VNG Magazine nummer 14, 27 september 2019

Toen ik vorige week naar de Algemene Politieke Beschouwingen keek, viel mij op dat er voor het eerst sinds lange tijd weer een poging gedaan werd om een debat te voeren waarin naar elkaar geluisterd wordt. Vergelijk dat met de beschouwingen van vorig jaar. Het afschaffen van de dividendbelasting was toen onderwerp van verhitte discussies en werd gebruikt om over elkaars hoofd naar de eigen achterban te communiceren.

Ogenschijnlijk gaat het goed met ons land. Maar onder de oppervlakte zie je twee tendensen die de maatschappij onder druk zetten: de sociale kwestie en de strijd om de fysieke ruimte. De eerste gaat over de kloof die ontstaat tussen groepen inwoners. Enerzijds de mensen met voldoende inkomen en anderzijds degenen die de eindjes niet meer aan elkaar kunnen knopen, ook al werken ze. Ook de strijd om de fysieke ruimte zet de verhoudingen op scherp. Wat geven we voorrang? Een prettig leefklimaat voor onze inwoners of industrie die banen biedt? Windmolenparken of een uitbreiding van het wegennetwerk? Dat zijn de vragen die in elke gemeenteraad volop aan de orde zijn.

Sinds Fortuyn zag je politici zoeken naar antwoorden op de vraag wat ‘de mensen’ willen. Aan de flanken werd het druk en in het midden leek men zich in de strijd om de kiezer steeds meer naar de flanken te bewegen. Bij de algemene beschouwingen van vorige week leek het weer meer om de inhoud te gaan. Ik meende zelfs een onderstroom te horen van een zoektocht voorbij het individualisme.

Sinds Fortuyn zag je politici zoeken naar antwoorden op de vraag wat ‘de mensen’ willen

En ik zie nog meer signalen. Niet voor niets heeft het nieuwe boek van Rutger Bregman als titel De meeste mensen deugen en is Joris Luyendijk op zoek naar een manier waarop we over de wereld kunnen praten zonder cynisme. Wat voor samenleving willen we zijn en wat betekent dat voor de rol van de overheid? In dat perspectief plaats ik ook de ambitie van Kamerleden om de knelpunten bij de grote uitvoeringsorganisaties aan te pakken, in het besef dat zij voor de inwoners van Nederland het gezicht van de overheid zijn.

Gemeenten weten dat al lang. Zij zoeken per definitie naar het gemeenschappelijk belang, want dat is wat voor hun inwoners telt. Niet de maatregelen die voor een bepaalde groep gunstig zijn en voor de andere ongunstig, worden uitgebreid bediscussieerd. In de lokale politiek gaat het niet over koopkrachtplaatjes maar over lokale kwaliteit. Dat is niet aan ideologie gebonden, maar gaat over de partijen heen. Niet voor niets zijn lokale partijen zo sterk vertegenwoordigd in de gemeenteraden, en zijn vertegenwoordigers van landelijke partijen dikwijls heel lokaal.

Vanuit dat perspectief kunnen parlementariërs veel leren van lokale volksvertegenwoordigers. Eerst moeten we de financiële problemen van gemeenten oplossen. Maar als dat gelukt is, moeten we maar eens een aanbod aan parlementariërs doen om onze expertise te delen. Wie doet er mee?

Jantine Kriens is Algemeen directeur van de VNG: jantine.kriens@vng.nl, @kriens