VNG Magazine nummer 13, 13 september 2019

Deze zomer bracht ik mijn vakantie door in Denemarken. Met de boot voeren we langs de eilanden en meerden in verschillende plaatsen aan. Ik genoot van de weidsheid en de uitgestrekte ruimte op het land. Denemarken is vergelijkbaar met Nederland: het heeft voor een groot deel dezelfde maatschappelijke opgaven. Maar het grote verschil is dat Denemarken veel minder dichtbevolkt is. Ik realiseerde me dat we in Nederland steeds meer te maken hebben met een strijd om de fysieke ruimte. En dat het onze taak is, die van gemeenten en de vereniging, om die strijd op een goede manier te beslechten. 

Nederland heeft een oppervlakte van ruim 41.500 vierkante kilometer en ruim 17 miljoen inwoners. Vergelijk dat eens met Denemarken: met een oppervlakte van bijna 43.000 vierkante kilometer hebben de ongeveer 5,7 miljoen inwoners veel meer ruimte tot hun beschikking. Dat zet vraagstukken als de energietransitie, de Omgevingswet en de grote woningbouwopgave in een heel ander perspectief. Met de schaarse ruimte die we hebben, zal de discussie zich steeds weer concentreren op de vragen of en waar er ruimte beschikbaar is, en wat daarvoor moet wijken.

Steeds meer actuele ontwikkelingen zijn het gevolg van deze strijd om de fysieke ruimte. Zo beoordeelde de Raad van State eind mei dat het Programma Aanpak Stikstof niet meer gebruikt mag worden voor het verlenen van vergunningen. Van activiteiten waarbij stikstof wordt uitgestoten, moet nu worden aangetoond dat ze geen negatieve invloed hebben op de beschermde natuur. Ook voor het beweiden en bemesten van landbouwgrond is voortaan een vergunning nodig. De fysieke ruimte kan niet meer zo makkelijk worden belast, want die ruimte dreigt ons meest schaarse goed te worden.

Met een typisch Nederlandse oplossing wil het nog niet zo vlotten

De beperkte ruimte is een typisch Nederlands probleem, maar met een typisch Nederlandse oplossing – polderen – wil het nog niet zo vlotten. De Rijksoverheid knipt de vraagstukken op in verschillende beleidsterreinen en legt dan van bovenaf maatregelen op, die gemeenten moeten uitvoeren.

Maar in de strijd om de ruimte zouden inwoners centraal moeten staan. Het gaat immers om de afweging van verschillende belangen. Inwoners willen geen windmolenpark in hun achtertuin en als je ze dat oplegt, krijg je te maken met veel weerstand. Het gaat er dus om de schaarse ruimte samen met inwoners zo in te richten dat er voldoende draagvlak is.

De strijd om de fysieke ruimte is bij uitstek een lokale strijd: die moet in de dorpen en steden, de regio’s en provincies worden gevoerd. Het betekent wel dat wij als gemeenten en als vereniging onze rol moeten pakken. We moeten het doen met de ruimte die er is, en die zal nooit zo veel worden als in Denemarken. Maar juist op lokaal niveau kunnen de creatieve en innovatieve oplossingen ontstaan.

Jantine Kriens is Algemeen directeur van de VNG: jantine.kriens@vng.nl, @kriens