Laatst bijgewerkt: 11 mei 2026

Deze raadgever geeft u als raadslid inzicht in de regels over participatie binnen de Omgevingswet en de Wet versterking participatie op decentraal niveau, en in uw rol in de sturing daarop.

Participatie: uitgangspunt van de Omgevingswet

De Omgevingswet gaat uit van brede participatie: iedereen moet kunnen meedenken over ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Het doel is om belangen vroegtijdig in beeld te brengen en zo te komen tot een beter plan en transparantere afwegingen. Vroege betrokkenheid kan bijdragen aan meer commitment van de samenleving bij uw besluitvorming.

Participatie is gekoppeld aan de kerninstrumenten van de Omgevingswet: omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en omgevingsvergunning. De gemeenteraad stelt de omgevingsvisie en het omgevingsplan vast en stuurt daarmee op de hoofdlijnen van beleid en ontwikkeling. Het college van B&W stelt programma’s vast en beslist over vergunningen.

Sturing door de raad: participatiebeleid en participatieverordening

De gemeenteraad stelt het participatiebeleid vast. Hierin wordt vastgelegd hoe de gemeente de participatie vormgeeft bij haar eigen beleid en besluitvorming. Bij vaststelling van kerninstrumenten zoals de omgevingsvisie en het omgevingsplan moet worden gemotiveerd hoe aan dit beleid uitvoering is gegeven.

De Wet versterking participatie op decentraal niveau verplicht gemeenten om de bestaande inspraakverordening voor 2027 te verbreden naar een participatieverordening. Deze verordening regelt hoe inwoners worden betrokken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Ook wordt het uitdaagrecht hierin uitgewerkt. Deze participatieverordening is breder (betreft alle beleidsvelden) dan het participatiebeleid. De VNG heeft een modelverordening voor participatie beschikbaar gesteld.

Belangrijk is dat zowel de participatieverordening als het participatiebeleid uitsluitend toezien op participatie door de overheid zelf en niet op participatie door initiatiefnemers bij vergunningaanvragen.

De raad stuurt hiermee op:

•    kaders voor participatie (via verordening en beleid)
•    verwachtingen richting college van B&W
•    transparantie van participatieprocessen
 

Omgevingsvisie en programma

Bij de omgevingsvisie en het programma is participatie vormvrij. De gemeente moet wel motiveren hoe participatie heeft plaatsgevonden, wat het resultaat is en wat met de inbreng is gedaan. Ook wordt in die motivering aangegeven of aan het participatiebeleid is voldaan.

Omgevingsplan

Bij het voornemen tot wijziging van het omgevingsplan moet de gemeente aangeven hoe participatie wordt ingericht. 
Bij de vaststelling van een wijzigingsbesluit omgevingsplan moet worden gemotiveerd hoe participatie heeft plaatsgevonden, wat het resultaat is en wat ermee is gedaan. Het participatiebeleid is daarbij het kader. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader voor vergunningverlening.

Omgevingsvergunning

Voor veel activiteiten geldt een omgevingsvergunningplicht. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor die activiteiten geldt de participatie-aanvraagvereiste. Dit betekent dat de initiatiefnemer moet aangeven of en zo ja, hoe hij belanghebbenden heeft betrokken.
Participatieresultaten zijn hierbij geen weigeringsgrond voor de vergunning. De wetgever heeft bewust gekozen voor een vormvrije benadering: de initiatiefnemer bepaalt zelf hoe participatie wordt ingericht. Het bevoegd gezag beoordeelt wel of de aanvraag volledig is, dus of aan de aanvraagvereiste is voldaan, en kan de inhoud van de participatie betrekken bij de besluitvorming.

BOPA (buitenplanse omgevingsplanactiviteit)

Initiatieven die afwijken van het omgevingsplan zijn buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (BOPA).
De gemeenteraad kan vooraf met een raadsbesluit gevallen aanwijzen waarin participatie verplicht is bij een BOPA. In die gevallen kan het ontbreken van (voldoende) participatie ertoe leiden dat een omgevingsvergunningaanvraag buiten behandeling wordt gelaten.
Ook hier geldt dat participatie vormvrij is, er kunnen door de gemeente dus geen criteria of regels worden vastgesteld over de participatie bij de omgevingsvergunning.

Participatie vraagt om maatwerk

Participatie is altijd contextafhankelijk. Niet elke activiteit vraagt om hetzelfde niveau van participatie. De omvang en impact van het initiatief bepalen de passende aanpak.
Participatie is ook iets anders dan het verkrijgen van draagvlak: ook na een zorgvuldig proces kunnen belangen uiteenlopen. Het is uiteindelijk aan het bevoegd gezag om alle belangen af te wegen en een besluit te nemen.

Rol van de raad: aandachtspunten

1.    De Wet versterking participatie gaat over de participatieverordening; de Omgevingswet over het participatiebeleid.
2.    Bij de omgevingsvisie van de gemeenteraad en het programma van het college van B&W heeft participatie inhoudelijke meerwaarde.
3.    Niet elke activiteit die leidt tot een vergunningaanvraag vraagt om participatie; de gemeenteraad bepaalt de juridische verplichting om aan participatie te doen bij activiteiten die afwijken van de regels.
4.    De raad bewaakt de samenhang tussen omgevingsvisie (richting), programma (uitwerking) en omgevingsplan (regels) en stuurt op de kwaliteit van participatie binnen deze instrumenten.

 

Meer informatie