Tekst: Leonard van den Berg
Beeld: Martyn F. Overweel
Zeer waarschijnlijk zullen de politieke verhoudingen in Den Haag na de verkiezingen veranderen. Als het aan de VNG ligt, verdwijnt het jargon van ‘kaasschaven’ en ‘ravijnjaar’. Hoog tijd om te bouwen aan een solide financieel fundament, eerlijke verdeling van taken en verantwoordelijkheden en vooral aan hersteld wederzijds vertrouwen.
De financiële positie van gemeenten staat al jaren onder druk, dat is voor niemand meer nieuws. Bezuinigingen, stijgende kosten en nieuwe taken zonder toereikende middelen hebben de ruimte om te investeren verkleind en de zorg voor de inwoners verschraald. Terwijl zij rekenen op goede voorzieningen, worden keuzes door gemeenten steeds vaker gedicteerd door noodzaak in plaats van ambitie. Het nieuwe politieke tijdperk dat na de verkiezingen aanbreekt, biedt de kans om dat patroon te doorbreken.
Verplicht sluitend begroten
Vanaf 2026 wordt het gemeentefonds structureel fors verlaagd.. Gemeenten blijven ondertussen verantwoordelijk voor grote, kostbare en vaak wettelijk verplichte taken, zoals jeugdzorg, de uitvoering van de Wmo, participatiebeleid en omvangrijke investeringen in het fysieke domein. De gevolgen zijn zichtbaar in het hele land: hogere lokale lasten voor inwoners, uitstel of afstel van gemeentelijke investeringen en minder budget voor sport, cultuur, armoedebeleid en woningbouw. Dit alles zet de kwaliteit van de lokale dienstverlening en het vertrouwen in het lokaal bestuur onder druk. Een belangrijk verschil met het rijk is dat gemeenten wettelijk verplicht zijn om een sluitende begroting op te stellen. Waar het rijk tekorten kan accepteren, moeten gemeenten direct ingrijpen bij financiële tegenvallers. Dat leidt tot het sluiten van voorzieningen, het verminderen van subsidies en het uitstellen van onderhoud en investeringen. Dat veel gemeenten nu nog sluitende begrotingen overleggen, komt niet doordat de problemen beperkt zijn, maar doordat bezuinigingen en lastenverhogingen al zijn ingeboekt. Ook onderzoeksbureaus waarschuwden al eerder dat dit een structureel probleem is; volgens onderzoek van BMC zal minder dan een kwart van de gemeenten vanaf 2026 in staat zijn om zonder nieuwe maatregelen een sluitende meerjarenbegroting te presenteren.
Hoe we hier zijn beland
Om te begrijpen waarom de financiële positie van gemeenten zo onder druk staat, is het nodig terug te kijken naar de politieke keuzes van de afgelopen jaren. In 2021 werd besloten het gemeentefonds vanaf 2026 te bevriezen op het niveau van 2021 plus € 1 miljard. Daarbij werd geen jaarlijkse indexatie voor loon- en prijsontwikkeling afgesproken, terwijl kosten in de praktijk wel stijgen. Daar kwam bij dat de nieuwe financieringssystematiek van het gemeentefonds werd gekoppeld aan de groei van het bruto binnenlands product. Dat werd gepresenteerd als een neutrale, objectieve maatstaf, maar in werkelijkheid was het een politieke keuze die desastreus uitpakt voor lokale begrotingen.
Gemeenten zijn bovendien in hoge mate afhankelijk van het gemeentefonds: meer dan 70% van hun inkomsten komt hieruit. Dat maakt hen extra kwetsbaar voor landelijke bezuinigingen en beperkt hun vrijheid om eigen beleid te voeren. De verplichting om begrotingen sluitend te houden versterkt dat effect: bezuinigingen zijn onmiddellijk voelbaar in de dienstverlening aan de inwoners. De aanpassingen die gemeenten hierdoor noodgedwongen doorvoeren, zijn vaak ingrijpend. Investeringen worden doorgeschoven, groot onderhoud wordt uitgesteld en bijvoorbeeld armoedebeleid wordt minder actief uitgevoerd. Deze vormen van verschraling blijven soms buiten het zicht, maar raken inwoners wel direct.
Gedeeld eigenaarschap
Op de korte termijn wordt er rond Prinsjesdag geen grote koerswijziging verwacht. Wel ligt er nog een belangrijke vraag op tafel: wordt het eerder afgesproken bedrag voor jeugdzorg volledig overgemaakt? Voor gemeenten is naleving van afspraken essentieel. Zonder die zekerheid wordt het vrijwel onmogelijk om betrouwbaar te plannen en beleid op te bouwen dat meerdere jaren beslaat. Na de verkiezingen ligt er een kans om de relatie tussen rijk en gemeenten fundamenteel te verbeteren. De afgelopen jaren stond die relatie onder spanning, vaak gedomineerd door gesprekken over geld in plaats van over inhoud. Daardoor raakten gezamenlijke ambities naar de achtergrond. De VNG wil dat het gesprek na de verkiezingen anders wordt gevoerd. Niet langer één onderhandeling over de omvang van het gemeentefonds, maar gestructureerde afspraken per beleidsdossier. Per taak moet duidelijk zijn welke middelen nodig zijn en hoe de uitvoering haalbaar kan worden georganiseerd. Dat geldt voor cruciale thema’s als jeugdzorg, woningbouw en bestaanszekerheid. Deze aanpak sluit aan bij adviezen van de Raad voor het Openbaar Bestuur, die pleit voor het herstellen van de balans tussen taken en middelen. Een dergelijke benadering vraagt om gedeeld eigenaarschap: rijk en gemeenten dragen samen verantwoordelijkheid, werken op basis van vertrouwen en maken afspraken die reëel en uitvoerbaar zijn.
Sporen voor verbetering
De VNG ziet zes duidelijke richtingen om gemeente structureel in staat te stellen hun taken goed uit te voeren. Allereerst is een stabiele financiële basis nodig, met structurele en voorspelbare middelen via het gemeentefonds, in plaats van tijdelijke regelingen of projectsubsidies. Daarnaast kan de vorming van fondsen specifiek voor jeugdzorg en Wmo een goede oplossing zijn. Verder moet de balans tussen taken en middelen worden hersteld: nieuwe taken mogen pas worden overgedragen als daar structurele financiële dekking tegenover staat. Ook is het belangrijk het aantal specifieke uitkeringen en oormerken te beperken, zodat gemeenten meer ruimte krijgen om budgetten naar eigen inzicht te verdelen. Wanneer er toch onenigheid ontstaat over financiële afspraken, zou een onafhankelijke arbitrage moeten kunnen toetsen of deze afspraken redelijk zijn. Tot slot kan een groter lokaal belastinggebied gemeenten meer eigen inkomsten geven, maar zonder dat dit wordt gecompenseerd door kortingen op het gemeentefonds.
Leren van het buitenland
Internationaal gezien hebben Nederlandse gemeenten weinig financiële autonomie. In Duitsland komt de helft van de gemeentelijke inkomsten uit eigen belastingen, zoals de Gewerbesteuer. In Zweden zorgt een gemeentelijke inkomstenbelasting voor een stabiele inkomstenbron en beleidsvrijheid. Belgische gemeenten hebben via lokale opcenten en heffingen een stevige eigen inkomstenbasis die tot 40% van hun totale middelen ka bedragen. In Nederland daarentegen komt slechts 27% van de gemeentelijke inkomsten uit eigen bronnen, waarvan slechts 12–13% uit lokale belastingen. Het overgrote deel komt via het gemeentefonds. Deze afhankelijkheid maakt Nederlandse gemeenten kwetsbaarder dan hun Europese tegenhangers. Kijk voor meer informatie.
Vooruitkijken
De maatschappelijke opgaven waarvoor gemeenten staan – van woningbouw tot klimaatadaptatie en van zorg tot armoedebestrijding – vragen om een stevig en betrouwbaar financieel fundament. De komende kabinetsperiode biedt een kans om dat fundament te leggen. Daarvoor is nodig dat afspraken worden nagekomen, middelen in verhouding staan tot taken en gemeenten voldoende beleidsvrijheid krijgen om lokale keuzes te maken. Als die voorwaarden worden vervuld, kunnen gemeenten hun rol volwaardig vervullen en bijdragen aan sterke, veerkrachtige gemeenschappen. Een nieuw politiek landschap biedt de mogelijkheid om die omslag te maken – samen, structureel en met het oog op de lange termijn.
Gemeentefonds: (nog altijd) een goed idee
Het gemeentefonds bestaat al sinds 1929. Voornaamst doel: al te grote verschillen in draagkracht van gemeenten in Nederland vermijden, zodat inwoners in elke gemeente in Nederland kunnen rekenen op een vergelijkbaar basis voorzieningenniveau. Dat is nog altijd een goed idee, maar dan moet het gemeentefonds wel voldoende gevuld zijn. Anno 2025 zien we ook de keerzijde: de gemeenten zijn voor een groot deel van hun inkomsten afhankelijk van het rijk, zonder voldoende inspraak of zeggenschap over de feitelijke hoogte van de middelen in relatie tot het takenpakket.
6 sporen naar gezonde lokale financiën
- Structureel meer middelen via het gemeentefonds
Een stabiele financiële basis is alleen mogelijk met voorspelbare en structurele financiering. Tijdelijke regelingen of projectsubsidies bieden geen zekerheid voor de lange termijn. - Instellen van fondsen specifiek voor jeugdzorg en Wmo
Als we voor deze taken voldoende middelen krijgen, is een groot deel van de zorg opgelost. - Balans tussen taken en middelen herstellen
Nieuwe taken, zoals de jeugdzorg of de Wmo, mogen pas worden overgedragen als daar structureel voldoende financiële dekking tegenover staat. Dit principe is verankerd in de wet en moet in de praktijk serieus worden toegepast. - Beperking van specifieke uitkeringen en oormerken
Gemeenten kunnen effectiever en efficiënter werken als zij meer ruimte hebben om zelf te bepalen hoe zij beschikbare middelen inzetten. Dat vereist vertrouwen in lokaal maatwerk. - Instelling van onafhankelijke arbitrage
Wanneer rijk en gemeenten het niet eens zijn over financiële afspraken, moet een onafhankelijke partij kunnen toetsen of deze afspraken redelijk zijn en naleving waarborgen. - Vergroting van het lokale belastinggebied zonder korting op het gemeentefonds
Meer ruimte voor eigen inkomsten versterkt de beleidsvrijheid van gemeenten, maar mag niet leiden tot een vestzakbroekzakoperatie waarbij rijksbijdragen worden verlaagd.