Nummer 2, 2016

Commentaar Kees Jan de Vet

Missing media.
‘We willen niet zwichten voor geweld, maar we willen ook niet dat inspraak uitdraait op incidenten.’  Met die woorden typeerde burgemeester van Ede Cees van der Knaap treffend het dilemma dat in diverse gemeenten speelt bij de besluitvorming over de opvang van vluchtelingen. Als de vluchtelingenstroom zich ook de komende tijd substantieel voortzet, zal menig gemeente wederom in gesprek moeten met inwoners over de huisvesting van vluchtelingen. In veel gemeenten verloopt dat gesprek constructief. Maar in een aantal gemeenten was een dialoog niet mogelijk en kon de gemeenteraad nauwelijks onbevangen een afweging maken vanuit het publieke belang. Het zegt veel over het vluchtelingenvraagstuk, maar het raakt ook in de kern de gezagspositie van gemeenten.

Het ongemakkelijke gevoel in gemeenten is naar mijn overtuiging te herleiden tot de ingewikkelde verantwoordelijkheden van overheden ten opzichte van elkaar en zeker ook ten opzichte van het COA. In onze bestuurlijke benadering  hebben we een werkwijze ontwikkeld om vraagstukken in een samenwerkingscultuur direct praktisch te benaderen. Daar zitten evidente voordelen aan, zoals het bestuursakkoord dat ketengericht het vluchtelingenvraagstuk benadert. Maar het kan ook leiden tot onduidelijkheid over bestuurlijk eigenaarschap. Het onderscheid tussen een autonome gemeentelijke verantwoordelijkheid en een taak die gemeenten in medebewind uitvoeren om mee te werken aan rijksbeleid, is diffuus geworden. In de lokale bestuurspraktijk zie ik daardoor soms knellende voorstellen ontstaan die niet enkel kunnen worden afgedaan met een dialoog die wel of niet goed werd gevoerd. 

Juist het onderscheid tussen medebewind en lokale autonomie is wezenlijk voor een goede dialoog. Als gemeenten op basis van een echte autonome afweging kunnen besluiten of zij meewerken aan de oplossing van grote vraagstukken, dan staat de lokale democratie in haar kracht. Dan is er ruimte voor lokaal maatwerk, met een wil tot verschil. Het bestuurlijk ongemak ontstaat wanneer een lokale afweging wordt gesuggereerd, maar lokaal maatwerk feitelijk nauwelijks mogelijk is. Als colleges een voorstel in de gemeenteraad brengen dat eigenlijk van hogerhand is gevormd, is er geen mogelijkheid voor echte dialoog en lokale afweging. Er is dan louter sprake van zenden en niet van verbinden. 

Een betere ordening vooraf van bestuurlijke verantwoordelijkheden en posities van overheden naar elkaar toe zou mijns inziens bevorderlijk zijn voor het vervolg van deze complexe discussie. Betreft het lokale autonomie of is het toch eigenlijk bestuur in medebewind? Helderheid vooraf leidt tot minder bestuurlijk ongemak en is zeker hier noodzakelijk voor de gezagspositie van gemeenten.

Kees Jan de Vet, lid van de VNG-directieraad, keesjan.devet@vng.nl, @keesjandevet