Voor de presentaties die ik voor gemeenteraden verzorg, gebruik ik altijd een PowerPoint-presentatie. In de loop van de tijd heb ik een verzameling dia’s gemaakt, aangepast en aangevuld om mijn Omgevingswet-verhaal te ondersteunen. Een plaatje blijft eerder hangen dan een praatje. Telkens selecteer ik een paar en zelfs als ik dezelfde plaatjes gebruik, is het verhaal voor de betreffende gemeenteraad over rol en positie op maat. Het verhaal en de plaatjes evolueren met de tijd. Het gaat steeds meer over de “gewone” rol van de raad.

Actieve raden hebben meer in de melk te brokkelen, dan achteroverleunende raden.

Zo sta ik vaak stil bij het instrumentarium van de raad: moties, initiatiefvoorstellen, schriftelijke vragen, rekenkamercommissie enz. Benutten raden hun instrumentarium? Dan hebben ze ook in het kader van de Omgevingswet meer sturings- en controlekracht, dan raden die afwachten waar het college van B&W mee gaat komen. Hetzelfde geldt voor de beleidscyclus met de programmabegroting (sturen) en de programmarekening (controleren). Actieve raden hebben meer in de melk te brokkelen, dan achteroverleunende raden. Dat blijft zo ook na de invoering van de Omgevingswet. En als inwoners slechts drie minuten mogen inspreken bij een vergadering en er is  verder op andere momenten geen interactie, dan is het karig gesteld met participatie en is de raad niet bepaald “naar buiten toe” gericht. Ook daar gaat de Omgevingswet op zichzelf niets aan veranderen. Uiteraard sta ik in mijn presentatie stil bij de veranderingen in bevoegdheden en hoe het straks gaat werken, maar zelfs in dit kader blijven de lokale mores doorslaggevend.

Al een tijdje zet ik de dilemma’s waar de raad mee wordt geconfronteerd centraal. Dat de raad bijvoorbeeld maatwerk wil leveren en tegelijkertijd er ook voor moet zorgen dat willekeur wordt voorkomen. De raad moet de balans vinden tussen het individuele belang van een initiatiefnemer of belanghebbende versus het algemene belang van de gemeenschap. Iedereen snapt dat dit lastige overwegingen en keuzes zijn. En dat iemand uiteindelijk toch een knoop moet doorhakken. Het behoort allemaal tot het “gewone” politieke werk. Dat is niet anders na 2021.

Het overkwam mij recent dat een raadslid vroeg wat dit allemaal (instrumentarium, begroting en dilemma’s) met de Omgevingswet te maken heeft. Omdat ik even sprakeloos was, herhaalde het raadslid: “Dit is het gewone werk! Het heeft niets met de Omgevingswet te maken!” Ik zie het anders. Het ís het gewone werk en het heeft daarom wel degelijk met de Omgevingswet te maken. Je kunt tevreden zijn met je functioneren als raad of niet, je kunt goed door een deur met B&W of niet en je hebt wat krediet bij de inwoners of niet. De Omgevingswet gaat daar helemaal niets aan veranderen. De belangrijke vraag is: wat wil je? Spelregels (en wetgeving) helpen, maar je moet het zelf willen én doen. Dus misschien denk je als raad, hey, dit is een kans om dingen waar ik niet tevreden over ben aan te pakken. De Omgevingswet is als het ware een vergrootglas. Alles wat in een gemeente aan de hand is wordt door het vergrootglas groter en duidelijker. Niet mooier of lelijker, beter of slechter, maar beter zichtbaar. Dan zie je beter wat je kunt veranderen en kun je aan de slag.

Zie ook

  • Klik bovenaan de pagina op Bekijk de andere artikelen in dit boek voor meer informatie.