Nummer 9, 2 juni 2017

Landelijke partijen als de PVV, DENK en Forum voor Democratie hebben aangekondigd (in meer gemeenten) mee te willen doen aan de gemeenteraadsverkiezingen. Is de lokale democratie daarmee gebaat? En gaan deze partijen het goed doen? Een analyse van wetenschapper Julien van Ostaaijen.

Vooropgesteld is het een goede zaak dat er geregeld nieuwe partijen aan de verkiezingen meedoen (en af en toe oude verdwijnen). Een partijstelsel en een democratie zijn gebaat bij vernieuwing. Als partijen vaak met elkaar hebben samengewerkt, is de kans groter dat het kritisch vermogen ten opzichte van elkaar afneemt. Nieuwe partijen hebben daar minder last van. Bovendien is het oprichten van een partij vaak een mooi voorbeeld van actief burgerschap. De oprichters beginnen een politieke partij uit onvrede met een bestaande situatie of om iets voor hun omgeving te doen. Dat valt te prijzen.

De meeste nieuwe partijen op lokaal niveau zijn lokale partijen en formeel niet verbonden aan een landelijke partij. Maar met de aankondigingen van de PVV, DENK en Forum voor Democratie wordt ook het aanbod van lokale afdelingen van landelijke partijen groter. Dat is enerzijds positief. Uit het Lokaal kiezersonderzoek 2016 blijkt dat een deel van de kiezers in 2014 graag op een landelijke partij had willen stemmen die in hun gemeente niet meedeed.

Veel aspirant-politici van landelijke partijen zien de raad als een mini-Tweede Kamer

Meer landelijk aanbod zou dus aan de wensen van kiezers voldoen. Bovendien lijkt ook de opkomst erbij gebaat. Partijen als de PVV en DENK zijn in staat niet-stemmers over te halen te gaan stemmen. Het succes van lokale afdelingen is wel afhankelijk van de populariteit van hun moederpartij. Als de nieuwe partijen landelijk aansprekend oppositie voeren en een nieuw kabinet snel impopulair wordt, stijgt de kans op lokaal electoraal succes. Dat betekent overigens nog geen bestuurlijk succes. Met name Wilders lijkt, nu hij landelijk op een dood spoor zit, lokaal te willen aantonen dat de PVV bestuursverantwoordelijkheid aankan. Voor samenwerking is hij echter afhankelijk van andere partijen. En hoewel lokale partijafdelingen in principe zelf bepalen met wie ze samenwerken, moet je als lokale partijleider van bijvoorbeeld D66 stevig in je schoenen staan als je dat wilt. Op zijn minst heb je op het partijcongres iets uit te leggen.

Het succes van lokale afdelingen is wel afhankelijk van de populariteit van hun moederpartij

Er zijn ook nadelen verbonden aan een groter landelijk aanbod. Veel kiezers stemmen lokaal al met een overwegend landelijk motief. Dat wordt met de deelname van nieuwe landelijke oppositiepartijen waarschijnlijk versterkt. Ook het beeld dat lokale verkiezingen vooral een populariteitspeiling voor het kabinet en de Haagse politiek zijn, neemt erdoor toe. Daar komt bij dat veel aspirant-politici van landelijke partijen de gemeenteraad als een mini-Tweede Kamer voorstellen. Ze tonen weinig affiniteit met de specifieke kenmerken van de lokale politiek, zoals de praktische onderwerpen en het belang van direct(er) contact met inwoners. En als nieuwe partijen daarnaast vooral de al actieve inwoners van andere partijen overnemen, zoals deels door de PVV lijkt te gebeuren, kun je je afvragen of de lokale democratie er uiteindelijk zo veel mee wint.
 

Als de deelname van meer landelijke partijen ervoor kan zorgen dat voorheen passieve inwoners zich actief voor de lokale democratie inzetten, is dat een goede zaak. De keerzijde is echter een versterking van het toch al niet geringe ‘Haagse’ karakter van de lokale democratie. Het is daarom te hopen dat nieuwe raadsleden, ongeacht onder welk labeltje ze actief zijn, vooral uit zullen dragen dat de lokale democratie het meest gebaat is bij kiezers die over lokale onderwerpen hun lokale voorkeur uitspreken.

Julien van Ostaaijen is als universitair docent verbonden aan Tilburg University. Zijn onderzoek heeft met name betrekking op lokaal bestuur en lokale politiek. www.vanostaaijen.nl

Schrijf ook een betoog voor VNG Magazine: redactie@vngmagazine.nl.