Nummer 6, 2016

Interview met wethouder Martijn Leisink van Arnhem


Als het aan het kabinet ligt, verschuift in 2019 4 miljard euro van de inkomstenbelasting naar het gemeentelijk belastinggebied. Martijn Leisink, D66-wethouder in Arnhem en lid van de commissie Financiën van de VNG, vertrouwt erop dat deze schuif kostenneutraal zal verlopen voor gemeenten. 'Geen enkele gemeente hoeft bang te zijn dat ze achter het net vist.'

Auteur: Paul van der Zwan

Verruiming van het gemeentelijk belastinggebied was lang een stip aan de horizon. Sinds de brief van staatssecretaris Eric Wiebes (Financiën) van eind vorig jaar aan de Eerste Kamer, is die stip groter. De staatssecretaris belooft voor de zomer met een voorontwerp van een wetsvoorstel te komen dat als basis kan dienen voor een wetsvoorstel dat die verschuiving regelt.

Het kabinetsvoornemen sluit aan bij het advies van de door de VNG ingestelde commissie-Rinnooy Kan om het gemeentelijk belastinggebied te verruimen en het Gemeentefonds evenredig te korten. Haar advies Bepalen betekent betalen werd in juni vorig jaar gepresenteerd tijdens het VNG Jaarcongres in Apeldoorn.

Alexander Rinnooy Kan zei vorig jaar in VNG Magazine dat de prijs, uitbreiding van het lokaal belastinggebied, niet meer uit handen gegeven moet worden. Hoe waardevol vindt u die prijs?

‘De autonomie van gemeenten in financieel opzicht is in vergelijking met andere landen buitengewoon klein; wij halen ongeveer 10 procent van onze inkomsten uit lokale belastingen, andere landen gemiddeld 30 tot 40 procent. Volop reden dus om je af te vragen of wij niet het verkeerde buitenbeentje zijn. Het Rijk kan de geldkraan naar gemeenten naar believen open- en dichtdraaien. Die afhankelijkheid van het Rijk vermindert als gemeenten meer inkomsten kunnen halen uit eigen belastingen. Dat is van zeer groot belang.’

Ook als het Gemeentefonds wordt gekort met eenzelfde bedrag als waarmee het eigen belastinggebied groeit?

‘Ja, want het draait er niet om om méér belastinggeld op te halen, maar om zelf over de belastinginning te gaan. Wanneer je als Rijk gelooft in lokale democratie die eigen afwegingen maakt, dan hoort daar ook een voldoende belastinggebied voor gemeenten bij. Wat dat betreft geldt het omgekeerde van het adagium “no taxation without representation”. Het deed me goed dat ik dat terugzag in de titel van het rapport van de commissie-Rinnooy Kan, Bepalen betekent betalen.’

Dat fonds verdeelt rijksgeld via verdeelmaatstaven over gemeenten. Dat suggereert een mate van rechtvaardigheid. Hoe zit dat met de 4 miljard euro die gemeenten straks wellicht extra kunnen heffen?

‘De WOZ-waarde van woningen is een maatstaf waarmee het Gemeentefonds al werkt. Die kan ook worden toegepast op de 4 miljard euro waarmee het lokaal belastinggebied groeit.’

Legt u eens uit?

‘Je kunt de verschuiving van de ene belastinggrondslag naar de andere vormgeven zonder dat gemeenten daar nadeel van ondervinden. Het Gemeentefonds is naast een uitkerings- 
en verdeelfonds ook een herverdeelfonds. Sinds jaar en dag brengt het Rijk daarmee geld van rijkere naar minder rijke gemeenten. Als er gemeenten zijn met bijvoorbeeld hoge WOZ-waarden van woningen, die er straks meer op vooruitgaan dan zij via het Gemeentefonds inleveren, kun je dat met behulp van het Gemeentefonds corrigeren.’

Dus gemeenten met lage WOZ-waarden hoeven niets te vrezen?

‘Nee, hoor. Een aantal gemeenten is inderdaad bang dat ze straks achter het net vissen. In de hele discussie met het Rijk over verruiming van het gemeentelijk belastinggebied staat als een paal boven water dat dat kostenneutraal voor gemeenten moet uitpakken.’

Hoe zit dat met de ingezetenenbelasting?

‘Ook die wordt als het zover is, verevend. Stel dat met gemeenten als tarief voor de ingezetenenbelasting 100 euro per inwoner wordt afgesproken, dan wordt het Gemeentefonds gekort met dat bedrag per ingezetene; aan het fonds is gemakkelijk een maatstaf ingezetenen toe te voegen. Dan is het voor gemeenten dus een neutrale operatie. Het wordt pas anders als een gemeente besluit om als ingezetenenbelasting 90 euro te heffen of 110 euro. Dat kan, maar dan zal de gemeente aan de burgers en niet aan de Rijksoverheid moeten uitleggen waarom haar tarief hoger is of lager.’

Voor gemeenten pakt het dus waarschijnlijk neutraal uit. Voor hun inwoners ook?

‘Het Gemeentefonds kan dus heel goed compenseren voor de ongelijkheid die kan ontstaan door de verschuiving van 4 miljard euro. Maar je zult wel een verschuiving krijgen tussen bevolkingsgroepen. Weliswaar zal de rijksoverheid haar uiterste best doen om die te compenseren, maar je kunt het wel voor 390 gemeenten neutraal doen maar niet voor zeventien miljoen inwoners. De rijksoverheid heeft meer instrumenten voorhanden om de herverdeling zo eerlijk mogelijk te laten verlopen. Eén tarief voor ingezetenenbelasting voor alle inwoners van een gemeente impliceert wel dat veelverdieners daar minder door worden getroffen dan mensen die minder inkomsten hebben. Het Rijk kan dat compenseren, bijvoorbeeld door de belastingvrije voet te verhogen. Ik verwacht dat men dit soort maatregelen zal nemen.’

Wat kunnen gemeenten in de toekomst met dat grotere belastinggebied wel wat ze nu niet kunnen?

‘Ze kunnen beter in een lokaal democratisch debat de relatie leggen tussen het heffen van belasting en waar je dat geld aan besteedt. Nu is het eigenlijk zo dat het Rijk belasting int via onder meer het loonstrookje en dat gemeenten een deel ervan ontvangen en uitgeven. De rijksoverheid zegt in haar verantwoording alleen: we moeten het heffen want gemeenten hebben het nodig en gemeenten zeggen: wij geven het als volgt uit. Er is niemand die de relatie legt tussen enerzijds heffen en anderzijds uitgeven. Straks kunnen burgers via de raad kenbaar maken dat ze een voorziening wel of niet zo belangrijk vinden dat ze er gemeentelijke belasting voor willen betalen.’

Dat kan nu niet?

‘In ieder geval veel minder. Stel dat we op onze begroting in Arnhem 1 procent ruimte willen maken voor een beleidsmaatregel. Dan kunnen we of 1 procent bezuinigen op onze kosten of onze gemeentelijke belastinginkomsten met 10 procent verhogen. Dat laatste is een flinke ingreep, maar dat komt doordat we 90 procent van onze inkomsten zelf niet kunnen beïnvloeden; dat geld komt van het Rijk. 10 procent belastingverhoging is natuurlijk veel te veel, gemeentelijke belastingen zijn ook geen reëel instrument om plussen en minnen op de gemeentebegroting op te vangen.’

Worden rijke gemeenten hiermee niet rijker en arme gemeenten armer?

‘De mogelijkheid van het Rijk om te sturen op solidariteit tussen gemeenten blijft na krimp van het Gemeentefonds met 4 miljard euro hetzelfde. Ik zou niet weten waarom de herverdelende functie van het Gemeentefonds verandert door de verschuiving van dat bedrag naar het gemeentelijk belastinggebied.’

Hoe groot acht u de kans dat gemeenten het maximale totaalbedrag dat ze extra kunnen innen, straks zullen overschrijden? 

‘Die kans bestaat, maar dat is geen gevolg van de verschuiving. Overschrijding van de macronorm voor de ozb-inkomsten die we al kennen, kan ook. Dat heeft te maken met de autonomie die gemeenten nu eenmaal hebben. Maar het is evident dat het effect van gemeentelijke belastingmaatregelen op de inwoners dubbel zo groot wordt. Zo zullen besluiten van gemeenten om tarieven met een procent te verhogen in euro’s een veel groter effect hebben op de inwoners dan zo’n besluit in de huidige situatie zou hebben.’

Moet er ook een macronorm komen voor de inkomsten uit ingezetenenheffing?

‘Het is evident dat die er niet moet komen. De macronorm om te grote stijging van de ozb-inkomsten aan banden te leggen, hoort er ook niet te zijn. Neem bijvoorbeeld een gemeente die historisch een laag ozb-tarief kent; deze mag het niveau van de ozb-inkomsten niet laten stijgen tot dat van een gemeente die historisch juist relatief hoge ozb-inkomsten kent. Een voor de burger gunstige keuze kun je later, als het financieel wat minder gaat, niet meer herstellen. Ik vind het principieel onjuist om dergelijke macronormen vast te stellen, dus ook voor de ingezetenenbelasting moeten die er niet komen. Want daarbij kan het ook zijn dat een gemeente onder het door het Rijk bepaalde bedrag per inwoner gaat zitten en zij dat later niet meer kan herstellen omdat anders de macronorm overschreden dreigt te worden.’

Wat moet er geregeld zijn, wil de uitbreiding van het lokaal belastinggebied een succes worden? 

‘De belangrijkste voorwaarde is dat Den Haag vertrouwen krijgt in de lokale democratie. Dat vertrouwen spreidt het nu niet ten toon. Wanneer je een belastinginstrument aan gemeenten geeft, dien je erop te vertrouwen dat daar op een goede manier gebruik van wordt gemaakt. Bijvoorbeeld de Tweede Kamer zou net zo veel vertrouwen in gemeenten behoren te hebben als in zichzelf. De Kamer mag ook tarieven vaststellen en dat doet ze ook behoorlijk, dunkt me. De Tweede Kamer vindt van zichzelf dat ze dat op een goede en behoedzame manier doet. Ik heb niet scherp waarom dat op het niveau van de Kamer wezenlijk anders zou zijn dan op gemeentelijk niveau.’

Hoe kunnen gemeenten dat vertrouwen winnen?

‘Wij kunnen dat niet opleggen, we kunnen hooguit laten zien dat we het waard zijn. Ik zou bijna zeggen: laten we doorgaan op dezelfde voet.’

U verwacht dus, kort gezegd, niet dat vergroting van het gemeentelijk belastinggebied tot problemen leidt?

‘Ik zou niet weten waarom. Als wij door een groter eigen belastinggebied in de problemen komen, dan moeten veel andere landen momenteel in diepe ellende zitten. Want ook na een verschuiving van 4 miljard euro naar het lokaal belastinggebied zit Nederland wat de omvang daarvan betreft nog steeds in de achterhoede.’