Nummer 19, 1 december 2017

Er komt een tijd dat gemeenten veelal meer last van, dan baat bij het bestaan van provincies zullen ervaren, voorziet Jelle de Visser, PvdA-raadslid in Leeuwarden. Hij pleit dan ook voor het op termijn afschaffen van deze bestuurslaag. Het huidige parlement zou hier volgens De Visser een begin mee kunnen maken.

Op 22 november waren er in verband met gemeentelijke herindelingen vervroegde raadsverkiezingen in de helft van de provincie Friesland waaronder ook in mijn gemeente Leeuwarden. Vier jaar eerder was dat hier om dezelfde reden ook al het geval. Naast het gegeven dat gemeenten steeds groter worden qua inwoneraantal, stijgen begrotingen ook in omvang door een substantiële toename van de bij de eerste overheid belegde taken. Het gevolg is dat de exploitatie van onze gemeente die van haar toezichthouder – het provinciebestuur – duidelijk overtreft. Ongetwijfeld is dat bij meerdere steden in ons land al veel langer het geval. Toezicht krijgt daarmee een wat merkwaardig figuur. Want hoezo hogere overheidslaag?

Het aantal gemeenten is dus dalend en daarmee krimpt in kwantitatieve zin de taak van de provincie als toezichthouder. Daarnaast zijn de beperkte provinciale taken op het vlak van zorg en welzijn sinds 2015 bij de gemeenten belegd. En de taken inzake handhaving, toezicht en vergunningen op het gebied van milieu zijn overgeheveld naar regionale uitvoeringsdiensten in een gemeenschappelijke regeling van gemeenten, waterschap en provincie. Het aantal taken dat provinciebesturen geacht worden op te pakken, is dus steeds kleiner geworden. En daarmee haar toegevoegde waarde. De vraag dient zich dan ook aan of deze bestuurslaag wel voor altijd moet blijven bestaan. Ik zeg nee.

Impliciet vindt dus ook de huidige regering het wenselijk dat gemeenten in omvang toenemen

Thorbecke wilde halverwege de negentiende eeuw drie bestuurslagen. Van onze huidige wetgeving is inmiddels 60 procent gerelateerd aan of afkomstig uit Brussel. Met de EU hebben we nu dus feitelijk vier bestuurslagen en dat is veel. Bovendien worden provinciebesturen nu al regelmatig door gemeentebesturen gepasseerd als het gaat om overleg en belangenbehartiging richting het landsbestuur en de EU. Met de nieuwe Omgevingswet als omvangrijk gemeentelijk instrument zal dat nog vaker gebeuren. Terwijl ruimtelijke inrichting nu nog duidelijk de belangrijkste taak is die provincies hebben. Er komt een tijd dat gemeenten veelal meer last van, dan baat bij het bestaan van provincies zullen ervaren.

Het afbouwen van deze bestuurslaag reduceert meteen ook flink de bestuurlijke drukte, maar dient wel zorgvuldig en geleidelijk plaats te vinden. Daarop moet met andere woorden langjarig worden voorgesorteerd. En dat kan pas beginnen als er een duidelijke visie ligt en een tijdpad is uitgestippeld inzake de wijzigingen van wetgeving. Het zou mooi zijn als het huidige parlement hiermee een begin zou maken.

Het politieke bestuur van Nederland kan aanmerkelijk besparen met een bestuurslaag minder

Het vorige kabinet voerde een reductie door in de algemene uitkering vanuit het gemeentefonds onder de noemer ‘efficiencykorting’. Grotere gemeenten konden immers goedkoper werken, was de redenering en herindelingsprocessen werden financieel ondersteund. Het nieuwe kabinet heeft deze korting niet ongedaan gemaakt. Impliciet vindt dus ook de huidige regering het wenselijk dat gemeenten in omvang toenemen.

Het achterwege laten van opschaling wordt nu in feite bestraft en je kunt je afvragen in hoeverre er dan nog sprake is van het beginsel dat opschaling uitsluitend van onderop dient te komen. Een herziening van het Gemeentefonds zou overigens om meerdere redenen op zijn plaats zijn: centrumgemeenten hebben ondanks stevige bezuinigingen allemaal een enorm tekort in het sociale domein, Leeuwarden dit jaar zeker 14 miljoen, en elders zijn er flinke overschotten. Maar dat is een andere discussie. Het politieke bestuur van Nederland kan wel aanmerkelijk besparen met een bestuurslaag minder. En het opschalen van gemeenten zal doorgaan omdat de voordelen de nadelen volgens de inwoners overtreffen, ongeacht het voortbestaan van die korting in het Gemeentefonds.