Nummer 12, 2016

Auteur: Sanne van der Most

Dit schooljaar gingen zo’n tienduizend leerlingen kortere of langere tijd niet naar school. Dat is schadelijk voor hun sociale ontwikkeling én voor de economische kansen in hun latere leven. Het Thuiszitterspact moet hier verandering in brengen. ‘De ambities zijn hoog, maar noodzakelijk’, zegt aanjager Marc Dullaert. ‘In 2020 mag geen enkel kind langer dan drie maanden thuis zitten.’

Langdurig spijbelen, jeugdzorgproblematiek, te ingewikkeld maatwerk of gewoon geen geschikte onderwijsplek kunnen vinden door een geestelijke of lichamelijke beperking; er zijn talloze redenen waardoor leerlingen kort of langer thuis komen te zitten. Tijdens de Landelijke Thuiszitterstop op 13 juni jl. bogen wethouders, samenwerkingsverbanden, zorgverleners, scholen, leerplichtambtenaren en ouders zich samen over dit probleem. Met als resultaat het Thuiszitterspact, dat werd ondertekend door de staatssecretarissen Sander Dekker (OCW) en Martin van Rijn (VWS), de PO-, en de VO-raad, het ministerie van Veiligheid en Justitie en de VNG. Samen met aanjager en oud-kinderombudsman Marc Dullaert gaan deze partijen zorgen dat geen enkel kind meer buiten de boot valt.

Het zal je eigen kind maar zijn

In zijn tijd als kinderombudsman hield Dullaert zich uitgebreid met het onderwerp bezig. Hij schreef  twee rapporten. Een over het leerrecht, dat ieder kind heeft, het andere over de stand van zaken rondom passend onderwijs. De keuze voor Dullaert om als aanjager van het Thuiszitterspact op te treden, komt dus niet uit de lucht vallen. ‘Tienduizend kinderen, dat lijken er misschien niet zo veel als je het afzet tegen de miljoenen Nederlandse kinderen die wél naar school gaan’, merkt hij op. ‘Maar het zal je eigen kind maar zijn. Iedere leerling die niet naar school gaat, is er een te veel. Zeker als je bekijkt wat een impact zoiets op het leven van een individuele leerling heeft. Ze missen lessen, dus ze raken binnen no-time achterop. Achterstanden die lastig zijn in te halen en enorme gevolgen hebben voor de aansluiting op een vervolgopleiding en voor hun latere baankansen. Maar, misschien nog wel erger, kinderen die niet naar school gaan, lopen het risico sociaal geïsoleerd te raken. School is niet alleen om te leren. School is er vooral om vrienden en vriendinnen te krijgen en om mee te doen aan het leven. De eerste paar maanden lijkt het misschien vakantie, maar daarna wordt het anders. Ten slotte kun je er ook puur economisch naar kijken. Kinderen die thuiszitten, geen werk krijgen en vervolgens misschien geestelijk ziek worden, dat kost onze maatschappij handenvol geld. Kortom, er móet iets veranderen.’

Bestuurders met lef

De kern van het probleem zit ’m volgens de oud-kinderombudsman in de plaatsingsplicht die met het passend onderwijs is ingevoerd. ‘Scholen moeten kinderen een leerplek aanbieden. Als school dat niet kan, dan moet het samenwerkingsverband dat doen. Sommige steden of regio’s zijn daar heel goed in, andere blijven achter. Dat is onaanvaardbaar. Kinderen moeten overal gelijke kansen krijgen, of ze nu in Rotterdam wonen of in een plattelandsgemeente. Waar komen die verschillen nou vandaan? En hoe zorgen we ervoor dat het in iedere gemeente lukt? Dat is waar het Thuiszitterspact om draait. Dat wil ik gaan uitzoeken.’

Kort nadat het pact werd ondertekend, ging Dullaert in gesprek met regio’s en gemeenten waar het al wél goed gaat. Vanaf september zijn de gemeenten aan de beurt waar het nog niet zo goed gaat. Wat kan de tweede groep van de eerste leren? ‘Heel veel’, antwoordt Dullaert. ‘Dat het veel zin heeft om als scholen, samenwerkingsverbanden en wijkteams regelmatig om de tafel te zitten. Als iedereen werkt met dezelfde lijst van thuiszitters, ben je er veel sneller bij om te voorkomen dat kinderen langer dan drie maanden thuiszitten. Maar ook dat het enorm helpt om de jeugdzorgproblematiek en de passend onderwijs-problematiek te ontschotten. Ook financieel, want dat staat een goede samenwerking vaak in de weg. De hete aardappel wordt dan heen en weer geschoven tussen onderwijs en zorg.’

De allerbelangrijkste succesfactor is volgens Dullaert denken vanuit het belang van het kind en knopen doorhakken waar nodig. ‘Wie steekt zijn nek uit en durft dit kind te plaatsen? Dat vergt bestuurders met lef.’

Rotterdam versus Utrecht

Sommige leerlingen lijken onplaatsbaar en komen thuis te zitten. Hoe langer dat duurt, hoe schadelijker het is voor de ontwikkelingen en de toekomst van de leerling. Utrecht en Rotterdam hebben hun eigen aanpak. 

Gerard Spierings, Leerplicht Rotterdam: ‘Wij kunnen de knoop doorhakken’

‘Het klinkt misschien echt Rotterdams maar wij vinden dat alle Rotterdammers moeten werken, of naar school moeten’, aldus Spierings. ‘En we willen graag dat alle partijen dat ook vinden. Toch is dat makkelijker gezegd dan gedaan. Honderden kinderen gaan nog steeds niet naar school. Jeugdhulpverleners zijn vooral bezig om hulp aan het gezin te verlenen. Hun eerste doel hoeft niet per se te zijn de kinderen zo snel mogelijk weer naar school krijgen. Soms willen ze bijvoorbeeld eerst het vertrouwen tussen ouders of ouders en kind herstellen. Een deel van de jongeren zit daardoor thuis te wachten op hulp of een behandeling.’

De Taskforce Thuiszitters, opgericht door de afdeling leerplicht en twee samenwerkingsverbanden in de regio, die ruim een jaar geleden van start ging, moet alle neuzen dezelfde kant op krijgen. ‘Naar school gaan moet het primaire doel zijn’, legt Spierings uit. ‘En dat doel lijkt inmiddels aardig door te dringen. Het aantal thuiszitters dat weer naar school gaat, neemt toe. En scholen geven nu veel strikter door wie er thuiszit. Dat is een hele winst.’ Hoe verklaart Spierings dit succes? ‘Om te beginnen doordat er nu een groep is die met een concrete lijst met thuiszitters aan de slag is. Door de toegenomen aandacht zijn allerlei kleinere probleempjes nu ook sneller opgelost. Heel belangrijk is ook het feit dat de taskforce doorzettingsmacht heeft. Als de partijen er onderling niet uitkomen waar een kind terechtkan, kunnen wij dus echt een besluit nemen en de knoop doorhakken. In de praktijk gebeurt dat bijna nooit. Doordat partijen uiteindelijk liever zelf het heft in handen houden, komen ze er onderling nu veel sneller uit. De doorzettingsmacht is dus echt een ultimum remedium.’

Slaus van Dam en Lennart Mensing, Leerplicht Utrecht: ‘Goede samenwerking is onze kracht’

‘Ons einddoel is dat kinderen weer naar school gaan’, legt Van Dam uit. ‘Dat proberen wij te bereiken door professionals in hun kracht te zetten. Soms betekent dit dat we moeten laveren en een omweg maken om dat doel te bereiken. Binnen het kernpartnermodel waarin wij nu twee jaar als leerplicht samenwerken met scholen en de zorgpartners, kunnen we elkaar als dat nodig is kritisch aanspreken op dingen die verkeerd gaan. Zonder dat de verhoudingen verstoord raken. En dat is bijzonder. Het kernpartnermodel is zo ingericht dat er per school een vast aanspreekpunt is van professionals bestaande uit de leden van het buurtteam, team passend onderwijs, JGZ en leerplicht. Per jongere kijken zij naar de oorzaak van het verzuim en zoeken ze planmatig naar de beste oplossing. Door zo te werken, wordt het heel transparant wie waar mee bezig is.’ Leerlingen die desondanks toch thuis komen te zitten, worden in de kernpartneraanpak ook goed in beeld gehouden. ‘Door goede uitwisseling tussen leerplicht en het samenwerkingsverband van de scholen, houden we iedere individuele leerling goed op het netvlies en volgen we samen het plan zodat hij zo snel mogelijk weer naar school kan’, vult collega Mensink aan. Op doorzettingsmacht zijn ze in Utrecht nog een beetje ‘aan het kauwen’. Van Dam: ‘Tot nu toe hebben we het niet gedaan. Ik weet niet of het wel past. Hoe zorg je dat die doorzettingsmacht de samenwerking niet belemmert en frustreert maar juist versterkt? Uiteindelijk hebben we het misschien wel nodig.’

Geen excuses meer

In zijn ‘toer’ langs gemeenten, die eind augustus van start gaat, probeert Dullaert te achterhalen waar het misgaat en hoe hij samen met de betrokkenen de gordiaanse knoop kan ontwarren. Excuses zijn er volgens de oud-kinderombudsman niet meer. ‘Dit móet gewoon lukken. De decentralisatie van de jeugdzorg is al enige tijd gaande, passend onderwijs is ook niet nieuw meer, er is veel maatwerk mogelijk en dan komt daar nu ook nog eens de doorzettingsmacht van het Thuiszitterspact bovenop. Aan alle randvoorwaarden is onvoldaan. Kortom, het is nu echt aan de gemeenten, de scholen en de samenwerkingsverbanden om de handen ineen te slaan, een tandje bij te zetten en te zorgen dat er in 2020 geen enkel kind langer dan drie maanden thuiszit.’