Nummer 8, 19 mei, 2017

Auteur: Marten Muskee

Het volgende kabinet moet het wettelijk mogelijk maken dat ieder kind vanaf 2 jaar toegang krijgt tot pedagogische ontwikkeling. Daarbij hoort een publiek gefinancierd basistoegangsrecht waarmee lokale partijen de benodigde kindcentra kunnen inrichten.  

De boodschap van wethouder Eric Logister (D66) in ’s-Hertogenbosch richting de formerende partijen in Den Haag is duidelijk: gemeenten willen integrale kindcentra voor kinderen van 0 tot en met 12 jaar. Dat heeft alles te maken met de pedagogische kijk op de optimale ontwikkeling van kinderen.
In kindcentra komen onderwijs, kinderopvang en peuterspeelzaal samen onder één leiding met een heldere pedagogische visie. In ’s-Hertogenbosch gaan alle basisscholen en kinderopvanginstellingen op in een kindcentrum. Maar om werkelijk tot één organisatie te komen, is de hulp van het nieuwe kabinet nodig. De VNG is gestart met een proeftuin integrale en inclusieve kindcentra om een duidelijk beeld te krijgen waar de kansen en knelpunten liggen. ’s-Hertogenbosch is een van de deelnemende gemeenten.

IJkpunt

Inherent aan die deelname is het feit dat ’s-Hertogenbosch al jaren bezig is met de vorming van kindcentra. Logister noemt 2011 als ijkpunt toen de gemeente de vraag invulde hoe ervoor te zorgen dat kinderen zich optimaal ontwikkelen. ‘Voor ons ligt het antwoord in kindcentra bij het ontwikkelrecht. Wij spreken niet over de leerplicht, maar over een ontwikkelrecht. Kinderen ontwikkelen zich niet vanaf vijf jaar en alle kinderen hebben een ander ontwikkelpatroon. Het ene kind is sneller toe aan leren, het andere kind ontwikkelt zich spelenderwijs.’ De harde grens van de leerplicht tussen basisschool en opvang doet in de praktijk geen recht aan de ontwikkeling van ieder kind. Daarom moeten wat betreft Logister scholen en kinderopvangorganisaties opgaan in één organisatie en het liefst in één gebouw.

Op de pabo worden studenten al opgeleid voor de kindcentra

Gezamenlijke ambitie

In de afgelopen vijf jaar hebben de gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties samengewerkt aan de vorming van kindcentra. In 2016 concludeerden de drie partijen in een overeenkomst dat ze een gezamenlijke ambitie hebben bij de ontwikkeling van het kind. De laatste fase is dan ook de vorming van één organisatie. ‘Dat is ook wat we als VNG vragen aan de coalitievormende partijen. Wij voelen ons samen verantwoordelijk en kijken op een andere manier naar voorschoolse opvang en de groepen 1 en 2 van de basisschool. In de kindcentra draait het erom kinderen van 0 tot en met 12 jaar zo goed mogelijk te accommoderen in hun ontwikkeling. Hier loopt de samenwerking al en dat is de doelstelling in veel gemeenten.’
Alle basisscholen en negen kinderdagverblijven in ’s-Hertogenbosch doen mee. 93 procent van de kinderen gaat naar de kinderopvang of de peuterspeelzaal. Het streven is 100 procent, maar er zijn ook ouders die liever gebruikmaken van een gastouderbureau. Bij vrijwel elke school is inpandig kinderopvang aanwezig en er zijn afspraken gemaakt hoe met elkaar samen te werken. Voor Logister is het inmiddels duidelijk, en dat blijkt ook uit de proeftuin, dat de kinderen in hun ontwikkelingsgang veel beter worden ondersteund. Tweede voordeel is dat de professionals nauwer met elkaar samenwerken. ‘We spreken in het onderwijs vaak van een warme overdracht en dat wordt veel gemakkelijker. De overdracht gaat als het ware via het kind zelf. Dat wordt tussen 3 tot 5 jaar begeleid door de pedagogisch medewerker van de kinderopvang en de leerkracht van de basisschool.’

Op maat

Logister noemt het voortschrijdend inzicht, Bildung als pedagogisch concept waarbij het kind op maat wordt gestimuleerd. Het kindcentrum is volgens hem de volgende stap in goed onderwijs. Daarnaast is een aantal jaren geleden vol ingezet op onderwijsachterstandenbeleid (oab) en voor- en vroeg-
schoolse educatie (vve). Dat was niet voor niets, want het is zeer moeilijk om de achterstanden die kinderen in de maatschappij hebben in te halen. Een kindcentrum signaleert in een vroeg stadium of er iets mis is in de ontwikkeling en kan tijdig bijsturen.  

Eén gebouw

Uit de proeftuin blijkt dat gemeenten verschillende aanpakken hebben bij de vorming van kindcentra. In de ene gemeente kiest men voor één gebouw met daarin opvang en onderwijs, de ander kiest voor de verbinding tussen de partijen. ’s-Hertogenbosch kiest voor beide benaderingen, maar met een voorkeur voor het ene gebouw. ‘Het concept kindcentrum en de fysieke plaats zijn twee verschillende dingen. Bij elke nieuwe school die wij sinds 2000 bouwen, houden we rekening met het concept op één locatie. Maar we praten ook met kinderopvangorganisaties die standalone-opvang bieden over samenwerking. We laten in die gevallen het concept niet los. ’s-Hertogenbosch zet primair in op één locatie omdat de professionals daar echt het gevoel ontwikkelen samen verantwoordelijk te zijn en elk kind op maat bedienen in zijn ontwikkeling. Wij zijn ervan overtuigd dat dit de manier is.’

Elke gemeente hoort volgens Logister de ruimte te krijgen om op een eigen manier kindcentra te ontwikkelen. ’s-Hertogenbosch heeft zich in 2015 aangemeld voor de Experimentenwet van minister Plasterk en doet mee aan de proeftuin, omdat scholen en opvang bij de totstandkoming van één organisatie tegen de grenzen van de wetgeving aanlopen. De wettelijke eisen voor de kinderopvang en voor de basisschool verschillen zodanig dat het moeilijk is om een kind van 3 jaar mee te laten doen met een docent in groep 1 van de basisschool. ‘Die harde grens zit ons echt in de weg, we hebben ruimte nodig om beide zijden te laten vervloeien. Bij één organisatie moet je ook nadenken hoe je de pedagogisch medewerkers opleidt op mbo- en hbo-niveau. En ook hier doet ’s-Hertogenbosch volop mee, want op het roc en de pabo worden studenten pedagogisch medewerker al geschoold voor de kindcentra.’

Restricties opheffen

Op dit moment kijkt de gemeente in goed overleg wat er mogelijk is via de Experimentenwet. Betrokkenen moeten binnen de huidige regelgeving zaken zien vorm te geven en wijken daar, mits goed uitlegbaar, vanaf. Ze hebben zich echter wel te houden aan de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen met alle restricties van dien. ‘We hebben twee kindcentra waarvan je kunt zeggen dat die functioneren als één organisatie. Daar werken de pedagogisch medewerker en leerkracht samen in een groep waarin kinderen van 0 tot 6 in verschillende ontwikkelingsfases zitten. Willen we dit echter uitrollen over de hele stad, dan kunnen we niet met uitzonderingen werken en her en der wat plooien. Dan heb je ruimte nodig om naar die ene organisatie toe te gaan en daar is het kabinet bij nodig.’
 
Logister zou graag zien dat het nieuwe kabinet straks de visie overneemt van de VNG tot het ontwikkelen van kindcentra en in de wet ruimte schept om dat te kunnen doen. Naast die ontwikkelruimte is ook financiële ruimte nodig want elke euro investering in het onderwijs betaalt zich later uit. ‘We hebben de motie gehad van Buma met de korting op de onderwijshuisvestingsgelden. Die korting kunnen wij gelukkig bijpassen vanuit onze algemene middelen om te zorgen voor goede onderwijshuisvesting. Nu liggen er voorstellen bij het demissionaire kabinet om, zeker voor de grote steden, het budget voor het onderwijsachterstandenbeleid naar beneden bij te stellen. Dat is een heel slecht idee. Want juist die gelden zijn voor ons van eminent belang om het kind op een verantwoorde manier via de kinderopvang naar het onderwijs te brengen.’ In 2016 is afgesproken dat alle kinderen in ’s-Hertogenbosch vanaf 2,5 jaar 8 of 16 uur per week recht hebben op kinderopvang of een plek op de peuterspeelzaal, ongeacht hun afkomst. Dat financiert de gemeente volledig voor de laagste inkomens en daar worden ook de oab-gelden voor gebruikt. ‘We willen de opvang graag mogelijk maken voor kinderen vanaf 2 jaar, maar dat laten de gemeentefinanciën niet toe. Het zou verschrikkelijk zijn als daar nog een bezuinigingsslag overheen komt. Het kabinet zou het mogelijk moeten maken dat ieder kind vanaf 2 jaar recht heeft op ontwikkeling en op die manier onze kindcentra financieren. Een publiek gefinancierd basis toegangsrecht dat aanhaakt bij de oab- en vve-gelden.’

Meer informatie: www.kindcentra2020.nl

Wet- en regelgeving past niet


Steeds meer schoolbesturen en kinderopvangorganisaties beschouwen het kindcentrum als een belangrijk middel om kinderen goed te laten ontwikkelen en kansengelijkheid te bevorderen. Uit recent onderzoek van de PO-Raad, de sectororganisatie voor het primair onderwijs, blijkt echter dat de oprichting van kindcentra trager gaat dan scholen en kinderopvangorganisaties zouden willen. Wet- en regelgeving staat in de weg.

‘In Europa is Nederland een van de laatste landen waar kinderen pas vanaf 4 jaar (verplicht) naar een vorm van een voorschoolse of onderwijsvoorziening gaan’, schetst voorzitter van de PO-Raad en oud-wethouder in Utrecht Rinda den Besten. ‘In Duitsland, België, Engeland of de Scandinavische landen begrijpen ze dat veel beter en bieden al eerder aanbod.’ Er gebeurt veel in de hersenen van kleine kinderen dus die moeten we kwalitatief goed begeleiden. Daarnaast merken we dat er kinderen in groep 1 zijn die al een achterstand hebben opgelopen, bijvoorbeeld vanwege de situatie thuis of door een leerstoornis, die eigenlijk niet meer is in te halen. Voor hen is het dus belangrijk dat ze al eerder worden opgevangen en begeleid.’

Aparte organisaties

De PO-Raad constateert dat veel scholen en kinderopvangorganisaties al samenwerken in één gebouw, maar dat gebeurt vanuit twee aparte organisaties met elk hun eigen financieringsstromen, arbo-normen en cao. Daar stokt de doorgaande lijn van het kindcentrum als één organisatie. Den Besten noemt het eigenlijk een soort van bedrijfsverzamelgebouw. ‘Scholen, kinderopvang, peuterspeelzalen, PO-Raad en gemeenten willen zich graag samen rondom het ontwikkelde kind organiseren. Daar is een wettelijk en financieel kader bij nodig. Dat is er nu niet en organisaties hebben daar een dure prijs voor betaald.’ Den Besten doelt op forse btw-naheffingen door het inhuren van personeel bij elkaar of terugvorderingen van onderwijsgeld door de onderwijsinspectie omdat dit werd ingezet voor kinderen jonger dan 4 jaar.
Schoolbesturen die al met een kindcentrum bezig zijn, moeten ingewikkelde juridische constructies bedenken waarop notarissen en adviesbureaus binnenlopen. ‘Het juridische, fiscale en financiële gedoe om de zaken dicht te timmeren om iets simpels te doen in het belang van het kind, neemt jaren in beslag.’

Die restricties leiden in de praktijk tot veel gedoe. Daar waar onderbouw en kinderopvangorganisatie samenwerken, mag de intern begeleider van de school niet overleggen met de kinderopvang over wat nodig voor de kinderen. Die mag geen minuut tijd inzetten buiten de onderwijsinstelling. Den Besten: ‘Bij een themaproject herfst bijvoorbeeld mogen kleuters niet samenwerken met basisschoolkinderen. Wanneer de onderwijsinspecteur langskomt, moet de begeleider ze snel door de deur drillen omdat ze niet op hun locatie zitten. Dat wil niemand.’

Geen plicht

De PO-Raad heeft niet als boodschap dat elke school een kindcentrum moet inrichten, maar vraagt wel om na te denken over wat de kinderen in de wijken en dorpen nodig hebben. Ieder kind heeft recht op opvang en samenwerking tussen de instellingen moet mogelijk worden. ‘Het gaat om een voorziening, maar het is geen plicht’, aldus Den Besten. ‘De leerplicht geldt vanaf 5 jaar, maar ouders brengen hun kind vanaf 4 jaar naar school omdat ze dat als iets goeds beschouwen. Zo moeten ze het kindcentrum ook gaan zien.’
Laten we het samen mogelijk maken dat de kindcentra er komen, vervolgt Den Besten. ‘Kinderopvangbranches, de PO-Raad, gemeenten en peuterspeelzalen hebben elkaar gevonden op dit doel en dat is bijzonder. Het Rijk moet echter het ei leggen en gemeenten nemen vervolgens de regie over wat is er lokaal nodig is. Daar geldt geen blauwdruk voor, elke wijk is anders. Een kindcentrum kan bijvoorbeeld gecombineerd worden met zorg in een wijk. Maak het wettelijk mogelijk en zorg ervoor dat er een aanbod komt van 16 uur per week voor kinderen van 2 tot 4 jaar.’