Waarom dit convenant?

Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten hebben hun ambities op het bodemdossier geformuleerd in het convenant 'Bodemontwikkelingsbeleid en aanpak spoedlocaties'. Het convenant is 10 juli 2009 ondertekend en loopt tot 31 december 2015.

Aanleiding van het convenant is de behoefte om in plaats van alleen te kijken naar de beperkingen die de bodem biedt (door vervuiling), ook te kijken naar potenties van de bodem in een breder perspectief. Het ontwikkelen van de bodem komt vaak effectiever tot stand als verder wordt gekeken, bijvoorbeeld ook naar mogelijkheden voor sanering van bodemenergie en grondwaterverontreiniging. Ook is er behoefte aan meer eigen verantwoordelijkheid en minder rapportageverplichtingen voor gemeenten.

Voor de VNG was een belangrijk punt in de onderhandelingsfase de financiële borging van de wensen die het Rijk heeft. Het Rijk stelt t/m 2015 €760 miljoen (€ 659 miljoen voor 2009-2014 en €101 miljoen voor 2015)  beschikbaar aan provincies en gemeenten. Wij betwijfelen of alle ambities realistisch zijn met het budget dat beschikbaar is gesteld.

Bevoegd gezag

Voor gemeenten die voor de toepassing van de Wet bodembescherming (Wbb) direct zijn gelijkgesteld aan de provincie heeft het convenant de meeste consequenties. De directe bevoegde gezagen zijn: Alkmaar, Almelo, Amersfoort, Amsterdam, Arnhem, Breda, Den Haag, Deventer, Dordrecht, Eindhoven, Emmen, Enschede, Groningen, Haarlem, Heerlen, Helmond, Hengelo, 's Hertogenbosch, Leeuwarden, Leiden, Maastricht, Nijmegen, Rotterdam, Schiedam, Tilburg, Utrecht, Venlo, Zaanstad en Zwolle.

Met de Werkgroep Bodem van de VNG (het WEB) zijn zij gedurende het voorbereidingstraject van het convenant nadrukkelijk in beeld geweest. Alle overige gemeenten zijn geen direct bevoegd gezag voor bodemsanering en bodemverontreiniging.  Dit betekent overigens niet dat de belangen van niet-direct bevoegd gezag gemeenten niet van belang zijn, of niet zijn meegewogen.

Inhoud convenant

De centrale punten in het convenant zijn:

  1. Verdere decentralisatie van verantwoordelijkheden en uitvoering (zie ook het Regeerakkoord Rutte I).
  2. Sturing via geldstromen vervalt. De sturing gaat verlopen via beleidsafspraken en prestatie-eisen uiteengezet in bestuurlijke overeenkomsten.
  3. Verdere integratie van het bodembeleid in de ruimtelijke ordening, waarbij er speciale aandacht is voor spoedlocaties.
  4. Verduurzaming van het bodembeleid, namelijk grotere samenhang met energiebeleid, waterbeleid en beleid voor de ondergrond. Bodembeleid op basis van chemische, biologische en fysische parameters.
  5. Toenemende ruimtedruk, gepaard gaande met een verdere belasting van het milieu en dus van de bodem. Deze druk moet gereguleerd en beheerst worden.

Het convenant bodem stelt de kaders vast waarbinnen collectieve afspraken worden gemaakt om de gezamenlijke inzet en acties te sturen. Zoals gezegd is dit convenant gericht op het wegnemen van belemmeringen en het creëren van ruimte voor innovatie en ontwikkeling.

Uitvoeringsprogramma bodem

In het convenant bodem is afgesproken dat er een gezamenlijk uitvoeringsprogramma komt. Dit uitvoeringsprogramma ondersteunt de bevoegd gezagen bij de uitvoering van het convenant en houdt de voortgang in de gaten. Het uitvoeringsprogramma heeft een eigen website, waar veel informatie te vinden is over de uitvoering van het convenant.

Decentralisatie/uitkering bodem

In de programmaperiode 1 januari 2010 tot en met 31 december 2014 is een bedrag van € 866 miljoen opgenomen. Oorspronkelijk was het totale budget € 893 miljoen. Er is in het kader van de financiële crisis echter op bodemsanering voor € 27 miljoen bezuinigd. In het convenant is een bedrag van € 659 miljoen genoemd, het verschil van dit bedrag zit in het knelpuntenbudget, het bedrijvensegment en kenniscentra. Dat bedrag blijft op de begroting van het ministerie van IenM staan. Het budget voor de sanering van bodem, komt via de decentralisatie/uitkering bodem bij het bevoegd gezag bodem.