VNG Magazine nummer 11, 29 juni 2018

Auteurs: Leo Mudde en Paul van der Zwan

Minister Kajsa Ollongren (BZK) is bereid ‘serieus te kijken’ naar het advies van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB). Die constateert dat de raming van het macrobudget voor de bijstand niet deugt en dat gemeenten onvoldoende budget krijgen.

Ollongren zei dit tijdens het VNG Jaarcongres. ‘We gaan samen, als partners, het gesprek over dit rapport aan.’ VNG-voorzitter Jan van Zanen reageerde zuinig: ‘Dit is een begin.’ Wat hem betreft is het ROB-advies duidelijk en moet het direct worden uitgevoerd.

In zijn advies over de financieringssystematiek van de bijstand aan staatssecretaris Van Ark (Sociale Zaken) constateert de ROB dat gemeenten de afgelopen jaren te maken hadden met grote tekorten op de uitvoering van de bijstand. Het tekort beloopt ruim 270 miljoen euro in zowel 2016 als 2017. De belangrijkste oorzaak daarvoor is dat bij de raming van het benodigde budget ten onrechte geen rekening is gehouden met het beroep dat statushouders doen op de bijstand.

Statushouders

Gemeenten krijgen de kosten hiervan op termijn gedeeltelijk wel terug, maar in het jaar zelf is het budget niet toereikend. In het jaar dat de statushouders instromen, financieren de gemeenten de kosten daarvan uit eigen middelen. Daarom vindt de ROB dat de ramingsmethodiek moet worden aangepast.

De Raad heeft ook advies uitgebracht over het verdeelmodel voor de bijstand voor 2019. De ontoereikende omvang van het budget – bijna 6 miljard euro – vormt echter het belangrijkste probleem.

Het Rijk is verantwoordelijk voor een toereikend budget en een adequate verdeling van het budget voor de bijstand over de gemeenten. Gemeenten zijn vervolgens verantwoordelijk voor een doelmatige uitvoering van de bijstand. De onjuiste raming van het macrobudget ondergraaft de uitgangspunten, het vertrouwen en de beoogde prikkelwerking van het stelsel, aldus de Raad. Gemeenten kunnen bij tekorten immers wijzen op het ontoereikende macrobudget zonder het eigen beleid ter discussie te hoeven stellen.

Vangnet

Gemeenten met een tekort van meer dan 5 procent kunnen een beroep doen op een vangnetregeling. Over 2017 komen 229 van de 305 gemeenten met een tekort in aanmerking voor dit vangnet. Deze vangnetregeling is echter niet bedoeld om tekorten op het (ontoereikende) macrobudget te compenseren, benadrukt de ROB. Het is bedoeld voor het opvangen van onevenredig grote financiële risico’s die voortvloeien uit onvolkomenheden van het verdeelmodel en van onverwachte tegenvallers van individuele gemeenten.

De verhoging van het accres (Gemeentefonds) is geen oplossing voor de tekorten op de bijstand. Het kabinet gaat daar impliciet wel vanuit. Met het extra accres zouden gemeenten meer kunnen investeren in participatie en werk voor mensen met afstand tot de arbeidsmarkt, onder wie statushouders. Dat leidt tot een daling van het aantal bijstandsgerechtigden en ‘hiermee kan de door gemeenten ervaren problematiek rond het macrobudget bijstand opgelost worden’, aldus het IBP. Een daling van het aantal bijstandsgerechtigden leidt weer tot verlaging van het macrobudget BUIG. Al met al is dit geen oplossing voor de eerdere tekorten en de mogelijke tekortkomingen in de ramingssystematiek.

Varianten

Voor de toekomstige raming van het macrobudget stelt de ROB twee mogelijkheden voor. Er kan voor nacalculatie worden gekozen, waarbij het macrobudget na afloop van het jaar wordt gecorrigeerd op basis van het tekort of overschot van alle gemeenten. Een andere mogelijkheid is een variant waarbij nadrukkelijk rekening wordt gehouden met niet-conjuncturele, onbeïnvloedbare, externe effecten zoals de toestroom van statushouders. De voorkeur van de ROB gaat uit naar de tweede variant. Voorwaarde hierbij is dat de grote tekorten op de bijstandsbudgetten van gemeenten over 2016 en 2017 eenmalig door het Rijk worden ‘afgekocht’, omdat het Rijk bij de bepaling van het macrobudget over die jaren ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de toestroom van statushouders. 

Meerjarig gezien is de raming van de conjuncturele effecten, op basis van de werkloze beroepsbevolking, voor het bijstandsbudget overigens wel adequaat. Gemeenten kunnen deze schommelingen in het bijstandsbudget zelf opvangen.  Wel bepleit de Raad dat het Centraal Planbureau de effecten van voorgenomen beleid vooraf toetst. Dat bevordert de objectiviteit en de transparantie en daarmee het vertrouwen in de ramingssystematiek.

Als ondanks deze aanpassingen het saldo van de tekorten of overschotten boven de 3 procent uitkomt, moeten Rijk en gemeenten bespreken of ­correctie van het macrobudget nodig is.