Het is raadzaam om de ondernemers in uw gemeente in beeld te krijgen om hen (zo vroeg mogelijk) passende hulp te bieden. Veel gemeenten vragen ons hoe zij de ondersteuning aan ondernemers kunnen inrichten of versterken.  Lees hieronder de meest gestelde vragen over hulpverlening aan ondernemers.

ondernemer en schulden

Kunnen ondernemers een aanvraag schuldhulpverlening doen? 

Ook ondernemers kunnen schuldhulpverlening aanvragen. Schuldhulpverlening, op basis van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs), staat open voor natuurlijke personen. Rechtspersonen kunnen geen schuldhulpverlening aanvragen.  

Moeten ondernemers hun onderneming stoppen om in aanmerking te komen voor schuldhulp? 

Het hebben van een onderneming is geen grond voor uitsluiting van schuldhulpverlening. Er is slechts één absolute weigeringsgrond in de gewijzigde Wgs opgenomen: inwoners die geen verblijfsstatus hebben komen niet in aanmerking voor schuldhulpverlening. Daarnaast hebben gemeenten de beleidsvrijheid om fraude en/of recidive als afwijzingsgrond te hanteren, mits dit in het beleidsplan is vastgelegd. Het vragen om eerst de onderneming te beëindigen voordat een beroep kan worden gedaan op schuldhulpverlening te gaan is niet per definitie het uitgangspunt. Dat zal afhangen van de situatie.  

De ondersteuning aan inwoners met schulden vraagt altijd om maatwerk. Dit geldt ook voor ondernemers, mede omdat zowel de mogelijkheden vanuit de Wgs als de Bbz bekeken dienen te worden. Daarbij zijn verschillende scenario’s mogelijk: is bijvoorbeeld een doorstart mogelijk, is beëindiging van de onderneming noodzakelijk? Is er juist winst te behalen door tijdelijk extra inkomensondersteuning te bieden of door een investering in het bedrijf? Op deze vragen zal na de aanvraag schuldhulpverlening een antwoord moeten worden gevonden. 

Ondernemers en vroegsignalering 

Sinds 1 januari 2021 is vroegsignalering van achterstanden van vaste lasten partners een wettelijke taak geworden. Wanneer een inwoner één of meerdere achterstanden heeft op zijn vaste lasten, dan worden deze achterstanden aan de gemeente gemeld. De gemeente benadert inwoners op basis van deze meldingen van betaalachterstanden proactief en biedt binnen vier weken een eerste gesprek aan. Wanneer de inwoner dat wil, zal de gemeente een hulpaanbod doen. Ook als er betaalachterstanden zijn gemeld en de inwoner is ondernemer, biedt de gemeente proactief een eerste gesprek aan. Wanneer de ondernemer dat wil, kan de gemeente daarna een ondersteuningsaanbod doen. Dit hoeft niet direct schuldhulpverlening te zijn. Bijvoorbeeld als de ondernemer is geholpen bij het maken van betalingsregelingen. 

Moeten ondernemers zelf betalen voor schuldhulpverlening?   

Het is niet in lijn is met de brede toegang vanuit de Wgs en de rechtsgelijkheid dat zelfstandigen een deel van die schuldhulpverlening zelf zouden moeten bekostigen terwijl andere inwoners dit niet hoeven. Het is dus goed om te kijken waaruit de kosten die zelfstandigen moeten betalen uit bestaan. Er zijn verschillende vormen van hulp denkbaar zoals hulp aan de ondernemer (als inwoner/natuurlijk persoon) en hulp aan de onderneming, zoals bijvoorbeeld doorstarten, beëindigen of saneren. Het is dus goed om onderscheid te maken tussen de kosten voor schuldhulpverlening en bedrijfskosten, bijvoorbeeld het afsluiten van een krediet om de bedrijfsvoering te continueren. De kosten van schuldhulpverlening worden door de gemeente gedragen, de kosten die worden gemaakt om het bedrijf te kunnen continueren zijn geen onderdeel van schuldhulpverlening, maar bedrijfskosten. Deze kosten zijn voor de ondernemer. 

Heeft de gemeente de ondersteuning aan ondernemers goed ingericht?   

Op deze vraag is geen standaardantwoord te geven. De VNG is bezig met de ontsluiting van meer informatie over de inrichting van een ondernemersloket. U kunt op de website www.VNG.nl/schulden informatie vinden over activiteiten in het kader van het project ‘Geldzaken en ondernemers’ en de (implementatie van) wetswijzigingen in het schuldendomein. Daarnaast kunt u natuurlijk altijd contact opnemen om uw lokale situatie te bespreken. Staat uw vraag en antwoord hier niet tussen? Neem dan contact op met het implementatieteam Verbinden Schuldendomein van VNG Realisatie via 070-37382 42 of schulden@vng.nl

Welke dienstverlening moet een gemeente inrichten om ondernemers met financiële problemen te helpen?   

Hiervoor bestaat geen blauwdruk. In de praktijk hebben gemeenten een eigen aanpak, deels ingegeven door lokale omstandigheden. Veel gemeenten hebben een ondernemersloket voor vragen die betrekking hebben op bedrijven. Als het gaat om vragen over geldzaken, bieden gemeenten een veelvoud van diensten aan of verwijzen zij door naar gespecialiseerde marktpartijen. Vaak heeft een gemeente een deel van de hulpverlening belegd bij een uitvoeringsinstantie. Denk aan toegang tot financiering, coaching van een schuldhulpmaatje, coaching in samenwerking met een ondernemersklankbord, trainingen, cursussen, juridisch spreekuur, herscholing, heroriëntatie en bijscholing. Daarnaast kan de gemeente de uitvoering van schuldhulpverlening aan ondernemers als geheel uitbesteden.  

Gemeenten kunnen hulp bieden vanuit een verschillende focus: sommigen gemeenten bieden hulp vanuit de Bbz-regeling (Besluit bijstandsverlening zelfstandigen) en andere gemeenten vanuit de Wgs (Wet gemeentelijke schuldhulpverlening). En het kan ook een combinatie van beiden zijn. De gewijzigde Wgs legt meer nadruk op een brede toegang tot schuldhulpverlening en deze toegang geldt voor alle natuurlijke personen, dus ook voor ondernemers. Dit betekent dat alleen Bbz niet voldoende is. Voor kleine gemeenten kan samenwerking met andere gemeenten nuttig zijn, omdat het moeilijk is alle expertise in huis te halen.  

Ook wanneer je als gemeente een deel van de schuldhulpverlening uitbesteedt, is het belangrijk om goed bereikbaar te zijn voor ondernemers. Verder is het van belang om warm door te verwijzen en heldere informatie op de website te zetten waar ondernemers terecht kunnen. Zorg ervoor dat het eerste gesprek met de ondernemer binnen 4 weken na ontvangst van de aanmelding plaatsvindt, een brede intake is hierbij van belang. Uiteraard is het ook belangrijk om afspraken te maken met de ketenpartners met wie u op dit terrein samenwerkt. 

Hoe breng ik als gemeente de mogelijke toestroom van ondernemers in kaart?   

Ondernemers zijn vaak niet op de hoogte dat zij hulp kunnen vragen aan de gemeente. Daarnaast melden zij zich niet gemakkelijk voor hulp. Taboe en schaamte spelen daarbij een belangrijke rol. Gemeenten kunnen een proactief beleid voeren om zelf een beeld te krijgen van de situatie waarin mensen verkeren door hen zelf te benaderen. Bijvoorbeeld door aan ondernemers die een Tozo-regeling hebben aangevraagd te vragen of zij wellicht behoefte hebben aan andere of extra ondersteuning. Via de lokale ondernemersvereniging kan de gemeente aangesloten ondernemers voorzien van algemene informatie over ondersteuning bij financiële zorgen. Het is belangrijk goed te luisteren naar de zorgen van ondernemers en de tijd te nemen voor een gesprek. Vragen die u kunt stellen zijn bijvoorbeeld: heeft u hulp of advies nodig bij financiële zorgen, hebt u behoefte aan loopbaanoriëntatie en/of omscholing, overweegt u het stoppen van de onderneming, of, heeft u behoefte aan het verder ontwikkelen van uw ondernemersvaardigheden? 

Hoe kunnen gemeenten de ondernemers het beste bereiken?  

Ervaring leert dat ondernemers zich niet snel melden bij gemeenten voor financiële hulp. Zij realiseren zich vaak niet dat ze hun gemeente om hulp kunnen vragen, of ze hebben geen volledig beeld van wat de gemeente voor hen kan betekenen. Daarnaast speelt schaamte of angst een onderneming te moeten beëindigen soms een rol.   

Het is belangrijk om ondernemers in beeld te krijgen om hen zo vroeg mogelijk passende hulp te bieden. Dit kan door te inventariseren hoeveel ondernemers er in uw gemeente zijn, welke ondernemers uw gemeente al in beeld heeft en welke gegevens van deze ondernemers bekend zijn. De ondernemers die een beroep deden op de Tozo-regeling zijn bijvoorbeeld al in beeld bij gemeenten en kunnen zoals eerder beschreven op die manier bereikt worden om aanvullende hulp aan te bieden.  Daarnaast kunnen ondernemersverenigingen of ondernemende (keten)partners vaak goed meedenken over wat er nodig is om ook de andere ondernemers beter te bereiken.  

Waar vind ik als gemeente opleidingen om mensen op te leiden als schuldhulpverlener voor ondernemers?   

Er zijn meerdere opleidingsorganisaties die hiervoor trainingen en opleidingen aanbieden. Het is verstandig u goed te verdiepen in de kwaliteit van de organisatie en de waardering van andere gemeenten. Daarnaast heeft de branchevereniging NVVK voor leden een module schuldhulpverlening voor ondernemers.

Hoe kan ik als gemeente de inkoop vormgeven als ik de schuldhulpverlening aan ondernemers wil uitbesteden?   

In artikel 3a van de Wgs staat dat de uitvoering en besluitvorming in het kader van de schuldhulpverlening kan worden verricht door gemandateerde organisaties of instellingen. Gemeenten kunnen dus zowel de uitvoering als de besluitvorming uitbesteden. Om de besluitvorming aan een externe organisatie over te laten, moet het college dit wel mandateren. De gewijzigde Wgs maakt overigens wel expliciet dat de gemeente verantwoordelijk blijft voor de borging van kwaliteit en het behandelen van klachten, ongeacht de mandatering. Ondernemers mogen hun klacht zowel indienen bij het college als bij de externe organisatie. In de Leidraad Uitbestede diensten kunt u hierover informatie vinden. 

Het uitbesteden van de werkzaamheden kan via een zogenaamde SAS-procedure worden aanbesteed, klik hier voor deze procedure. Op basis daarvan kan de gemeente een partij selecteren die de schuldhulpverlening uitvoert.  

Welke tijdelijke financiële regelingen kan ik als gemeente bieden aan ondernemers?  

Er zijn verschillende financiële regelingen mogelijk. De Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo), gebaseerd op de Bbz, is een ondersteuning voor zelfstandig ondernemers die door de coronacrisis in financiële moeilijkheden zijn gekomen. De Tozo is verlengd tot en met september 2021. Vanaf 1 juli tot 1 oktober 2021 kunnen ondernemers de 'Tozo 5' aanvragen, voor de maanden juli, augustus en september 2021.  

De Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) ondersteunt ondernemers en zelfstandigen om hun vaste lasten te betalen. De TVL is ieder kwartaal aan te vragen tot en met september 2021. De TVL is de opvolger van de Tegemoetkoming Ondernemers in Getroffen Sectoren COVID-19 (TOGS), die tot 26 juni 2020 kon worden aangevraagd.  

Werkgevers kunnen met de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW) het personeel doorbetalen tijdens de coronacrisis. Let op: ondernemers kunnen de NOW-regeling aanvragen bij het UWV, de gemeente kan ondernemers daarnaar doorverwijzen. Een onderneming moet minimaal 20 procent omzetverlies hebben om in aanmerking te komen voor de subsidie. De steun bij deze NOW-regeling is gerelateerd aan het omzetverlies en bedraagt maximaal 85 procent van de loonsom. De NOW 3.3 is aan te vragen tot 1 juli 2021, over de maanden april, mei en juni 2021. Daarna gaat de NOW 4 in.  

Bieden andere regelingen of uitkeringen zoals Tozo te weinig steun, dan kunnen ondernemers de Tijdelijke Ondersteuning Noodzakelijke Kosten (TONK) aanvragen. De uitkering geldt voor huishoudens, dus ook voor ondernemers. Noodzakelijke kosten zijn bijvoorbeeld woonlasten, zoals huur, hypotheekaflossing, hypotheekrente en kosten voor de vaste lasten zoals gas, water en elektriciteit. De tegemoetkoming kan ook in de vorm van een lening worden verstrekt. TONK is geen inkomensondersteuning. De hoogte van TONK-uitkering hangt af van de situatie. De gemeente kan hierbij kijken naar naar de hoogte van de (woon)kosten, het inkomen en welk deel van de kosten nog door de ondernemer kunnen worden doorbetaald.  

Wetgeving  

Wat is het verschil tussen het minnelijk en wettelijke traject?  

Wanneer een ondernemer de schulden niet meer kan betalen en zich aanmeldt voor schuldhulpverlening, dan wordt in eerste instantie het minnelijke traject conform de Wgs opgestart. In het minnelijk traject zal de schuldhulpverlener inzetten op een akkoord met alle schuldeisers op basis van de gedragscode schuldregeling van de NVVK. Dit betekent dat de ondernemer de schulden in principe binnen 3 jaar zo veel mogelijk aflost en dat het restant daarna zal worden kwijtgescholden. Om te bepalen welk deel kan worden afgelost wordt een VTLB (vrij te laten bedrag) vastgesteld, dat ervoor moet zorgen dat er voldoende financiële middelen zijn om de vaste lasten te betalen, de zorgverzekering en boodschappen te doen. Is een minnelijke regeling niet mogelijk, dan kan de route van een wettelijke regeling worden opgestart door middel van een verzoekschrift Wsnp (Wet schuldsanering natuurlijke personen) aan de rechtbank. Het verzoekschrift moet een verklaring 285 Faillissementswet bevatten.  

De Wsnp kan alleen worden ingezet voor natuurlijke personen. Een eenmanszaak of VOF zijn natuurlijke personen, een BV is dat niet. Om voor de wettelijke regeling in aanmerking te komen moet de onderneming vaak worden gestaakt en worden bedrijfseigendommen verkocht. Dit wordt uitgevoerd door de door de rechter benoemde bewindvoerder. Ook bij de wettelijke regeling is het VTLB van toepassing. Zowel bij de minnelijke als bij de wettelijke regeling wordt jaarlijks getoetst of het af te lossen bedrag nog juist is. Indien het inkomen toeneemt, zal ook meer moeten worden afgelost. 

Wat is het verschil tussen de Beslagvrije voet (BVV) en het Vrij te laten bedrag (VTLB)?  

Inwoners die toegelaten worden tot de schuldhulpverlening kunnen te maken krijgen met beslag op hun inkomen; de Beslagvrije voet (BVV). De BVV borgt het bestaansminimum dat iemand nodig heeft voor de belangrijkste levensbehoeften, zoals de vaste lasten, boodschappen en premie zorgverzekeringen. De BVV zorgt ervoor dat een deurwaarder namens de schuldeisers alleen het deel in beslag kan nemen dat boven de beslagvrije voet uitkomt. Bij een inkomen lager of gelijk aan de toepasselijke bijstandsnorm is de BVV gelijk aan 95 procent van het netto-inkomen inclusief vakantietoeslag. Dit zorgt ervoor dat 5 procent van het inkomen beschikbaar wordt gesteld als afloscapaciteit.  

Er is een verschil tussen de BVV en het VTLB. Het VTLB houdt rekening met extra kosten waaronder bijvoorbeeld partner- en/of kinderalimentatie. Daardoor kan een VTLB hoger uitvallen dan de BVV. 

Wat is de definitie van een levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep?  

Het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Dit is de definitie uit het Besluit Bijstandverlening Zelfstandigen 2004.  

Bij een niet-levensvatbaar bedrijf is Bbz toch niet mogelijk?  
Ja, er zijn een paar uitzonderingen. In de regel gelden er een aantal voorwaarden om aanspraak te maken op financiële steun op grond van het Bbz, zoals: 

  • Een bedrijf moet na de bijstandsverlening levensvatbaar zijn.   
  • De persoon moet minimaal 1.225 uur per jaar werkzaam zijn in het bedrijf. 
  • Er kan geen hulp meer verkregen worden via een bank of een borgstellingsfonds.   

In de volgende gevallen hebben ondernemers alsnog (tijdelijk) recht op financiële steun op grond van het Bbz:   

  • Wanneer een zelfstandige het bedrijf beëindigt omdat dit niet langer levensvatbaar is, dan kan de zelfstandige een aanvullende uitkering krijgen tot het bijstandsniveau. Hiermee kan de zelfstandige in levensonderhoud worden voorzien in de periode dat het bedrijf wordt beëindigd voor de duur van maximaal één jaar.  
  • Wanneer een zelfstandige geboren is vóór 1 januari 1960 en onvoldoende inkomen uit het bedrijf voortkomt, kan deze mogelijk een uitkering aanvragen of een bedrijfskapitaal. Hiervoor dient de zelfstandige te voldoen aan het urencriterium (1.225 uur in het kalenderjaar), een lager inkomen hebben dan de bijstandsnorm, ten minste 10 jaar achter elkaar een bedrijf of een zelfstandig beroep hebben uitgeoefend voorafgaand aan de aanvraag en een bruto-inkomen uit de onderneming hebben van gemiddeld ten minste €8.068 per boekjaar (in 2020).  

Waar kan ik terecht met vragen? 

Vragen kunnen worden gesteld via schulden@vng.nl en via 070 - 3738232.