I Aanleiding
Vanaf april 2025 stelt het rijk jaarlijks €10,7 miljoen beschikbaar (2025–2027) als tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang en buitenschoolse opvang voor pleegkinderen. De tegemoetkoming geldt voor alle pleegouders ook in het vrijwillig kader, en vergoedt (deels) de eigen bijdrage na kinderopvangtoeslag. In 2025 verloopt de uitkering via gemeenten: het bedrag is in de decembercirculaire 2025 toegevoegd aan het Gemeentefonds via de Algemene Uitkering. Ten tijde van de uitkering aan gemeenten hebben de VNG, Jeugdzorg Nederland en de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen een aantal algemene richtlijnen meegeven voor het omgaan met de middelen.
Uit een nadere uitvraag over de implementatie van de tegemoetkoming onder gemeenten, pleegzorgaanbieders en pleegouders blijkt dat er per april 2026 nog veel onduidelijkheid bestaat over de uitvoering hiervan. Daarom hebben de VNG en Jeugdzorg Nederland, op basis van de meest prangende vragen vanuit hun achterban, nadere handvatten opgesteld om er op een pragmatische wijze voor te zorgen dat betreffende pleegouders een beroep kunnen doen op de beschikbaar gestelde tegemoetkoming. Deze zullen hieronder per thema worden toegelicht.
NB: Dit betreft nadere handvatten voor uitkering van de middelen voor gemeenten en voor pleegzorgaanbieders. Informatie voor pleegouders is te vinden op de website van de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen.
Daarbij geldt nog steeds dat de context voor het uitvoeren van deze tegemoetkoming niet optimaal is. Zo was er relatief laat duidelijkheid over de uitkering via het gemeentefonds. Ook zijn de keuze voor een tegemoetkoming in combinatie met de looptijd en omvang hiervan factoren die een gestroomlijnde uitvoering bemoeilijken. Deze context zal ook terugkomen in het geboden handelingsperspectief.
II Handvatten en informatie voor uitvoering
Op voorhand willen we benadrukken dat we het, als ministerie van VWS, VNG, NVP en Jeugdzorg Nederland, belangrijk vinden om bij de uitvoering van deze tegemoetkoming vertrouwen in de pleegouder centraal te stellen. Daarnaast maken ook de omvang en de looptijd van de tegemoetkoming dat een lichte toets van de gemaakte kosten voldoende moet worden geacht.
Zoals gezegd betreft het een tegemoetkoming (dus geen volledige dekking) van de kosten van de kinderopvang. De oorspronkelijke berekening is gedaan op basis van werkelijke kosten voor pleegouders bovenop de vergoeding vanuit kinderopvangtoeslag. Gastouders vallen niet onder de doelgroep die door VWS is gebruikt voor de berekening van de omvang van de middelen. Het budget per regio is te bepalen door de voor dit doeleinde beschikbaar gestelde middelen per gemeente bij elkaar op te tellen. Per gemeente is de omvang van het budget te herleiden vanuit het aandeel in het gemeentefonds en hoe dit vervolgens in de gemeentelijke begrotingen binnen een regio is opgenomen.
In afstemming met het ministerie van VWS is de bedoeling dat de uitkering van de middelen gebeurt op basis van het Woonplaatsbeginsel zoals dat geldt voor verblijfszorg vanuit de Jeugdwet. Dat houdt in dat de gemeente/regio waar de jeugdige voorafgaand aan het verblijf woonde financieel verantwoordelijk is.
Uit de uitvraag onder zowel aanbieders als gemeenten kwam de behoefte aan een praktisch handelingskader voor de uitvoering van deze tegemoetkoming sterk naar voren. Aanvullend op de eerdere richtlijnen die we daarvoor hebben gepubliceerd willen we daarover het volgende adviseren:
a. Uit de uitvraag bij zowel aanbieders als gemeenten blijkt dat niet alle gemeenten deze middelen inzetten voor de tegemoetkoming aan pleegouders (bijvoorbeeld omdat de middelen op een ander dossier harder nodig worden geacht). Dit bemoeilijkt het maken van regionale afspraken hierover. Het dringende advies vanuit de VNG aan haar leden is dan ook om deze middelen volledig te bestemmen voor de tegemoetkoming van pleegouders.
b. De berekening is het meest zuiver te maken door het regionaal beschikbare budget1 met terugwerkende kracht vanaf 2025 te verdelen over het totaal van declaraties van pleegouders bij pleegzorgaanbieders van kosten bovenop de kinderopvangtoeslag over een periode. Dit proces is hieronder bij f. nader uitgewerkt.
c. Graag geven we hierbij als aandachtspunt mee dat het belangrijk is om deze middelen vanuit de begroting over te hevelen naar het daaropvolgende boekjaar.
d. We adviseren om de uitvoering van deze tegemoetkoming op regionaal niveau uit te voeren. Dat betekent dat de inkoopregio afspraken maakt met pleegzorgaanbieders over de uitvoering.
e. We adviseren om de pleegzorgaanbieders verantwoordelijk te maken voor de uitvoering van de tegemoetkoming. Dit houdt in dat de pleegzorgaanbieders de declaraties van pleegouders - die een beroep doen op de tegemoetkoming - bepalen op basis van een lichte toets. Deze lichte toets wordt uitgevoerd aan de hand van een tweetal controles:
i. Pleegouders overleggen de maandfacturen van de kinderopvangaanbieder
ii. Pleegouders overleggen de voorlopige aanslag kinderopvangtoeslag
f. Het proces en de rolverdeling tussen gemeenten, aanbieders en pleegouders kan vanuit het voorgaande als volgt worden ingevuld:
i. Pleegouders dienen 2x per jaar (uiterlijk de 15e van de volgende maand, dus 15 juli en 15 januari) de facturen en de voorlopige aanslag kinderopvang toeslag in bij hun pleegzorgaanbieder. De pleegzorgaanbieder informeert de pleegouders hierover.
ii. Alle pleegzorgaanbieders in een regio2 inventariseren welke pleegouders in aanmerking komen voor een tegemoetkoming van de eigen bijdrage voor kinderopvang en buitenschoolse opvang over de afgelopen periode. Pleegouders hebben deze kosten al betaald.
iii. Om te bepalen of pleegouders in aanmerking komen, worden dezelfde criteria gehanteerd als die voor bijzondere kosten binnen pleegzorg vanuit de Regeling Jeugdwet (artikel 5.3):
- deze kosten naar het oordeel van de pleegzorgaanbieder redelijkerwijs noodzakelijk worden geacht en niet kunnen worden voldaan uit het basisbedrag, bedoeld in artikel 5.1, dan wel uit de toeslagen, bedoeld in artikel 5.2;
- voor deze kosten geen uitkering op grond van een andere regeling kan worden verstrekt, en
- de kosten redelijkerwijs niet zijn te verhalen op onderhoudsplichtige ouders.
iv. Pleegzorgaanbieders maken een geanonimiseerde factuur voor gemeente. Bedrag X is het verschil tussen de hoogte van de factuur van de opvang en de kinderopvangtoeslag.
Factuur
Pleegkind 1 Bedrag X
Pleegkind 2 Bedrag X
.... ....
Totaal
v. Elke regio inventariseert jaarlijks hoeveel geld gemeenten ter beschikking stellen voor de tegemoetkoming, voegen deze budgetten samen en verdelen dit over de twee termijnen. Op basis van deze verdeelsleutel koppelen zij per (geanonimiseerd) pleegkind terug welk bedrag er uitgekeerd wordt en maken de totale tegemoetkoming over naar de pleegzorgaanbieder.
vi. De pleegzorgaanbieder keert de tegemoetkoming uit aan de pleegouders.
Wanneer voor 2025 nog niets is uitgekeerd, dan is het advies om voor één verzamelfactuur te maken en de tegemoetkoming alsnog, met terugwerkende kracht, uit te keren.
Met deze werkwijze blijven de aanvraagprocedure en toetsingscriteria voor pleegouders gelijk aan het proces voor bijzondere kosten, wordt het budget gelijkmatig en transparant verdeeld en worden de administratieve lasten voor gemeenten en aanbieders zo laag mogelijk gehouden.
NB: Bovenstaand proces geldt als advies wanneer in een regio tussen gemeenten en aanbieders nog geen (volledige) afspraken zijn gemaakt over de uitkering van de tegemoetkoming. Het staat gemeenten/regio’s en aanbieders uiteraard vrij om van het geadviseerde proces af te wijken wanneer zij daar op basis van de situatie in de regio aanleiding toe zien.
Voetnoot 1: D.w.z. het totaal van middelen die de gemeenten binnen een jeugdhulpregio hiervoor beschikbaar hebben gesteld als bedoeld onder ‘Berekeningsgrondslag’.
Voetnoot 2: Alsook de pleegzorgaanbieders van buiten de regio bij welke jeugdigen in zorg zijn voor wie een gemeente uit de regio uit hoofde van het Woonplaatsbeginsel financieel verantwoordelijk is.
Door de werkwijze te hanteren kan de kans op geschillen tussen pleegouders, aanbieders en gemeenten over het uit te keren bedrag worden verkleind. Evengoed kan zich een dergelijk geschil voordoen. In beginsel staat hiervoor dan de mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen gemeenten open. Vanuit de bedoeling en het karakter van de regeling alsook de relatief kleine bedragen waar het om gaat, adviseren wij echter nadrukkelijk om in te zetten op een goed gesprek om er met elkaar minnelijk uit te komen. We onderzoeken momenteel of de inzet van de Geschillencommissie sociaal domein hierbij uitkomst kan bieden en komen hier nog op terug.
In het onder 4.f. voorgestelde model vindt de uitwisseling en verwerking van gegevens plaats vanuit de relatie tussen de pleegouders en pleegzorgaanbieder. Deze stuurt vervolgens een verzamelfactuur op geaggregeerd niveau en zonder persoonsgegevens van de pleegouders naar de regionale inkooporganisatie. Zodoende is de werkwijze AVG-conform. Wel moeten pleegzorgaanbieder de verwerking van deze gegevens voor dit specifieke doeleinde opnemen in hun verwerkingsregister.
a. Inkomensbelasting
De uitkering of tegemoetkoming die pleegouders ontvangen voor de kosten van kinderopvang wordt door de Belastingdienst niet als belastbaar inkomen aangemerkt. Het wordt beschouwd als een onbelaste onkostenvergoeding.
Hier zijn de belangrijkste fiscale kenmerken van deze vergoeding:
Geen Box-inkomen: De vergoeding hoeft niet te worden opgegeven in de aangifte inkomstenbelasting (bijvoorbeeld in Box 1 als loon of resultaat uit overig werk).
Geen invloed op toeslagen: Omdat de tegemoetkoming niet als inkomen telt, heeft het geen negatieve invloed op uw recht op andere toeslagen zoals huurtoeslag of zorgtoeslag.
Vrijgesteld van loonheffing: De uitbetalende instantie (zoals een pleegzorgorganisatie of de gemeente) houdt geen loonbelasting of premies volksverzekeringen in op het bedrag.
Doelgebonden: De vergoeding is specifiek bedoeld ter dekking van de feitelijke kosten voor kinderopvang en buitenschoolse opvang die niet volledig door de reguliere kinderopvangtoeslag worden gedekt.
Hoewel pleegouders voor een pleegkind kinderopvangtoeslag kunnen aanvragen bij de Dienst Toeslagen, is de onderhavige tegemoetkoming een aanvullende regeling via Rijksoverheid of gemeenten om de eigen bijdrage te verlichten. Beide vormen blijven onbelast.
b. Invloed op de bijstandsuitkering
Het ontvangen van de tegemoetkoming voor kosten kinderopvang heeft geen invloed op uw bijstandsuitkering. In de Nederlandse wetgeving (Participatiewet) wordt de vergoeding die pleegouders ontvangen voor de zorg van een pleegkind in algemene zin niet als inkomen beschouwd. Dit geldt voor zowel de reguliere pleegvergoeding als aanvullende tegemoetkomingen voor specifieke kosten zoals kinderopvang.
III Vooruitblik
Uit de resultaten van de respectievelijke uitvragen bij gemeenten en pleegzorgaanbieders, alsmede het onderzoek naar ervaringen met deze regeling bij pleegouders, blijkt dat de regeling veel onduidelijkheid en uitvoeringsvraagstukken met zich meebrengt die niet in verhouding staan tot de relatief geringe omvang en beperkte looptijd van de beschikbare middelen. VNG, de NvP en Jeugdzorg Nederland doen dan ook een dringend appèl op het rijk om de tegemoetkoming van de kosten van kinderopvang bij pleegouders na 2027 structureel te borgen in het kinderopvangstelsel dan wel op een andere wijze te komen tot een landelijke uniforme uitvoeringsregeling.