Hier vindt u de 12 hoofdstukken van de basisstructuur voor het omgevingsplan. Bij elk hoofdstuk geven we een beknopte toelichting.
De TPOD omgevingsplan schrijft voor dat een omgevingsplan verplicht een eerste hoofdstuk heeft met het opschrift ‘Algemene bepalingen’. Uitgangspunt is dat in dit hoofdstuk alleen algemene bepalingen worden opgenomen waarvan het werkingsgebied het hele regelingsgebied van het omgevingsplan is.
In hoofdstuk 1 ‘Algemene bepalingen’ staat verplicht een artikel ‘Begripsbepalingen’. Dat artikel bevat alle begrippen of een verwijzing naar een bijlage met de begrippen. Dit artikel heeft u van rechtswege gekregen en staat dus al in uw omgevingsplan. Het verwijst naar bijlage I waar de begrippen staan die van toepassing zijn op hoofdstuk 22 (de bruidsschat).
Let op:
- Gaat u aan de slag met het nieuwe deel van het omgevingsplan? Verklaar de begrippen van bijlage I dan van toepassing op alle hoofdstukken van uw omgevingsplan.
- Heeft u extra begrippen nodig? Voeg die toe aan bijlage I.
- Neem eventuele andere algemene bepalingen alleen op in dit hoofdstuk als ze daadwerkelijk betrekking hebben op het hele omgevingsplan. Een voorbeeld zijn meetbepalingen voor bouwwerken. Deze worden opgenomen bij de bouwregels. Dit is dus anders dan gebruikelijk was in de voormalige bestemmingsplannen.
Het omgevingsplan stelt regels met het oog op de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet. De gemeente kan met het opnemen van eigen doelen verduidelijken welke doelen, binnen de maatschappelijke doelen, zij in het bijzonder nastreeft.
In de omgevingsvisie beschrijft de gemeente wat de doelen zijn en waar ze gelden. Voor de doelen waarvoor u in het omgevingsplan regels stelt, vat u in hoofdstuk 2 van het omgevingsplan samen om welke doelen het gaat. Zo legt u een koppeling tussen de omgevingsvisie en het omgevingsplan en is duidelijk wat de gemeente met de regels in het omgevingsplan wil bereiken. Vervolgens koppelt u de oogmerken van de regels over functies en activiteiten (zie hoofdstuk 4 en 5) aan een of meer van de doelen.
Om de kwaliteit van de leefomgeving in een gebied of ten aanzien van een bepaald onderwerp te verbeteren kan de gemeente een programma maken. In een programma geeft de gemeente aan hoe zij specifieke ambities uit de omgevingsvisie wil verwezenlijken. Voorbeelden zijn het realiseren van duurzame energievoorziening, het verbeteren van de openbare ruimte of het bevorderen van biodiversiteit. De gemeente kan in een programma ook juridische maatregelen aankondigen. Die landen dan in het omgevingsplan. Daarvoor kan hoofdstuk 3 gebruikt worden. Zo legt u een koppeling tussen de instrumenten programma en omgevingsplan.
In een omgevingsplan kan de gemeente in de regels over activiteiten (zie hoofdstuk 5) verwijzen naar uiteenlopende onderdelen van de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 4 benoemt u deze onderdelen en wijst u ze aan op de kaart door middel van geografische informatieobjecten (GIO’s).
Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving kunnen zijn:
- Functies op een hoog schaalniveau, veelal gebiedstypen genoemd. Bijvoorbeeld agrarisch gebied, bedrijventerrein en woongebied.
- Functies op perceelsniveau. Bijvoorbeeld horeca, wonen en detailhandel.
- Functies, zijnde te beschermen objecten en locaties. Bijvoorbeeld monumenten en archeologie.
- Naast functies worden in dit hoofdstuk ook andere aanwijzingen opgenomen. Bijvoorbeeld beperkingengebieden als bedoeld in de Omgevingswet, eventuele ‘bouwvlakken’ en bijvoorbeeld de bebouwde kom.
Belangrijk is dat in dit hoofdstuk duidelijk wordt gemaakt welke onderdelen (locaties en objecten) van de fysieke leefomgeving een speciale status krijgen. Die status ontstaat pas door een officiële aanwijzing in het omgevingsplan. Zonder die aanwijzing (‘constitutieve aanwijzing’) bestaat die status dus niet volgens de Omgevingswet. Voorbeeld: een plek heeft pas de functie ‘wonen’ als die als zodanig is aangewezen in het omgevingsplan of een gebouw is pas een monument als het officieel als monument is aangewezen.
Hoofdstuk 5 vormt (met hoofdstuk 4) de kern van het omgevingsplan. Vanuit de doelen die zijn gesteld (hoofdstuk 2), programma’s (hoofdstuk 3) en de aanwijzingen in de fysieke leefomgeving (hoofdstuk 4) stelt u regels over activiteiten die gevolgen (kunnen) hebben voor de fysieke leefomgeving. Voorbeelden van activiteiten kunnen zijn: bouwen van een bouwwerk, slopen van een bouwwerk, kappen van een boom, exploiteren van een bedrijf en het realiseren van een in/uitrit.
Per activiteit bepaalt u aan welke regels de activiteit moet voldoen en of er een vergunningplicht, meldingsplicht of informatieplicht voor de activiteit geldt. Als een vergunningplicht is gekoppeld aan een activiteit dan is dit volgens de definities van de Omgevingswet een ‘omgevingsplanactiviteit’ (OPA).
Aanpassen van hoofdstuk 5
Net als de andere hoofdstukken van de basisstructuur kunt u hoofdstuk 5 naar uw eigen behoefte aanpassen. Vindt u bijvoorbeeld dat het hoofdstuk te omvangrijk wordt? Dan kunt u het bijvoorbeeld als volgt opdelen:
Hoofdstuk 5: Bouwactiviteit
Hoofdstuk 6: Werken geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden activiteit (‘aanlegactiviteit’)
Hoofdstuk 7: Milieubelastende activiteiten
Hoofdstuk 8: (Wijzigen van) gebruik van locaties (‘gebruiksactiviteit’)
Hoofdstuk 9: Overige activiteiten
Gevolgd door hoofdstuk 10: Beheer en onderhoud, enzovoorts.
Hoofdstuk 6 tot en met 12 zijn bedoeld voor ondersteunende regels die kunnen gelden in algemene en bijzondere situaties voor één of meerdere activiteiten waarover regels zijn gesteld in hoofdstuk 5.
In Hoofdstuk 6 staan instandhoudingsverplichtingen en de regels voor beheer. Dit kan bijvoorbeeld gaan om het onderhouden van groenvoorzieningen, infrastructuur en bebouwing en om instandhouding van huurwoningen voor de middenhuur. Ook gedoogplichten neemt u op in dit hoofdstuk. Dit kan bijvoorbeeld gaan over het reguleren van tijdelijk gebruik van gronden.
Dit hoofdstuk regelt de financiële aspecten van het omgevingsplan, zoals kostenverhaal bij gebiedsontwikkeling en de mogelijkheid voor nadeelcompensatie. Het bevat bijvoorbeeld bepalingen over de wijze waarop de gemeente kosten kan verhalen op ontwikkelaars of andere betrokkenen voor de aanleg van infrastructuur.
In dit hoofdstuk staan de procesregels die nodig zijn voor het omgevingsplan. Denk aan regels die vastleggen wanneer advies gevraagd moet worden aan de gemeentelijke adviescommissie. Dit kan generiek geregeld worden voor alle activiteiten van het omgevingsplan.
Let op: In het omgevingsplan zijn verder weinig procedurele regels nodig. De procedures zijn elders geregeld:
- De procedures voor vergunningen zijn uitputtend geregeld in het Omgevingsbesluit.
- Voor de voorbereiding van maatwerkvoorschriften zijn geen aanvullende procedurele regels nodig boven op de standaard procedurele regels van afdeling 4.1 van de Awb.
- Bij meldingen en informatieplichten is het enige procedurele aspect de termijn waarbinnen de melding moet worden gedaan of de informatie over de activiteit moet worden ingediend. Die termijn wordt in het artikel over de meldplicht of informatieplicht zelf opgenomen.
In dit hoofdstuk staan kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Veel gemeenten hebben dergelijke criteria voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet al vastgesteld in een verordening op grond van de Wabo. Deze criteria kunt u overbrengen naar Hoofdstuk 9 van het omgevingsplan.
Let op:
- U mag geen strafbepalingen in het omgevingsplan opnemen. Artikel 2.1 Omgevingsbesluit verbiedt dit. De reden hiervoor is dat alle overtredingen van regels in het omgevingsplan al strafbaar zijn gesteld in de Wet op de economische delicten. Daarnaast bevat paragraaf 18.1.4 Omgevingswet een uitputtende regeling voor de gevallen waarin een overtreding van regels in het omgevingsplan kan worden bestraft met een bestuurlijke boete.
- Het is niet nodig om in het omgevingsplan een grondslag voor het aanwijzen van toezichthouders op te nemen. In gemeentelijke verordeningen is dit een standaard onderdeel, maar voor het omgevingsplan heeft de Omgevingswet deze grondslag al geregeld (art. 18.6 Ow). De aanwijzingsbesluiten van de ambtenaren zelf maken (ook) geen onderdeel uit van het omgevingsplan.
In dit hoofdstuk neemt u regels voor monitoring en informatie op. Monitoring is een belangrijk onderdeel van de beleidscyclus. Monitoring van ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving biedt de basis om de kerninstrumenten te actualiseren.
In het omgevingsplan moet u in ieder geval bij het vaststellen van omgevingswaarden opnemen hoe de monitoring plaatsvindt. Maar ook voor andere normen of doelen kunt u monitoringsregels opnemen. Daarbij moet u het volgende regelen:
- de te monitoren parameters (art. 20.1 Ow)
- de methoden van monitoring (hoe) en het bestuursorgaan dat of de andere instantie die met de uitvoering van de monitoring is belast (wie) (art. 20.2 Ow)
- de verslaglegging (art. 20.4 Ow)
Onder de Omgevingswet is het niet meer vanzelfsprekend dat bestaande situaties bij wijziging van het omgevingsplan onder een regime van standaard eerbiedigend overgangsrecht worden gebracht. Daarom wordt in hoofdstuk 11 specifiek overgangsrecht opgenomen. Bijvoorbeeld voor omgevingsvergunningen die verleend zijn op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan of op basis van een gemeentelijk verordening.
Naast overgangsrecht moet bij iedere wijziging van het omgevingsplan aandacht besteed worden aan het netjes afhechten van overblijvende regels in verordeningen, ruimtelijke plannen en de bruidsschat. Ook deze regels landen in hoofdstuk 11.
Dit hoofdstuk bevat de slotbepalingen van het omgevingsplan. Het bevat tenminste een artikel met de citeertitel. Dit is altijd het laatste hoofdstuk van het omgevingsplan.
Let op: In het omgevingsplan van rechtswege staan de slotbepalingen in hoofdstuk 23. In de transitiefase kunt u voorlopig dit hoofdstuk gebruiken. Gaat u werken met tijdelijke hoofdstukken en gaat u hier hoofdstuk 23 voor gebruiken, dan wordt hoofdstuk 24 uw hoofdstuk met slotbepaling enzovoorts. Zorg altijd dat het laatste hoofdstuk van uw omgevingsplan het hoofdstuk met slotbepalingen is.
De TPOD omgevingsplan geeft enkele belangrijke aanwijzingen voor bijlagen bij het omgevingsplan:
- U heeft de mogelijkheid om begrippen op te nemen in een bijlage. Zie hiervoor verder de toelichting bij hoofdstuk 1.
- U moet verplicht een bijlage opnemen waarin de tekstuele aanduidingen en identificatiecodes van de geografische informatieobjecten (GIO’s) zijn opgenomen.