2017. Volgens artikel 7 van de Ambtenarenwet 2017 moet de eed of belofte door de ambtenaar worden afgelegd overeenkomstig een bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld formulier. Met het Uitvoeringsbesluit Ambtenarenwet 2017 zijn de formulieren die gebruikt mogen worden vastgesteld (zie de bijlage bij dit besluit). In artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit Ambtenarenwet 2017 zijn enkele nadere regels gesteld over het afleggen van de eed of belofte.
De overheidswerkgever stelt een procedure vast omtrent de wijze van het afleggen van de eed of belofte (artikel 5, zesde lid, Uitvoeringsbesluit Ambtenarenwet 2017), hier zijn verder geen nadere eisen aan verbonden. Normaal gesproken wordt de eed of belofte afgelegd in een fysieke bijeenkomst/ceremonie zo kort mogelijk na de indiensttreding van de ambtenaar. Volgens de wet gebeurt dit “bij indiensttreding”. Om praktische redenen kan de aflegging van de belofte of eed binnen een periode tot maximaal drie maanden na de indiensttreding plaatsvinden.

Het is heel begrijpelijk dat in de huidige bijzondere omstandigheden (coronacrisis) gedurende een aantal weken geen fysieke bijeenkomsten/ceremonies plaatsvinden voor het afleggen van de eed of belofte. Dit is geen probleem. Voor de goede orde: de overige (integriteits)bepalingen van de Ambtenarenwet 2017 gelden gewoon, ook al is de eed of belofte nog niet afgelegd. Als de omstandigheden het weer toelaten om de ceremonies alsnog te laten plaatsvinden (eventueel in aangepaste vorm), kunt u deze gewoon weer hervatten (bijvoorbeeld vooralsnog in kleinere groepen met inachtneming van anderhalve meter afstand).

Meer informatie: 

Terug naar boven

Besluitvorming en bevoegdheden

1. Kan de gemeentesecretaris ondertekenen namens de heffingsambtenaar?
Ja, dat is mogelijk. Ondertekeningsmandaat is geen echt mandaat. De heffingsambtenaar neemt de beslissing op het bezwaar nog zelf, maar laat een ander de beschikking namens hem ondertekenen. Dat moet uit de beschikking kenbaar zijn, bijvoorbeeld door onder de ondertekening te zetten: ‘overeenkomstig het door de heffingsambtenaar genomen besluit’ gevolgd door de ondertekening met naam en functie van de houder van het ondertekeningsmandaat.

Ondertekeningsmandaat is niet mogelijk als een wettelijk voorschrift dat bepaalt of als de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Van beide is in dit geval geen sprake.

 

5. Kunnen gemeenten via een algemene kennisgeving kenbaar maken dat beslistermijnen als gevolg van het coronavirus worden opgeschort?

Het staat niet op voorhand vast dat een dergelijke handelswijze juridisch geoorloofd is. Vooropgesteld: de bijzondere omstandigheden in verband met het coronavirus en de ingrijpende noodmaatregelen ter voorkoming van verdere verspreiding van het virus vormen niet zonder meer een reden om beslistermijnen op te schorten.

Het hangt van het specifieke beleidsdomein en/of categorieën beschikkingen af in hoeverre dergelijke omstandigheden en maatregelen rond corona invloed hebben op de mogelijkheid om beslistermijnen te halen. Op grond van artikel 4:15 lid 2 sub c Awb wordt in geval van overmacht de beslistermijn voor het geven van een beschikking opgeschort. Het bestuursorgaan moet inzichtelijk kunnen maken waarom in het concrete geval van overmacht sprake is. Daarbij moet het verband tussen de ontwikkelingen rond corona en de overmacht worden gelegd.

In het algemeen geldt het volgende advies: in eerste instantie moet de gemeente toordelen over de vraag of per geval een mededeling kan worden gedaan dat de termijnen moeten worden opgeschort. Op grond van artikel 7:14 Awb geldt dit ook voor beslissingen op bezwaar. Is dat praktisch niet mogelijk, dan kan worden bekeken of er voor bepaalde categorieën beschikkingen in 1 keer een gerichte mededeling aan groepen van aanvragers van een beschikking en indieners van een bezwaarschrift mogelijk is. Een algemene kennisgeving daarvan is naar ons oordeel geoorloofd. De Raad van State heeft in zijn advies over het wetsvoorstel Tijdelijke wet COVID-19 van Justitie en Veiligheid ook op deze mogelijkheid gewezen.  

Normaal gesproken moet de opschorting van de beslistermijn, vóór het verstrijken van de beslistermijn, worden meegedeeld aan de aanvrager. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft eerder uitgemaakt dat als zeer grote aantallen aanvragen dat onmogelijk maken, bijvoorbeeld omdat het niet mogelijk is om al die aanvragers snel genoeg in een administratie in te voeren, het bestuursorgaan kan kiezen voor een algemene kennisgeving (ECLI:NL:RVS:2016:3232).

Het is verdedigbaar om in de huidige situatie eenzelfde redenering toe te passen: als gevolg van de huidige crisis en de naar aanleiding daarvan genomen maatregelen, is in zeer korte tijd een situatie ontstaan waardoor op een groot aantal aanvragen om beschikkingen (waaronder beslissingen op bezwaar) niet tijdig kan worden beslist. Daarbij is het goed voorstelbaar dat in bepaalde beleidsdomeinen of bij bepaalde categorieën beschikkingen dezelfde overmachtssituatie speelt. In die gevallen kan een algemene kennisgeving worden gegeven dat om reden van overmacht te beslistermijn wordt opgeschort. Daarbij moet wel worden vermeld om welke beleidsdomeinen/categorieën van beschikkingen het gaat. Ook moet worden aangegeven wanneer de beschikkingen zullen worden genomen (artikel 4:15 lid 3 Awb).

De algemene kennisgeving kan worden gedaan door een mededeling in een van de officiële publicatiebladen (Gemeenteblad) en berichten op de gemeentelijke website. Daarnaast kan worden gedacht aan social media. Het is bovendien raadzaam dat de beslissing tot het geven van een algemene kennisgeving op bestuurlijk niveau (veelal het college) wordt genomen.

 

6. Als de voorzitter van de veiligheidsregio een noodverordening vaststelt op basis van artikel 39 van de Wet Veiligheidsregio’s, moet deze dan ook worden bekrachtigd door de gemeenteraad?
Nee, een noodverordening van de voorzitter van de veiligheidsregio wordt niet bekrachtigd door de gemeenteraad.

Het vervallen van een noodverordening als hij niet door de gemeenteraad wordt bekrachtigd (artikel 176, derde lid, van de Gemeentewet) gebeurt bij een noodverordening die is vastgesteld door de burgemeester, niet bij een noodverordening die op grond van artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s is vastgesteld door de voorzitter van de veiligheidsregio. Dat volgt eigenlijk al uit het systeem van de Wet veiligheidsregio’s: het gaat immers om een bovenlokale aanpak. Uit artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s volgt dat artikel 176, derde tot en met zesde lid, van de Gemeentewet niet van toepassing is op een noodverordening van de voorzitter.

Wel wordt er (na afloop van de crisis) verantwoording afgelegd aan de gemeenteraad. Zie daarvoor artikel 40 van de Wet veiligheidsregio’s. De voorzitter brengt, in overeenstemming met de burgemeesters uit het regionaal beleidsteam, verslag uit over zijn besluiten en het verloop van de gebeurtenissen. In dat verslag staat ook of een burgemeester aantekening heeft laten maken van zijn eventuele bezwaren tegen besluiten van de voorzitter. Dat verslag gaat naar de gemeenteraden.

Door de raden gestelde vragen worden door de voorzitter schriftelijk beantwoord, weer in overeenstemming met de burgemeesters uit het regionaal beleidsteam. Op verzoek van een gemeenteraad geeft de voorzitter de desbetreffende gemeenteraad mondeling inlichtingen. Een afschrift van dat verzoek gaat naar de commissaris van de Koning. Er is geen institutionele relatie tussen de voorzitter van de veiligheidsregio en de gemeenteraad. De raad kan besluiten zijn oordeel over het besluit ter kennis te brengen van de minister, via de commissaris van de Koning.

 

9. Hoe zijn de verantwoordelijkheden verdeeld tussen Rijk, voorzitter veiligheidsregio en lokale burgemeester?
In geval van de preventie en bestrijding van een epidemie van een infectieziekte, zoals het coronavirus (COVID-19), spelen 2 wetten een belangrijke rol:

  • de Wet publieke gezondheid (Wpg)
  • de Wet op de veiligheidsregio’s (Wvr)

1. De bevoegdheden van de minister van Medische Zorg en Sport 

Artikel 7 lid 1 Wpg regelt dat de Minister van Medische Zorg de leiding heeft bij de bestrijding van een infectieziekte uit groep A, zoals het coronavirus. De Minister kan de voorzitters van de veiligheidsregio opdragen hoe de bestrijding ter hand te nemen en gelasten de door hem besloten maatregelen uit te voeren. De Minister kan dat doen via een aanwijzingsbesluit aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s.

Op 12 maart 2020 heeft het kabinet besloten dat alle evenementen met meer dan 100 personen in heel Nederland in de periode van 13 maart tot en met 31 maart 2020 worden afgelast. Dat geldt ook voor publieke locaties zoals musea, concertzalen, theater en sportclubs en sportwedstrijden. De minister van Medische Zorg heeft mede namens de minister voor Justitie en Veiligheid een aanwijzing gegeven aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s om hun bevoegdheden op het terrein van openbare orde en veiligheid in te zetten om de verdere verspreiding van COVID-19 tegen te gaan.

Op 15 maart 2020 heeft het kabinet aanvullende maatregelen bekendgemaakt. De al genomen maatregelen zijn verlengd tot 28 april 2020. Daarnaast is opdracht gegeven om met ingang van 15 maart 2020 om 18.00 uur eet- en drinkgelegenheden, sport- en fitnessclubs, sauna’s, seksinrichtingen en coffeeshops te sluiten. Uitgezonderd van deze opdracht zijn hotels, thuisbezorgde maaltijden en catering.

2. De bevoegdheden van de voorzitter van een veiligheidsregio

Op grond van artikel 6 lid 4 Wpg draagt de voorzitter van de veiligheidsregio zorg voor de bestrijding van een epidemie van een infectieziekte uit groep A. De Wpg kent hem, bij uitsluiting van andere bestuursorganen, verschillende bevoegdheden toe. De voorzitter kan bijvoorbeeld in het geval van een besmetting waarbij ernstig gevaar dreigt voor de volksgezondheid, gebouwen of terreinen dan wel gedeelten daarvan sluiten (artikel 47 Wpg). 

De voorzitter kan ook andere maatregelen treffen, op grond van de Wvr. Zie artikel 39 Wvr. De voorzitter kan in geval van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis, of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, bij uitsluiting toepassing geven aan de (nood)bevoegdheden van burgemeesters ter handhaving van de openbare orde.

De verspreiding van het coronavirus is aan te merken als een ramp en/of als een crisis in de zin van artikel 1 Wvr.

Het is daarnaast ook duidelijk dat het gaat om een ramp en/of crisis van ‘meer dan plaatselijke betekenis’. De aanpak van het coronavirus vraagt immers om maatregelen die de gemeentegrenzen overstijgen.

In deze situatie schaalt de voorzitter door het bijeenroepen van een regionaal beleidsteam op naar de Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdings Procedure van het type 4 (GRIP4). Binnen deze procedure is geregeld hoe de coördinatie tussen hulpverleningsdiensten verloopt.

De bevoegdheden die de voorzitter op het terrein van openbare orde en veiligheid vervolgens heeft, zijn omschreven in de artikelen 172 tot en met 177 van de Gemeentewet. De voorzitter kan bijvoorbeeld een noodbevel geven of een noodverordening vaststellen (om de door de Minister afgekondigde maatregelen uit te voeren en te handhaven). Handelen in strijd met de voorschriften uit de noodverordening is strafbaar gesteld in artikel 443 van het Wetboek van Strafrecht. Dit wordt bestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.

3. De bevoegdheden van de lokale burgemeester

De voorzitter is volgens artikel 39 Wvr bij uitsluiting bevoegd om aan de genoemde bepalingen uit de Gemeentewet toepassing te geven. Dat betekent dat de bevoegdheden van de lokale burgemeesters ter bestrijding van het coronavirus beperkt zijn. 

De reden daarvoor is dat juist bij bovenlokale rampen en crisis het van groot belang is dat het bezag berust bij een persoon en dat de hiërarchische verhoudingen duidelijk zijn. Dat de bestaande verhoudingen daarbij worden doorbroken, is onvermijdelijk en een door de wetgever gemaakte welbewuste keuze. 

De lokale burgemeesters blijven echter wel degelijk betrokken. Zij hebben zitting in het door de voorzitter bijeen te roepen regionaal beleidsteam (RBT) (artikel 39 lid 2 Wvr). De voorzitter neemt alleen een besluit nadat hij het RBT daarover heeft geraadpleegd (tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet). Een burgemeester kan in het RBT schriftelijk bezwaar doen aantekenen indien hij van mening is dat het voorgenomen besluit het belang van zijn gemeente onevenredig schaadt (artikel 39 lid 4 Wvr).

Daarnaast blijft de lokale burgemeester bevoegd om maatregelen te nemen voor onderwerpen die als gevolg van of in het kader van de huidige crisis spelen. Het gaat daarbij om onderwerpen die van alleen lokaal belang zijn en buiten het bereik van de noodverordening van de voorzitter van de veiligheidsregio vallen.

 

10. Is er een protocol/draaiboek waarin de rol van een gemeente bij de coronacrisis is beschreven?
De VNG adviseert gemeenten vooral contact te zoeken met de lokale GGD en het nieuws vanuit het RIVM te volgen. Voor een lokale GGD verwijzen wij naar de website van de GGD.

 

11. Kunnen gemeenten beslistermijnen voor beschikkingen en bezwaarschriften opschorten?
Voor beschikkingen en beslissingen op bezwaarschriften gelden wettelijke beslistermijnen. De termijn voor het geven van een beschikking wordt echter van rechtswege opgeschort zolang het bestuursorgaan door overmacht niet in staat is een beschikking te geven (artikel 4:15, lid 2 onder c Awb). Dit geldt ook voor beslissingen op bezwaar (artikel 7:14 Awb).

Door corona kunnen gemeenten inderdaad in een situatie van overmacht komen. Het is dan nog wel noodzakelijk dat het bestuursorgaan voor het verstrijken van de beslistermijn aan de aanvrager meedeelt dat de beslistermijn is opgeschort, alsmede binnen welke termijn de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:15 lid 3 Awb). Ook dit geldt voor beslissingen op bezwaar (artikel 7:14 Awb).

Het is aan gemeenten zelf om te bepalen of er daadwerkelijk sprake is van een situatie van overmacht.

De minister voor Rechtsbescherming ziet vooralsnog onvoldoende reden om in aanvulling op deze overmachtbepaling een algemene wettelijke  regeling of een regeling op deelterreinen te treffen om de opschorting van beslistermijnen vanwege overmacht van rechtswege mogelijk te maken. Ook ziet de minister op dit moment onvoldoende aanleiding om de regels in de Awb over de dwangsom en de positieve fictieve beschikking (lex silencio positivo) bij niet tijdig beslissen tijdelijk buiten werking te stellen. Voor dergelijke aanvullende regels zou alleen noodzaak bestaan als sprake is van een onbeheersbare en acute noodsituatie. Dit blijkt uit het nader rapport van de minister over het wetsvoorstel Tijdelijke wet COVID-19 van Justitie en Veiligheid.

 

12. Waar vind ik meer informatie over termijnen waar gemeenten aan gehouden zijn door bijvoorbeeld het Rijk?
Hier vindt u een actueel overzicht van termijnen voor gemeenten die uitgesteld zijn naar aanleiding van de coronamaatregelen.


    14. Waar kan ik terecht met vragen over de regionale noodverordening?

    Hiervoor kunnen gemeenten terecht bij hun eigen Regionale Veiligheidsregio.

     

    15. Waar staat meer informatie over de landelijke model-noodverordening?
    De modelverordening en verwante informatie staan op de site van het Veiligheidsberaad. Voor meer informatie over de landelijke noodverordening kunt u contact opnemen met het Veiligheidsberaad: per telefoon (026 355 24 00) of per mail (info@veiligheidsberaad.nl).

     

    17. Mag een gemeente een digitale hoorzitting in een bezwaarschriftenprocedure hanteren?
    De wetgever heeft ervan afgezien de gang van zaken tijdens het horen uitvoerig vast te leggen, omdat - zoals de memorie van toelichting zegt - er sterke onderlinge verschillen tussen de onderscheiden gevallen van bezwaar bestaan. Volstaan is met een aantal minimumeisen waaraan voldaan moet worden (de artikelen 7:2-7:8 Awb). Er mag van worden uitgegaan dat in elk geval het horen niet uit louter luisteren bestaat, maar dat op de opmerkingen wordt gereageerd.

    Voor digitale hoorzittingen kan een vergelijking worden gemaakt met telefonisch horen. Volgens het kabinetsstandpunt over de eerste evaluatie van de Awb (Kamerstukken II 1997/98, 25600-VI, 46, p. 28) is in tweepartijengeschillen telefonisch horen mogelijk, als de belanghebbende daarmee instemt en  mits een en ander voldoende zorgvuldig geschiedt (gevolgd in ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:458, JB 2016/76). Voor zover de belanghebbende daarmee instemt, kan de hoorzitting daarom ook langs digitale weg plaatsvinden. De veronderstelling daarbij is wel dat de belanghebbende over de technische mogelijkheden beschikt om digitaal contact te kunnen hebben met het bestuursorgaan.

    Gelet op de maatregelen die met het oog op de verdere verspreiding van COVID-19 zijn genomen, is fysiek horen misschien niet mogelijk. Als de belanghebbende niet instemt met een digitale hoorzitting en ook niet afziet van een fysieke hoorzitting, zal de hoorzitting moeten worden uitgesteld. Dit betekent mogelijk dat de beslistermijn moet worden opgeschort. Het bestuursorgaan moet van die opschorting mededeling doen aan de belanghebbende (artikel 4:15 lid 3 jo. artikel 7:14 Awb).

     

    18. Mogen gemeenten een fysieke samenkomst organiseren met inwoners?
    Het huidige verbod op evenementen met vergunnings- en meldingsplicht is verlengd tot 1 september. Het beleggen van een samenkomst met burgers valt echter niet als een ‘evenement’  aan te merken in de zin van de noodverordeningen.

    Wat betreft samenkomsten:   
    Het is op grond van de noodverordeningen verboden om samenkomsten te laten plaatsvinden, te (laten) organiseren of te laten ontstaan, dan wel aan dergelijke samenkomsten deel te nemen.

    Hierbij gelden de volgende uitzonderingen:

    • De volgende samenkomsten mogen wel plaatsvinden, mits de aanwezigen te allen tijde ten minste 1,5m afstand houden:
      • Wettelijk verplichte samenkomsten, zoals raadsvergaderingen - mits daarbij niet meer dan 100 personen aanwezig zijn - en vergaderingen van de Staten-Generaal;
      • Samenkomsten die nodig zijn voor de continuering van de dagelijkse werkzaamheden van instellingen, bedrijven en andere organisaties, mits daarbij niet meer dan 100 personen aanwezig zijn;
      • Uitvaarten en huwelijksvoltrekkingen, mits daarbij niet meer dan 30 personen aanwezig zijn;
      • Samenkomsten waarbij het recht van een persoon om zijn godsdienst of levensovertuiging vrij te belijden wordt uitgeoefend (artikel 6 van de Grondwet), mits daarbij niet meer dan 30 personen aanwezig zijn;
    • Personen mogen zich buiten (in de openbare ruimte) wel met meerdere mensen in een groep ophouden, maar alleen als zij 1,5 meter afstand kunnen bewaren en dit geen ‘samenkomst’ is. Als mensen buiten samenkomen met het doel om gezamenlijk een activiteit te verrichten (samen sporten of muziek maken), mag dat dus niet.

    Omdat hierin de noodverordening van de Veiligheidsregio leidend is, is het advies om altijd een check te doen bij de veligheidsregio.

     

    19. Hoe zijn de lokale burgemeesters betrokken bij de noodverordening en hoe kan de gemeenteraad zijn controlerende rol daarbij uitoefenen?
    In de Wet veiligheidsregio’s is geregeld hoe verantwoording wordt afgelegd over het optreden bij een bovenlokale ramp of crisis. In een GRIP4 situatie, zoals die bij de bestrijding van corona aan de orde is, roept de voorzitter van de veiligheidsregio een regionaal beleidsteam (RBT) bijeen. Daaraan nemen onder meer de burgemeesters van de gemeenten deel die betrokken zijn bij de ramp of crisis.

    De voorzitter stelt de noodverordening of ander besluit pas vast, als hij het RBT daarover heeft geraadpleegd (tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet). Een burgemeester kan in het RBT schriftelijk bezwaar laten aantekenen, als hij van mening is dat een voorgenomen besluit het belang van zijn gemeente onevenredig schaadt. Als er overeenstemming bestaat over de te nemen maatregelen, kan het door de voorzitter van de veiligheidsregio genomen besluit worden beschouwd als besluit van alle in het RBT vertegenwoordigde burgemeesters.
     
    Vervolgens wordt er, na afloop van de crisis, verantwoording afgelegd aan de gemeenteraad. De voorzitter brengt verslag uit over zijn besluiten en het verloop van de gebeurtenissen, in overeenstemming met de burgemeesters uit het RBT. In dat verslag staat ook of een burgemeester aantekening heeft laten maken van zijn eventuele bezwaren tegen besluiten van de voorzitter. Dat verslag gaat naar de gemeenteraden.

    Door de raden gestelde vragen worden door de voorzitter schriftelijk beantwoord, weer in overeenstemming met de burgemeesters uit het RBT.  Als de burgemeesters in het RBT hebben ingestemd met de besluiten van de voorzitter van de veiligheidsregio, kunnen zij mondeling verantwoording afleggen in hun eigen raad over het optreden tijdens de crisis. Op verzoek van een gemeenteraad kan ook de voorzitter de desbetreffende gemeenteraad mondeling inlichtingen geven. Een afschrift van dat verzoek gaat naar de commissaris van de Koning.

    Er is geen institutionele relatie tussen de voorzitter van de veiligheidsregio en de gemeenteraad. De raad kan besluiten zijn oordeel mee te delen aan de minister, via de commissaris van de Koning.

     

    20. Hoe moet er worden omgegaan met een evenementenvergunning die op basis van de APV werd verleend vóór de inwerkingtreding van de noodverordening van de Veiligheidsregio?

    De noodverordening van de Veiligheidsregio verhindert dat een verleende evenementenvergunning wordt gebruikt. Tot 1 september 2020 is het immers verboden om evenementen te laten plaatsvinden of ontstaan, dan wel aan evenementen deel te nemen. Een vergunning die op basis van uw APV rechtsgeldig is verleend vóór de afkondiging van de noodverordening van de Veiligheidsregio, kan tíjdens de periode waarin het verbod uit de noodverordening van kracht is dus niet worden benut. Wat dat betreft zet de noodverordening de APV opzij.

    Hoewel het vanwege dit verbod niet strikt noodzakelijk is, kan de vergunning eventueel worden ingetrokken; artikel 1:6 onder b, van de (VNG model-)APV biedt daarvoor de grondslag. In deze bepaling is geregeld dat intrekking van een vergunning mogelijk is op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, die is opgetreden na het verlenen van de vergunning en waarbij intrekking noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist. De verandering van de omstandigheden bestaat hier uit de (verdere) uitbraak van het coronavirus en de afkondiging van de noodverordening. Een van de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist, is de volksgezondheid. Zie hiervoor artikel 1:8, eerste lid onder c, van de (VNG model-)APV.

    Terug naar boven

    Spoedwet digitale besluitvorming

    1. Mag de gemeenteraad op een digitale manier besluiten nemen?

    Dit is geregeld in de tijdelijke wet digitale beraadslaging en besluitvorming die onmiddellijk bij publicatie van het Staatsblad op 9 april 2020 in werking is getreden.

     

    2. Voldoet audiostreaming bij fysiek vergaderen zonder publiek aan het openbaarheidscriterium?

    Nee, artikel 23 Gemeentewet schrijft voor dat raadsvergaderingen openbaar zijn. Ook met een gesloten tribune is de raadsvergadering nog steeds openbaar als deze gestreamd wordt of live op tv uitgezonden. Alleen audiostreaming is dan echter niet voldoende omdat de leden daarbij onvoldoende herkenbaar zijn om van een openbare vergadering te spreken.

     

    3. Waar staat eigenlijk in de Gemeentewet dat digitaal vergaderen niet mag?

    Dit volgt uit artikel 20 van de Gemeentewet waarin staat dat de vergadering van de raad niet wordt geopend, voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. Met ‘tegenwoordig’ wordt bedoeld dat raadsleden fysiek aanwezig moeten zijn.

     

    4. Kan de gemeenteraad deels fysiek en deels digitaal vergaderen?

    Uit de Tijdelijke wet digitale beraadslaging en besluitvorming blijkt dat een digitale raadsvergadering pas kan worden geopend indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden in een digitale omgeving deelneemt aan die vergadering. Een fysieke vergadering kan pas worden geopend indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. Deze voorwaarde dwingt dus tot een keuze tussen digitaal of fysiek vergaderen.

    Om deel te nemen aan een digitale vergadering is afzonderlijke toegang tot die vergadering een vereiste. Dit staat in artikel 2.3, tweede lid van de tijdelijke wet. Een gezamenlijke toegang is daardoor niet toegestaan. Een belangrijke overweging daarbij is dat alle leden op dezelfde manier toegang moeten hebben tot de vergadering omdat verschillen daarin kunnen doorwerken in de dynamiek van een beraadslaging en dit speelveld gelijk hoort te zijn.

    De burgemeester wijst als voorzitter van de gemeenteraad de plaats van de vergadering aan. De voorzitter kan een digitale omgeving als plaats voor de vergadering aanwijzen. Het is aan te bevelen om hierover eerst overleg te voeren met bijvoorbeeld de fractievoorzitters of het presidium.

     

    5. Zijn besloten digitale vergaderingen mogelijk?

    Besloten digitale vergaderingen zijn niet mogelijk. Met de huidige techniek valt de beslotenheid niet na te gaan als alle leden vanuit huis deelnemen aan een digitale vergadering.

     

    6. Zijn er ook mogelijkheden om inwoners die geen toegang hebben tot internet/digitale middelen de digitale vergadering te laten volgen?

    Het staat gemeenten vrij om aanvullend op videoconferencing andere manieren te gebruiken om inwoners de digitale vergadering te laten volgen. Er zijn bijvoorbeeld ook al gemeenten die de vergadering uitzenden via de lokale omroep. Via het online VNG-forum Corona kunt u andere gemeenten vragen welke andere manieren zij gebruiken. Op dit forum wisselen gemeenten veel praktische informatie en expertise uit. Met het oog op de noodverordeningen van de veiligheidsregio’s en de richtlijnen van het RIVM is het overigens geen optie om inwoners in een aparte ruimte in het gemeentehuis de raadsvergadering digitaal te laten volgen.

     

    7. Voordat zij hun functie kunnen uitoefenen, leggen de leden van de raad in de vergadering, ten overstaan van de voorzitter, de eed af. Kan dit ook digitaal?

    Op grond van artikel 14 Gemeentewet moet de eed in een openbare vergadering worden afgelegd. Omdat de Tijdelijke wet digitale beraadslaging en besluitvorming ook de mogelijkheid biedt tot een openbare digitale vergadering, zal de beëdiging ook in een openbare digitale vergadering kunnen plaats vinden.

    Het verdient wel aanbeveling om visueel zichtbaar te maken dat het raadslid de eed aflegt ten overstaan van de voorzitter. Dat kan bijvoorbeeld door de vergadering vanuit het gemeentehuis te streamen en het raadslid daar, samen met de griffier en de voorzitter van de vergadering, fysiek aanwezig te laten zijn.

     

    8. Hoe kun je bij digitale vergaderingen inspraak organiseren?

    Zowel de Gemeentewet als de Tijdelijke wet digitale beraadslaging en besluitvorming regelen niets over inspraak door belanghebbenden bij de voorbereiding van beleid. Dit regelt de raad zelf bij verordening (artikel 150 Gemeentewet). Als de inspraakverordening van de gemeente geen regels bevat over de vorm waarin inspraak plaatsvindt, dan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In artikel 3:15 Algemene wet bestuursrecht staat dat belanghebbenden naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze bij het bestuursorgaan naar voren kunnen brengen.

    Mondeling inspreken kan ook via een digitale toegang. Belanghebbenden die niet over een computer en/of internetverbinding beschikken, kunnen in het gemeentehuis inspreken. De gemeente kan er bijvoorbeeld voor kiezen om de vergadering vanuit het gemeentehuis live te streamen met voorzitter, griffier en insprekers zonder computer in de raadzaal, op veilige afstand van elkaar. Een andere mogelijkheid is om de inspreker (met inachtneming van het coronaprotocol) in een aparte ruimte in het gemeentehuis digitale toegang tot de raadsvergadering te geven.

     

    9. Kan de voorzitter ook bij digitale vergaderingen vragen of de raadsleden stemming verlangen? En als dat niet kan, betekent dit dat het voorstel dan is aangenomen?

    Ja, op grond van artikel 32, derde lid Gemeentewet is een voorstel aangenomen indien hierover geen stemming wordt gevraagd. In het VNG model-reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad staat verder dat als een voorstel zonder stemming wordt aangenomen, de in de raadsvergadering aanwezige raadsleden aantekening in het verslag kunnen vragen, dat zij geacht willen worden te hebben tegengestemd of zich overeenkomstig artikel 28 van de Gemeentewet van deelneming aan de stemming te hebben onthouden. Het model-reglement van orde biedt die mogelijkheden dus ook voor digitale vergaderingen.

     

    10. Dienen alle raadsleden voor rechtsgeldige besluitvorming altijd tegelijkertijd in beeld te zijn of is afvinken dat raadsleden digitaal aanwezig zijn voldoende?

    Uit de tijdelijke wet blijkt dat de digitale vergadering kan worden geopend indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden in een digitale omgeving deelneemt aan die vergadering. Het verslag vermeldt de deelnemende leden. Het is dus essentieel dat kan worden vastgesteld dat de leden echt deelnemen aan de digitale vergadering. Dit is iets anders dan dat zij ook tegelijkertijd in beeld moeten zijn.

     

    11. Hoe zou het stemmen met stembriefjes bij benoemingen in zijn werk moeten gaan? Hoe garandeer je dat een stem dan niet herleidbaar is tot een raadslid?

    De stemming over benoemingen is op grond van artikel 31 Gemeentewet geheim. Dat betekent normaal gesproken dat in de reguliere, openbare fysieke raadsvergadering met stembriefjes wordt gestemd (artikel 28, tweede lid, Gemeentewet). De Tijdelijke wet digitale beraadslaging en besluitvorming maakt daarop een uitzondering voor het geval de beraadslaging digitaal plaatsvindt. In dat geval dienen de stembriefjes na afloop van de beraadslaging per post, per koerier, dan wel persoonlijk bij de griffie te worden ingeleverd.

    Bij een dergelijke stemming vergewist de voorzitter zich van de authenticiteit van de uitgebrachte stem, met dien verstande dat bij een geheime stem deze stem niet herleidbaar is tot het lid dat de stem heeft uitgebracht. Wel moet – gelet op de openbaarheid van de stemming – duidelijk zijn welke leden hebben deelgenomen aan die stemming. Het is in de eerste plaats aan gemeenten zelf om te bepalen of en hoe zij het briefstemmen mogelijk willen maken. Te denken valt aan gewaarmerkte stembriefjes die onder de leden worden verspreid voor een specifiek voorstel. De tijdelijke wet maakt het mogelijk hierover later regels te stellen bij ministeriële regeling.

     

    12. Hoe moet de gemeenteraad tijdens digitale vergaderingen omgaan met geheime informatie?

    De raad beslist zelf of het de geheimhouding op een raadsvoorstel wil bekrachtigen. Bekrachtiging kan ook plaatsvinden in een openbare digitale vergadering. Als de raad de geheimhouding bekrachtigt, zal hierover vervolgens niet meer in een openbare digitale vergadering kunnen worden beraadslaagd. Dit kan alleen in een fysieke besloten vergadering. Nu de raad de keuze heeft uit fysiek of digitaal vergaderen, blijft de keuze voor een fysieke vergadering in beslotenheid dus nog altijd mogelijk. Uiteraard dient de gemeenteraad bij een fysieke besloten vergadering de richtlijnen van het RIVM in acht te nemen.

     

    13. Is er een intrekkingstermijn voor de Tijdelijke wet digitale beraadslaging en besluitvorming, of bestaat de mogelijkheid dat digitale besluitvorming van de een op de andere dag weer afgeschaft wordt?

    In de Tijdelijke wet digitale beraadslaging en besluitvorming is geregeld dat de wet onmiddellijk na bekendmaking in werking treedt en op 1 september 2020 vervalt. Het tijdstip waarop de wet vervalt kan bij koninklijk besluit worden bepaald op een ander tijdstip, met dien verstande dat dit tijdstip steeds ten hoogste twee maanden na het tijdstip ligt waarop de wet zou vervallen.

     

    14. Waarom is dit alleen tijdelijke wetgeving? Dit kan toch ook gewoon doorgaan nadat de coronamaatregelen opgeheven worden?

    De tijdelijke wet is nadrukkelijk een tijdelijke afwijking. Het is niet bedoeld om structureel afbreuk te doen aan het principiële uitgangspunt dat de belangrijkste besluitvorming plaatsvindt in een openbare fysieke vergadering van de raad. Anders dreigt volgens de regering de bijzondere positie van de gemeenteraad en de raadsleden weg te vallen. Een structurele inpassing zou een zelfstandig wetstraject vergen.

     

    15. Waar staat meer informatie over de praktische uitvoering van de spoedwet?

    Op de website van Lokale Democratie vindt u een overzicht van de meest gestelde vragen over onder meer besluitvorming, beraadslaging, termijnen, wettelijke gemeenschappelijke regelingen en techniek.

     

    16. Moeten video-opnames van raadsvergaderingen ook toegankelijk zijn voor burgers met een beperking?

    Gemeentelijke websites en apps en de informatie (content) die daarop door de gemeente wordt aangeboden moeten volgens het Tijdelijk besluit digitale toegankelijke overheid (BDTO) toegankelijk zijn voor burgers met een beperking. Denk daarbij onder meer aan mensen met een beperking van het zicht of het gehoor. De website en content moet daarbij voldoen aan de richtlijn WCAG 2.1 niveaus A en AA. De documentatie van de vergadering moet in een toegankelijk format worden aangeboden. Live uitgezonden raadsvergaderingen hoeven niet ondertiteld te worden, maar de verslagen die daarna via de website beschikbaar worden gesteld, dienen dat wel te zijn. Leveranciers van raadsinformatiesystemen hebben vaak modules om dit mogelijk te maken. De GIBIT (Gemeentelijke Inkoopvoorwaarden bij IT) biedt voor de inkoop een handvat. Digitale toegankelijkheid is een van de aandachtsvelden daarin.

    Meer informatie:

     

    17. Is een audiouitzending alleen ook voldoende voor digitale beraadslaging?

    Alleen een audioverbinding is onvoldoende, omdat het noodzakelijk is vast te kunnen stellen welke leden aan de vergadering deelnemen. Ook ontbreken bij audio cruciale elementen van een beraadslaging, zoals lichaamstaal en het elkaar in de ogen kunnen kijken. Bovendien is er met een videoverbinding goed zicht op eventueel wegvallende verbindingen. Op die manier kunnen ook de gevolgen voor de quora worden gecontroleerd voordat overgegaan wordt tot besluitvorming. Een verbinding via videoconferencing is dus verplicht voor digitaal beraadslagen en besluiten.

     

    18. Moeten audiovisuele verslagen van raadsvergaderingen worden bewaard en gearchiveerd?

    Ja, audiovisuele verslagen van raads- en bestuurscommissievergaderingen, ook wel ‘videotulen’ genoemd, moeten worden bewaard. Hoe de archivering kan plaatsvinden en wat daarbij van belang is, staat beschreven in de factsheet van onze Adviescommissie Archieven (pdf).


    19. Welke videovergadertool moet ik kiezen?

    Er zijn veel videovergadertools beschikbaar, welke de gemeente het beste kan kiezen hangt af van de eigen gemeentelijke situatie (shared service, eventuele uitbesteding van diensten etc.), gebruiksgemak en eventuele integratie met eigen kantoorapplicaties. Voor alle gemeenten geldt een aantal algemene gebruiksregels en beveiligingsvoorwaarden. De Informatiebeveiligingsdienst IBD biedt hier op de website een advies.

    VNG Realisatie heeft namens ca. 130 gemeenten (o.a.) een videovergadertool aanbesteed. Deelnemers aan GT Connect maken bij voorkeur gebruik van de tool Circuit. Voor meer informatie kunt u terecht op de website van leverancier Atos.

    Als u niet deelneemt aan GT Connect, dan kunt u een keuze maken uit een van de vele beschikbare tools. De IBD heeft de bij gemeenten gebruikte tools hier op een rijtje gezet. In deze lijst staan ook de relevante beveiligingscriteria genoemd.

     

    20. Mag een stemapplicatie worden gebruikt bij een digitale stemming?

    De tijdelijke wet kent het hoofdelijk stemmen als uitgangspunt en bepaalt dat de openbare wilsuitdrukking van ieder stemmend lid bekend moet zijn voor iedereen in de vergadering en de toeschouwers. Hoe deze wilsuitdrukking kenbaar moet worden gemaakt, is niet gespecificeerd. De tijdelijke wet is techniekneutraal. Een stemapplicatie is daardoor mogelijk zolang voor iedereen live te volgen is hoe ieder lid stemt. Dat moet op dusdanige wijze en direct zichtbaar worden gemaakt dat hier geen twijfel over kan bestaan; het moet openbaar zijn op het moment van de stemming zelf.

    Wel moet worden opgemerkt dat aan het gebruik van een stemapplicatie potentiele risico’s zijn verbonden, bijvoorbeeld als niet elk lid zijn eigen stem herkent. Dan ontstaat twijfel over de openbare wilsuitdrukking en kan een nieuwe stemming, eventueel mondeling, nodig zijn. Het verdient aanbeveling om hier vooraf onderling afspraken over te maken bij het gebruik van een stemapplicatie.

    Wellicht ten overvloede, ook bij een digitale vergadering geldt artikel 32 Gemeentewet. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat indien over een voorstel geen stemming wordt gevraagd, het is aangenomen.

    Zie ook het advies van Democratie in Actie:


    21.  Mogen leden van raadscommissies bij acclamatie worden benoemd?

    In principe moet een stemming over personen met gesloten en ongetekende stembriefjes plaatsvinden (briefstemming). Als geen enkel lid van de raad om stemming vraagt en de voorzitter van de raad vaststelt dat een stemming over de voorgenomen benoeming daarom niet noodzakelijk is, kan benoeming van leden van raadscommissies ook plaatsvinden bij acclamatie. Een acclamatie is in een vergadering de vorm van bevestiging waarbij men met algemene stemmen door middel van applaus of een andere waarderende uiting instemming betuigt. Er vindt in dat geval geen stemming plaats (artikel 32, lid 3 Gemeentewet).

    22. Kunnen raadscommissies digitaal vergaderen?

    Voor sommige commissies is een digitale vergadering op grond van de tijdelijke wet expliciet mogelijk gemaakt, namelijk de door de raad ingestelde bestuurscommissies op basis van artikel 83 Gemeentewet. Bestuurscommissies kunnen besluiten nemen. Daarom heeft de tijdelijke wet ook betrekking op de vergaderingen van bestuurscommissies.

    De tijdelijke wet regelt niets ten aanzien van raadscommissies en andere (advies) commissies. Uitgangspunt is ook voor raadscommissies dat de beraadslaging openbaar is (artikel 82 Gemeentewet verklaart onder andere artikel 23 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing) en dat dus een live-videoverbinding die via internet te volgen is of rechtstreeks op televisie wordt uitgezonden nodig is (tenzij besloten wordt om in beslotenheid te vergaderen overeenkomstig artikel 23 lid 3 van de Gemeentewet). Deze raadscommissies nemen echter formeel geen besluiten, waarmee een afzonderlijke wettelijke grondslag voor deze digitale vergadering niet noodzakelijk is. Dat geldt ook ten aanzien van de andere (advies) commissies ex artikel 84 Gemeentewet, wiens vergaderingen bovendien niet aan het wettelijk vereiste van openbaarheid hebben te voldoen.

     

    23.  Mogen leden van raadscommissies bij acclamatie worden benoemd?
    In principe moet een stemming over personen met gesloten en ongetekende stembriefjes plaatsvinden (briefstemming). Als geen enkel lid van de raad om stemming vraagt en de voorzitter van de raad vaststelt dat een stemming over de voorgenomen benoeming daarom niet noodzakelijk is, kan benoeming van leden van raadscommissies ook plaatsvinden bij acclamatie. Een acclamatie is in een vergadering de vorm van bevestiging waarbij men met algemene stemmen door middel van applaus of een andere waarderende uiting instemming betuigt. Er vindt in dat geval geen stemming plaats (artikel 32, lid 3 Gemeentewet).

    Terug naar boven

    Gemeentelijke dienstverlening

    1. Is er vanuit de VNG een gecoördineerde inkoop/verdeling van beschermingsmiddelen die gemeenten nodig hebben om zorg/dienstverlening te blijven verlenen?

    De VNG heeft geen gecoördineerde inkoop van beschermingsmiddelen en desinfecterende middelen.

     

    2. Hoe moeten gemeenten omgaan met de jaarrekening 2019?

    De gemeenten (en gemeenschappelijke regelingen) doen veel inspanningen om de jaarrekeningen 2019 tijdig te kunnen aanleveren bij het CBS en de provinciaal toezichthouders. Mogelijk kan het proces door het coronavirus toch vertraging opleveren. De VNG volgt met het ministerie van BZK en de provincies de ontwikkelingen op de voet.

    Waar mogelijk worden maatregelen genomen om de voortgang te borgen. Met de accountants wordt bijvoorbeeld overlegd over mogelijke problemen bij de controle van de jaarstukken. 

    Indien noodzakelijk zal de minister van BZK de nodige maatregelen nemen door aanpassing van de aanlevertermijnen voor de jaarstukken 2019. Een wetswijziging is daarvoor in voorbereiding. Na 28 april zal daar meer duidelijkheid in komen. Op dit moment hoeft u  dus geen uitstelverzoek in te dienen. Dat geldt tevens voor de indiening van de begroting door gemeenschappelijke regelingen (voor 1 augustus). 

    Indien de termijnen worden aangepast, zullen wij u daarover tijdig  informeren. De (provinciale) toezichthouders zijn hiervan op de hoogte.

     

    3. Kunnen we andere termijnen hanteren voor het ophalen van een reisdocument en rijbewijs? 

    Nee, de termijn van 3 maanden om een reisdocument of rijbewijs op te halen op het gemeentehuis wordt niet verlengd. Dit geven de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) aan. 

    Rijbewijzen 

    Het ministerie van I&W geeft aan dat het beschreven proces van aangetekend versturen van reisdocumenten in gevallen van uiterste nood niet van toepassing is op rijbewijzen. 

    Rijbewijzen met een geldigheid van 5 of 10 jaar die verlopen in de periode vanaf 16 maart, blijven geldig tot 1 juni 2020. Mensen van wie het rijbewijs korter geldig is, kunnen geen gebruik maken van deze maatregel. Deze tijdelijke regeling geldt alleen voor het rijden binnen Nederland. Meer informatie op de site van RDW.

    Reisdocumenten 

    RvIG geeft aan dat als de 3 maandentermijn in zicht is, reisdocumenten naar adressen in Nederland aangetekend verstuurd mogen worden. Dit mag alleen in uiterste nood.

     

    4. Moeten mensen die werken met afvalwater zich extra beschermen tegen corona? 

    Voor mensen die voor hun beroep met afvalwater werken geldt: gebruik de persoonlijke bescherming die u hebt geleerd en die is afgesproken. Natuurlijk wast u uw handen voordat u gaat eten of wanneer u eten aanraakt en eet u niet op de werkplek. 

    Mensen die met afvalwater werken, moeten direct contact met en het inslikken en/of inademen van nevel van afvalwater vermijden. Dit betekent dat zij persoonlijke beschermingsmiddelen moeten dragen die bij de werkzaamheden passen, zoals beschermende buitenkleding, handschoenen, laarzen, veiligheidsbril, masker en/of gezichtsbescherming-FFP3. Al deze maatregelen om veilig met afvalwater te werken, staan in de arbocatalogus van de waterschappen. Bovendien moeten afvalwatermedewerkers de handhygiëne in acht nemen en ogen, neus en mond niet aanraken met ongewassen handen. 

     

    5. Mogen er nog huwelijksvoltrekkingen plaatsvinden?

    Voor huwelijken geldt een uitzondering op het verbod op samenkomsten. Deze kunnen nog wel plaatsvinden tot maximaal 30 personen. Alle hygiënemaatregelen gelden daarbij en het verbod wordt uiterlijk 28 april heroverwogen. Deze verduidelijking geeft ruimte aan gemeenten om afspraken te maken met bruidsparen binnen deze norm. 
     
    NB: De norm geeft gemeenten geen verplichting om 30 mensen toe te laten bij een huwelijksvoltrekking. Elke gemeente heeft hierin een eigen verantwoordelijkheid en wat er wel mogelijk is, is afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden. 

     

    7. Welke impact heeft het coronavirus op de gemeentefinanciën en is hier een overzicht van?

    De VNG is op dit moment bezig de impact van de coronacrisis op de gemeentefinanciën te inventariseren. Op deze pagina leest u alle informatie hierover

     

    8. Welke maatregelen zijn nodig om thuis te kunnen werken met de BRP?

     

    9. Zijn er documenten die helpen bij het maken van een continuïteitsplan?

    De Informatiebeveiligingsdienst (IBD) heeft op haar website de volgende (recente) documenten die ondersteunend kunnen zijn aan bedrijfscontinuïteitsbeheer binnen gemeenten:

    Deze producten zijn slechts als hulpmiddel bedoeld voor gemeenten die een bedrijfscontinuïteitsplan willen opstellen en zijn niet allesomvattend. Heeft u vragen over deze documenten? Neem dan contact op met het Klantcontactcentrum van de VNG.

     

    10. Hoe moet een gemeente omgaan met begrafenissen tijdens de coronacrisis?
    Bij uitvaarten mogen maximaal 30 personen aanwezig zijn. Daarbij geldt ook de regel dat alle hygiënemaatregelen ter bestrijding van het coronavirus in acht worden genomen en mensen 1,5 meter afstand tot elkaar moeten houden. Het aantal van 30 personen is een maximum aantal. Uitvaartondernemers kunnen zelf bepalen dat zij minder personen toelaten bij een uitvaart.

    In verband met de coronacrisis is het in sommigen gevallen niet mogelijk om overledenen binnen de wettelijke termijn van 6 werkdagen te begraven. Hierbij geldt het volgende:

    1. Het is wenselijk in het belang van de rouwverwerking om overledenen binnen de wettelijke termijn van 6 werkdagen te begraven of te cremeren. Spoedige lijkbezorging is bovendien in het belang van de volksgezondheid en legt kort beslag op de koelcapaciteit.
    2. Vanwege het grotere aantal overledenen in bepaalde gebieden komt het momenteel voor dat dat de termijn van 6 werkdagen niet overal gehaald wordt. Dat is in de huidige omstandigheden een kwestie van overmacht. Overschrijding heeft geen directe gevolgen, aangezien het een termijn van orde is en is niet strafbaar.
    3. Als zich lokaal een capaciteitsprobleem voordoet kan de gemeente de volgende maatregelen nemen:
      • De burgemeester kan op grond van artikel 17 Wlb een afwijkende termijn stellen. Dat kan ook een generieke afwijking zijn voor alle overledenen binnen die gemeente. Voor de bescherming van de volksgezondheid is het belangrijk dat de lichamen gedurende de langere termijn gekoeld worden bewaard.
      • De gemeente kan zelfstandig besluiten dat op gemeentelijke begraafplaatsen en crematoria voortaan ook op zon- en feestdagen en/of in de avonduren kan worden begraven of gecremeerd.
      • Een verlof tot begraven of cremeren van de gemeente blijft noodzakelijk. Dat kan ook digitaal.

     

    11. Met welke aspecten van informatiebeveiliging en privacy moet ik rekening houden?
    Alle vragen en informatie met betrekking informatiebeveiliging en privacy bij de onderwerpen thuiswerken (veilig vergaderen), gemeente als werkgever en gemeentelijke dienstverlening kunt u terecht op de website van de Informatiebeveiligingsdienst. De informatie wordt regelmatig aangevuld.

     

    13. Wat betekent corona voor het toekomstige beleid van gemeenten, zoals dat wordt vastgesteld in de kadernota?
    De kadernota is bedoeld als instrument uit de planning- en controlcyclus om in het voorjaar al met de gemeenteraden te overleggen over de financiële stand van zaken en de ambities voor de volgende programmabegroting. De gemeenten vullen dat proces op eigen wijze in via de verordening artikel 212 Gemeentewet. 

    Het coronavirus heeft zowel lokaal, als landelijk een grote financiële impact. De VNG overlegt nog volop met het kabinet over de compensatie van de financiële gevolgen. De VNG heeft gemerkt dat door deze onzekere financiële situatie voor zowel de lasten als de baten, veel gemeenten ervoor kiezen om een sobere of beleidsarme kadernota uit te brengen, in overleg met de gemeenteraden. Hierbij worden zo veel mogelijk de financiële risico’s van het coronavirus in beeld gebracht.  Wij kunnen ons voorstellen dat u ook deze lijn gaat volgen.

    Op het VNG-forum gemeentefinanciën kunt u informatie vinden en met collega’s overleggen. 

    Terug naar boven

    VNG

    1. De ALV gaat door, maar gaat het VNG Jaarcongres ook door? Wanneer wordt de ALV gehouden?
    Het VNG Jaarcongres in West-Friesland is als gevolg van de coronacrisis uitgesteld naar 2021. Inmiddels duidelijk dat ook later in juni geen fysieke ALV kan worden gehouden. Het VNG-bestuur heeft ervoor gekozen om de ALV voorlopig uit te stellen tot medio september en in mei-juni een ledenraadpleging te houden. In deze ledenraadpleging wordt een beperkt aantal voorstellen aan de leden voorgelegd. Het gaat om voorstellen die noodzakelijk zijn voor de continuïteit van VNG-activiteiten en de financiering daarvan. Dat zijn onder meer het contributievoorstel en de voorstellen rond GGU.

    In de ledenraadpleging behouden de leden het recht van amendement en is net als in de ALV sprake van een gewogen aantal stemmen per gemeente. De voorstellen worden vrijdag 15 mei aan de leden worden voorgelegd. De ledenraadpleging eindigt op 26 juni.

     

    2. Hoe is de VNG bereikbaar?
    Het hoofdkantoor van de VNG is gesloten. Momenteel is het Klant Contact Centrum beperkt telefonisch bereikbaar. Wij vragen u bij voorkeur uw vraag te mailen naar info@vng.nl of gebruik te maken van het contactformulier. De telefonische bereikbaarheid is van maandag t/m vrijdag van 9.00 – 12.00 uur en van 13.00 tot 16.00 uur.

     

    5. Wat doet de VNG met ondersteuningsverzoeken van branche- en belangenverenigingen?

    De VNG ontvangt van branche- en belangenverenigingen verzoeken om gemeenten op te roepen aandacht te hebben voor de positie van hun achterban. De gemeente heeft daarin verschillende rollen als opdrachtgever, contractant, subsidieverstrekker, etc. We adviseren gemeenten open te staan voor het gesprek en gezamenlijk te zoeken naar oplossingen.

    Gemeenten hebben begrip voor de situatie waarin veel partners zich momenteel bevinden. We vragen gemeenten waar mogelijk coulant om te gaan met betalingsverplichtingen en het toekennen van uitsteltermijnen. Ook vragen we gemeenten binnen gestelde termijnen, bij voorkeur eerder, tot betaling van facturen over te gaan. Dit is uiteindelijk echter wel een lokale, politieke en beleidsmatige afweging.