In de rubriek ‘Vraag het de jurist’ buigen juristen van de VNG zich over vragen rond toezicht en handhaving die leven bij gemeenten. Sabine van den Hoek, als jurist verbonden aan het team Naleving Kinderopvang en VE, beantwoordt in deze editie de vraag: mag een toezichthouder een identiteitsbewijs vorderen?
Het antwoord op deze vraag volgt uit art 5:16a Awb daarin staat: Een toezichthouder is bevoegd van personen inzage te vorderen van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (WID). Deze bevoegdheid staat in de Awb beschreven, omdat het voor een toezichthouder belangrijk kan zijn om vast te stellen wie hij voor zich heeft.
Grenzen aan de bevoegdheid
Let wel op dat de bevoegdheden van de toezichthouder begrensd worden door artikel 5:13 Awb. Dit artikel bepaalt dat een toezichthouder van zijn bevoegdheden slechts gebruik maakt voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de vervulling van zijn taak. Dit betekent dat de toezichthouder alleen inzage mag vorderen voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de vervulling van zijn taak. Wat in een bepaald geval als redelijkerwijs noodzakelijk moet worden aangemerkt, is niet limitatief vastgelegd en hangt af van de omstandigheden.
Het doel van het vragen naar een identiteitsbewijs is identificatie en verificatie, daarbij volstaat de constatering ter plekke. Je kunt als toezichthouder bijvoorbeeld een identiteitsbewijs vragen om te verifiëren of de persoon die je aantreft op een locatie ook de persoon is die je daar verwacht had aan te treffen.
Een kopie maken van een identiteitsbewijs
De toezichthouder is op grond van artikel 5:17 Awb bevoegd om, indien dat noodzakelijk is, een kopie te maken van een identiteitsbewijs. Ook deze bevoegdheid mag uitsluitend worden uitgeoefend voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van de toezichtstaak.
Let hierbij op dat er voor het maken en meenemen van kopieën een noodzaak moet zijn. Die noodzaak om, naast ter plekke te controleren ook een kopie te maken en mee te nemen, zal er niet vaak zijn. Doorgaans volstaat een controle van het identiteitsbewijs ter plekke. Het hele doel is immers identificatie en verificatie en daarbij volstaat de constatering ter plekke. Verdere verwerking is dan niet noodzakelijk. Als je toch een noodzaak hebt om een kopie te maken en mee te nemen, zorg er dan ook voor dat je deze gegevens volgens de AVG verwerkt.
Identiteitsbewijzen in de zin van de Wet op de identificatieplicht
Onder identiteitsbewijs, in de zin van artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (WID), wordt met name verstaan een paspoort, identiteitskaart, rijbewijs, vreemdelingenpas of diplomatenpas.
Overlap met art 5:16a en 5:17 Awb
Artikel 5:16a Awb kan, gelet op artikel 5:17 Awb, als overbodig worden gezien, want de toezichthouder mag alle noodzakelijke inlichtingen vorderen voor de uitvoering van zijn toezichtstaak. Ondanks dat is artikel 5:16a Awb door de regering bij de invoering van de Wet op de Identificatieplicht (WID) bewust toegevoegd, om buiten twijfel stellen dat toezichthouders het identiteitsbewijs mogen vorderen (Kamerstukken II 2003/04, 29 218, nr. 3, p. 15).