Nummer 12, 25 augustus 2017 

Auteur: Leo Mudde | Foto: Sjef Prins/APA

Vóór de zomer was het even een mediahypeje. Het aantal pleeggezinnen daalde, terwijl de overheid al jaren streeft naar een gróter aanbod van pleegzorg. Het probleem ligt op het bordje van de gemeenten. Die zoeken het antwoord in de sfeer van de preventie. De vroeghulp begint al maanden vóór de geboorte. 


Pleegzorg valt onder de Jeugdwet en voor de uitvoering daarvan zijn sinds 2015 de gemeenten verantwoordelijk. Zij moeten, wanneer een kind uit huis wordt geplaatst, er samen met de professionals voor zorgen dat het zo snel mogelijk wordt ondergebracht bij een pleegouder of in een gezinshuis. 
Binnen de grenzen van het gemeentelijk samenwerkingsverband Food Valley speelt het onderwerp nadrukkelijk. Daar bevinden zich twee grote instellingen, in Barneveld jeugddorp De Glind en in Ede de locatie Kop van Deelen van de Hoenderloo Groep, een zorginstelling met een open en een gesloten sector. Hier worden mensen vanuit het hele land naartoe gebracht, het zijn de eindstations van vaak heel lange zorg- en hulpverleningstrajecten. Dat vraagt veel aandacht, energie en geld van de gemeenten in de regio.
In een ideale wereld komen minderjarigen niet in een zorginstelling, zegt wethouder Leon Meijer (ChristenUnie) van Ede. ‘Het beleid van de gemeente moet een beleid van preventie zijn, gericht op het voorkomen van een situatie dat kinderen buiten een gezin moeten opgroeien. Maar er zullen zich altijd situaties blijven voordoen waarin kinderen in hun eigen belang uit het ouderlijk huis worden geplaatst.’

Sociale inslag

En daar wringt het, want steeds minder gezinnen zijn bereid of in staat een kind op te vangen en de veilige omgeving van een ‘normaal’ gezin te bieden. Ede is wat dat betreft nog een gunstige uitzondering, met tweehonderd pleeggezinnen. ‘Best veel voor een stad van deze omvang’, zegt Meijer. ‘Volgens mij heeft het te maken met de sociale inslag van de inwoners van deze regio.’
Van pleeggezinnen zijn er niet snel genoeg. Het zijn de partners van gemeenten die er alles aan willen doen om te voorkomen dat kinderen op latere leeftijd een belasting voor de samenleving gaan vormen of in jeugdinstelling belanden. Maar niemand, ook een gemeente niet, kan mensen dwingen de pleegzorg voor een kind op zich te nemen. ‘Maar we kunnen wel actief voorlichten over de mogelijkheden, bijvoorbeeld over de vergoedingen waar pleegouders recht op hebben. Daar is nog veel onduidelijkheid over.’

Ik heb gesloten instellingen bezocht, zo schrijnend

Zelf pleegouder

De wethouder geeft zelf het voorbeeld, hij is pleegouder van een kind van zeven. Hij begrijpt goed dat niet iedereen staat te dringen om zich als pleeggezin aan te melden. ‘Het trekt een wissel op je. Mijn eigen jongste dochter is 19 jaar. Ineens moet je ’s avonds weer een oppas regelen als je samen weg wilt. Gelukkig werkt de gemeentelijke organisatie enorm mee. Ik heb geen afspraken voor negen uur, want ik sta elke morgen om halfnegen weer aan het schoolhek. Dat wil ik ook blijven doen, daar is hier alle begrip en medewerking voor.’
Meijer had zich niet zelf  aangemeld als potentiële pleegouder. ‘Mijn vrouw werkt in de  jeugdzorg en kreeg rechtstreeks de vraag of wij een kind wilden opvangen. Je zegt niet zomaar nee, daar ga je serieus over nadenken. Dan zeg je: oké, een paar maanden crisisopvang kunnen we wel aan. Maar inmiddels hebben we besloten dat ze kan blijven zolang het nodig is. Onlangs hadden wij een familiefeestje. Op de terugweg hoorde ik haar tellen. Toen ik haar vroeg wat ze aan het tellen was, zei ze: “Ik ben aan het tellen hoeveel neven en nichten ik er nu bij heb.” Een pleeggezin biedt een kind meer dan alleen opvoeders, er komt een hele stam mee.’

Door zijn persoonlijke ervaring is Meijer niet anders naar de problematiek gaan kijken. ‘Ik wist al van de verhalen die achter uit huis geplaatste kinderen zitten’, zegt hij. ‘Ik heb gesloten instellingen bezocht, daar werd ik echt even stil van, zo schrijnend. Maar ik heb in de collegeonderhandelingen wel expliciet om de portefeuille jeugdzorg gevraagd. Toen het op het bordje van de gemeenten kwam, dacht ik: dit is onze kans om écht iets neer te zetten, het verschil te maken. In Denemarken bezocht ik een jeugdgevangenis, de meeste jongeren konden gewoon naar buiten en gingen naar de dorpsschool. Door ze zo veel mogelijk mee te laten doen in de maatschappij voorkom je dat ze later terugvallen in oude patronen. Dat voorbeeld heeft me enorm geïnspireerd.’

Denemarken

Hij heeft nog een opvallend feitje meegekregen in Denemarken. ‘Daar zitten honderd kinderen in jeugddetentie, in Nederland duizend. Tien keer zoveel, terwijl we maar drie keer zo veel inwoners hebben, dat klopt toch niet? Het is voor mij een bevestiging van de Deense opvatting, dat we er zo vroeg mogelijk bij moeten zijn om te voorkomen dat kinderen die in een problematische situatie opgroeien, ook zelf ontsporen. Ede zet daarbij erg in op de rol van de professionals. De Centra voor Jeugd en Gezin doen goed werk, maar hun aandacht richt zich vooral op de opvoeding. Het begint al eerder, ik zie een cruciale rol weggelegd voor de verloskundige, die komt al bij een gezin over de vloer vóór een kind geboren is.’

Maastricht

Dat weten ze ook in Maastricht, dat flink aan de weg timmert met wat ‘integrale vroeghulp’ wordt genoemd. Gerdie Haasen, senior beleidsmedewerker jeugd bij de gemeente, benadrukt het belang van een goed netwerk om snel te kunnen interveniëren. ‘Voorheen richtte de vroeghulp zich alleen op ontwikkelingsachterstanden, nu kijken we al in een eerder stadium naar risicofactoren als verslaving, verstandelijke beperking, depressie of een bipolaire stoornis. Als in een gezin een aantal van die indicatoren bij elkaar komt, is dat een stevig signaal om het gesprek met zo’n gezin aan te gaan.’
Ging de maatschappelijke discussie nog niet zo lang geleden over de vraag of een gemeente, in het kader van veilig opvoeden van een kind, wel achter de voordeur van haar inwoners mag komen, het werkterrein lijkt nu te zijn opgerekt tot de periode dat het kind nog geboren moet worden. 

De relatie tussen moeder en kind bleef onderbelicht

Haasen: ‘Juist die eerste periode – van negen maanden voor de geboorte tot en met de eerste jaren erna – is zo ontzettend belangrijk, dan wordt de basis gelegd voor de verdere ontwikkeling van een kind. Traditioneel kijkt de jeugdgezondheidszorg naar de fysieke ontwikkeling van kinderen, zoals de motoriek en de groei. De relatie tussen moeder en kind bleef onderbelicht. Dat aspect van de hechting hebben wij hier nu sterk benadrukt. We hebben de jeugdartsen, de verloskundigen, de mensen van de consultatiebureaus, kortom alle professionals getraind hierover de gesprekken aan te gaan. Dat is door hen erg goed ontvangen, ze doen het nu allemaal en deze aanpak is inmiddels overgenomen in heel Limburg en rolt nu uit naar de rest van Nederland.’
Dat het niet bij de theorie blijft, blijkt uit de casus van een achttienjarig meisje dat in het najaar van 2016 met haar pasgeboren kind werd ondergebracht in een pleeggezin. ‘Die constructie hadden we al bedacht tijdens de zwangerschap. Het Team Jeugd van de gemeente had de aanstaande moeder als risico ingeschat en kaartte deze variant aan bij de wethouder en mij. Wij waren enthousiast, zeker onze wethouder Mieke Damsma. Zij is heel erg bereid te zoeken naar nieuwe oplossingen, zeker als het om preventie gaat.

Het pleeggezin waar moeder en kind zijn ondergebracht, zat in het bestand van de instelling die pleegouders begeleiden. Haasen: ‘Zij kenden dat gezin, ze zijn al 25 jaar pleegouders en vertrouwden erop dat ze dit aan zouden kunnen. Vergeet niet, het was voor ons allemaal de eerste keer dat we een kind én de jonge moeder in een pleeggezin onderbrachten. En het was niet niks wat we van de pleegouders vroegen: ze moesten beiden begeleiden, een veilige en rustige omgeving bieden waarin moeder en kind alle aandacht aan elkaar konden geven.’

Maatwerk

Haasen is ervan overtuigd dat vóór de decentralisatie van de jeugdzorg voor een andere oplossing zou zijn gekozen. ‘Voor de moeder was dan geen plaats geweest in een gezin, omdat ze niet jonger was dan achttien en er voor haar geen sprake kon zijn van verlengde jeugdhulp. Dat had alleen gekund als zij daarvóór ook al pleegzorg had gehad. Zij was dan waarschijnlijk met haar kind ondergebracht bij de vrouwenopvang. Dat is veel duurder – en als je het mij vraagt ook een slechtere oplossing in haar situatie.’
Eigenlijk doet Maastricht niets anders dan wat de wet van een gemeente vraagt, zegt ze. ‘Gemeenten moeten maatwerk bieden, een aanpak die past bij de individuele situatie. Dat hebben we gedaan. En als zich een soortgelijke situatie opnieuw voordoet, zijn we bereid het weer doen, hoewel de aanpak best onorthodox is.’
De moeder en haar kind hebben het pleeggezin inmiddels verlaten en wonen nu weer zelfstandig, maar worden nog wel begeleid.