VNG Magazine nummer 9, 1 juni 2018

Auteur: Rineke van Houten | Beeld: © Jiri Büller

Het groeiend aantal burgerinitiatieven in het sociaal domein heeft hulp nodig, blijkt uit een onderzoek waarbij talloze gesprekken in het land zijngevoerd. ‘Maak ruimte voor bewonersinitiatieven, ook in het inkoopbeleid’, zegt  burgemeester Otwin van Dijk (Oude IJsselsteek), een belangrijk aanjager van het onderzoek en een fervent strijder voor een inclusieve samenleving.

Wat politiek kan betekenen, ontdekte Otwin van Dijk toen hij als achttienjarige rechten wilde studeren. Omdat hij sinds een zwemongeluk in een rolstoel zat, had hij niets aan zijn ov-jaarkaart. Die wilde hij inleveren in ruil voor alternatief vervoer naar de universiteit. ‘Maar het GAK wees mijn verzoek af’, vertelt hij jaren later op zijn werkkamer van het gemeentehuis in Gendringen. ‘Gehandicapten zoals ik zouden toch een uitkering krijgen. Een studie was nergens voor nodig.’ Hij stuurde een boze brief naar de Tweede Kamer. ‘Alsof met het verlies van de functie van mijn benen ook mijn IQ was verdwenen!’ Toenmalig staatssecretaris van Sociale Zaken Robin Linschoten schreef ‘een prachtige brief’ terug, waarin hij de jonge student beloofde de regels te zullen aanpassen. ‘Dat leerde mij dat politiek ertoe doet’, zegt Van Dijk, die de afgelopen twintig jaar niet meer is weggeweest uit het lokaal bestuur, vier jaar Kamerlidmaatschap voor de PvdA uitgezonderd. Zo was hij gemeenteraadslid en wethouder in Doetinchem en is hij sinds twee jaar burgemeester van Oude IJsselstreek, ‘een plattelandsgemeente met stedelijke structuur’ in de Achterhoek.
Zorg en het sociaal domein zijn sinds zijn ongeluk hét thema van zijn persoonlijke en professionele leven. Daarbij passen nevenfuncties als voorzitter van de raad van toezicht van de Patiëntenfederatie Nederland en VNG-ambassadeur voor het VN-verdrag voor mensen met een beperking. Dat burgers ruimte moeten krijgen om hun eigen leefomgeving en zorg vorm te geven, is een van zijn stokpaardjes. In 2015 was hij een van de Kamerleden die de regering in een motie vroeg om problemen te inventariseren waar burgerinitiatieven tegen aanlopen.

Van Dijk werd voorzitter van de VNG-klankbordgroep voor het onderzoek naar burgerinitiatieven. Op basis van veel verkennende gesprekken in het veld is nu een Actieprogramma Zorgzame Gemeenschappen opgesteld. Het vaakst ervaren probleem is samenwerking met de gemeente, aanbieders en zorgverzekeraars. Het ontbreekt aan vertrouwen en erkenning, zo luidt een belangrijke klacht.  

Wat zit burgerinitiatieven in de weg?
‘Nederland telt ruim vijfhonderd bewonersinitiatieven op het gebied van zorg, welzijn en wonen. Van vervoer tot maaltijdservice, van klussendiensten tot dagbesteding. Kleinschalige activiteiten met vaak een grote rol voor vrijwilligers. Maar bureaucratische regelgeving en verkokering zitten goedwillende burgers dwars. Een zorgcoöperatie opgericht door burgers heeft bijvoorbeeld een contract nodig met een overheid of zorgverzekeraar. Dat past niet binnen de aanbestedingsregels en men loopt aan tegen papieren rompslomp. Het enige wat de coöperatie wil, is goede zorg leveren. Tegelijkertijd snap ik ook dat de overheid de kwaliteit wil bewaken. De taal tussen de inkopers en de zorgcoöperaties schuurt. En dan zijn er ook tegenstrijdigheden. Zo is de ene zorgcoöperatie belastingplichtig, de andere niet.’

Wat is volgens u het belangrijkste actiepunt voor gemeenten om burgerinitiatieven te stimuleren?
‘Om te beginnen kunnen gemeenten bijvoorbeeld vastleggen in het coalitieprogramma graag met burgers te willen werken. Maak er ruimte voor, ook in het inkoopbeleid. Niet zeggen dat het budget op slot zit, maar toelaten. Buiten de aanbestedingsregels om, of binnen de ruimte die je hebt. Vraag hoe je kunt begeleiden, wat er nodig is. Zorg ervoor dat mensen een kans krijgen zichzelf te bewijzen. Er zijn veel zorgcoöperaties in Nederland die goed functioneren. De tijd van koudwatervrees en van kiek’n wat ’t wordt, ligt achter ons. Hier in Oude IJsselstreek wordt bijvoorbeeld nagedacht over een coöperatie van huishoudelijke hulpen. Wij helpen met een aantal juridische hobbels en zullen een contract aanbieden als ze klanten hebben. En we zeggen niet: over twee jaar is er weer een aanbestedingsronde, wacht daar maar op. Zo heel veel hoef je niet te doen. Je moet enthousiast zijn, toelaten, financiële ruimte maken, af en toe een beetje helpen.’

De tijd van koudwatervrees en van kiek’n wat ’t wordt, ligt achter ons

De gemeente werkt in kolommen. Bewoners denken en doen over alle grenzen heen. Hoe moet je dat oplossen?
‘Dat is een hamvraag. De systeemwereld is verkokerd georganiseerd. De wijkverpleegkundige mag de gordijnen niet opendoen want dat is een taak die bij de gemeente is belegd. Dat is natuurlijk raar. We moeten veel meer redeneren vanuit de leefwereld van de mensen en daar een pakketje van maken in plaats van mensen op te knippen in deelindicaties.’

Dat is makkelijk gezegd.
‘Toch is dat de enige manier. Als je redeneert vanuit de mensen zelf kom je ook te weten wat ze nog wél kunnen. Of wat ze opnieuw kunnen leren. Het revaliderend karakter moet terug in de zorg. We maken nu soms momentopnames in indicaties in wat mensen niet kunnen, terwijl je ook zou kunnen kijken wat mensen weer aan te leren is. Hoe kunnen we daarbij helpen?’

Daarin vervullen burgerinitiatieven ook een rol?
‘Ja. Als burgers denken dat ze hun dagbesteding of huishoudelijke hulp beter kunnen regelen, vind ik dat je als gemeente moet willen helpen. Grip op je eigen zorg leidt tot minder klagen en betere kwaliteit van leven. Zorgcoöperaties snappen ook dat iemand ’s ochtends uit bed halen en twaalf uur later weer op bed leggen, niet bijdraagt aan de kwaliteit van leven. Dat het ook gaat om wat je doet op zo’n dag als je een verstandelijke beperking hebt of ouder bent. Dat je misschien iets wilt doen. Dat we mensen niet aan de zijlijn mogen zetten maar moeten laten meedoen in de samenleving. Overigens vind ik ook dat je dan van mensen mag vragen voor zichzelf te zorgen binnen hun mogelijkheden. Zullen we eens kijken wat wel lukt? Hoe kan ik je daarbij helpen? Eigen verantwoordelijkheid is niet hetzelfde als zeggen: zoek het maar uit, maar versterkt menselijke waardigheid. Je moet wel altijd een arm in de rug bieden: val je om, dan vang ik je op.’

U strijdt onvermoeibaar voor een inclusieve samenleving, met als voorlopig hoogtepunt de ratificatie van het VN-verdrag Handicap in Nederland op 21 januari 2016. Op de publieke tribune in de Tweede Kamer vloeiden tranen van blijdschap. Waarom werd dat moment als emotioneel ervaren?
‘Omdat er jaren over gesproken was. In Nederland leven 2,3 miljoen mensen met een beperking. Voor hen allemaal luidde de boodschap van dat verdrag dat ze onderdeel van de samenleving zijn. Behoren te zijn. Helaas is dat lang niet altijd het geval.
‘Nederland lijkt te lijden aan een Moeder Teresa-complex. Geen land ter wereld trekt zoveel geld uit voor zorg aan gehandicapten, ouderen, noem maar op. Maar we zetten ze wel vaak apart. Op slechts een kwart van de stations kun je als gehandicapte in en uit de treinen. Nog geen 10 procent van de overheidswebsites voldoet aan de  richtlijnen voor toegankelijkheid voor blinden. Zonder al die basisvoorwaarden kun je niet volwaardig meedoen. Dat VN-verdrag heeft als prachtig doel: mensen met een beperking een normaal leven laten leiden. Otwin in een rolstoel moet hetzelfde leven kunnen leiden als Otwin zonder rolstoel. Daarnaast steunde een meerderheid van de Tweede Kamer mijn voorstel om ‘algemene toegankelijkheid’ wettelijk vast te leggen. Een bijzondere mijlpaal. Heel Nederland wordt stap voor stap toegankelijk gemaakt.’

Grip op je eigen zorg leidt tot minder klagen

Drie jaar later is de helft van de gemeenten nog aan het ‘verkennen’.
‘Er moet nog veel gebeuren ja. Ik zie het VN-verdrag als een grondwet voor alle maatregelen die we al genomen hebben. De Participatiewet, de Wet op de jeugdzorg, de Wmo. We hebben de eerste slag gemaakt, nu moeten we doorzetten. Waarom zijn er aparte sportverenigingen voor gehandicapten? Dat is lang niet altijd nodig. Veel bussen zijn nog steeds niet rolstoeltoegankelijk. Daartegenover staat een optocht aan aangepaste busjes voor doelgroepenvervoer. Dat is natuurlijk jammer.’

Twee derde van de gemeenten zegt te weinig menskracht te hebben om beleid uit te voeren op dit gebied.
‘Apart beleid is niet nodig. Het gaat om een extra antenne. In Oude IJsselstreek hebben we een kwartiermaker aangesteld, die de medewerkers attent maakt op aanpassingen voor mensen met een beperking. Bij het behandelen van een aanvraag voor een bouwvergunning bijvoorbeeld of het aanleggen van een grindpad. We nodigen mensen uit de doelgroep uit om mee te denken, samen met medewerkers van de afdelingen. Zo ontstaan prachtige gesprekken en oplossingen. Overigens is er een groep van 25 gemeenten die al heel goed bezig zijn. Deze koplopers inspireren elkaar en zorgen ervoor dat er meer gemeenten in actie komen. Volgend jaar moeten dat er vijftig zijn. En het jaar erop honderd.’