Nummer 2, 2016

Interview met Evelien Tonkens

Auteur: Leo Mudde

De participatiesamenleving – iedereen heeft er zo z’n eigen gedachten bij. Dat iedereen de mogelijkheid moet hebben om actief ‘mee te doen’, daarover bestaat wel consensus. De vraag waarvoor op lokaal niveau gemeentebestuurders zich gesteld zien, is: wat mag je van de inwoners verwachten?

En als je op die vraag een antwoord hebt gevonden, hoe ver ga je dan om je inwoners in actie te krijgen? Wat mag je van een mantelzorger vragen, wanneer gaat een redelijk verzoek over in een onrealistisch verlangen? Hoe waarderen we vrijwilligerswerk, en is het wel eerlijk om van werkzoekende academici te vragen afval van de straat te halen in ruil voor een uitkering?

Het is nog niet zo heel lang geleden dat de maatschappij accepteerde dat niet iedereen naar vermogen bijdroeg aan het collectief belang. Voor kunstenaars die hun werk niet konden verkopen, was een speciale regeling om ze toch aan een inkomen te helpen. Eeuwig studeren was geen punt, en iets terug moeten doen voor een uitkering was ondenkbaar.

Die samenleving bestaat niet meer. Participeren zúl je, op straffe van een korting op je inkomen. Zijn we als samenleving te ver doorgeslagen in onze opvatting dat ‘meedoen’ het hoogste goed is, dat een leven lang leren de norm is en dat het heel normaal wordt om van 67-plussers te vragen nóg langer door te werken?

Tja, zegt Evelien Tonkens, hoogleraar burgerschap en humanisering van de publieke sector aan de Universiteit voor Humanistiek, het hangt af van wat je onder burgerschap verstaat: de libertaire benadering (‘Ik betaal belasting, maar dan moet de overheid me verder niet lastigvallen’) of de communautaire (de samenleving is een gemeenschap die we met z’n allen moeten maken).

Tonkens is meer van de laatste school. ‘Vrijheid is heel belangrijk. Maar als je alles vrijlaat, geef je veel ruimte aan de markt waardoor de maatschappelijke ongelijkheid toeneemt. Als we het samen moeten doen, hoort daar tegenover te staan dat je als burger ook aanspraak op iets mag maken en iets te zeggen hebt over je bijdragen en de voorwaarden waaronder je die levert. Dat zie ik nu te weinig terug. We hebben nu vooral te maken met plichten waar we geen invloed op uit kunnen oefenen.

‘We worden geacht allemaal meer te mantelzorgen en de buren te helpen. Dit wordt als noodzakelijk en onvermijdelijk neergezet, maar het is natuurlijk een politieke keuze, af te wegen tegen alternatieven – bijvoorbeeld meer belasting heffen, meer bezuinigen op andere posten, of maatschappelijke dienstplicht. En het komt eenzijdig neer op vrouwen van een zekere leeftijd en mensen met een uitkering. Dat is ook onrechtvaardig.’

Cynisch

De overheid hamert de boodschap dat meedoen leuk en onvermijdelijk is, er stevig in. Dat valt niet altijd goed. ‘Niet iedereen kán meedoen, of is in staat voor zijn of haar dementerende moeder te zorgen. Er wordt wel heel veel van mensen gevraagd en het is allemaal erg informeel ingevuld. Het zou mooi zijn als gemeenten het debat hierover op de agenda zetten. Nu bedenkt de rijksoverheid iets en stuurt het vervolgens enkele reis richting het lokaal bestuur. Dat zorgt ook voor spanningen tussen gemeenten en andere overheden. Dat zie je ook bij bijvoorbeeld herindelingen waarbij gemeenten en provincie vaak niet op één lijn zitten. Burgers ervaren dat alsof hun overheid met twee tongen spreekt. Dat snappen ze niet en ze worden daar cynisch van.’

De idee van de participatiesamenleving belooft veel complexiteitsreductie, zegt Tonkens. Maar die belofte wordt nog niet ingelost. ‘Denk aan het principe van één gezin, één plan, één aanpak. Die gedachte is goed, maar het lukt nog niet goed om dingen eenvoudiger te maken. We doen het halfslachtig: we starten met sociale wijkteams, maar soms toch wel drie tegelijk. We zeggen dat gemeenten beleidsvrijheid krijgen, maar ze moeten wel allemaal aan dezelfde bureaucratische eisen en monitoren voldoen.’

In haar essay Het democratisch tekort van de decentralisaties, opgenomen in de bundel die vorige maand werd gepresenteerd (zie kader), werkt Tonkens haar kritiek verder uit. Zij stelt daarin dat onder participatie vooral ‘meedoen’ wordt verstaan, maar niet ‘meedenken en meepraten’.

De term ‘doe-democratie’ is in dat verband veelzeggend. Daar komt bij dat nogal gemakkelijk over ‘de burgers’ wordt gesproken als één en ongedeeld: ‘de’ burgers willen dit. ‘Maar burgers willen heel verschillende dingen. Om dat in goede banen te leiden, hadden we juist de politiek uitgevonden. Beleid moet niet proberen van burgers een groep te maken, dat geeft slechts stem aan de grootste monden.’

Zij vindt wel dat inwoners meer te zeggen moeten hebben over de zaken die hen direct aangaan. Het bestaande systeem met de volksvertegenwoordigers in de gemeenteraad, verdient aanvulling in de vorm van meer directe democratie.

Basisvoorzieningen

Maar om te zorgen dat ook daar de grootste monden niet meteen hun zin krijgen, moet de raad worden versterkt. ‘College en raad moeten een visie hebben op wat zij basisvoorzieningen vinden en daarover in debat gaan.’

Tonkens vindt zwembaden, bibliotheken en muziekscholen basisvoorzieningen. ‘Dat kunnen dan niet de eerste slachtoffers zijn wanneer een gemeente moet bezuinigen. En ze kunnen ook niet zomaar aan vrijwilligers worden overgedaan. Het zijn de plekken waar mensen elkaar ontmoeten en dingen doen die leerzaam, gezond en belangrijk zijn. Je moet dus zorgen dat iedereen daaraan kan deelnemen en dat er kwaliteit en continuïteit is. Belangrijk is dat de gemeente daarop een visie heeft en daar consequenties aan verbindt.’

Want zonder zo’n visie kun je voorspellen dat een individueel schrijnend geval het altijd wint van het collectieve welzijn. ‘Daar zit een mediageniek verhaal achter, de media duiken erop, we vinden het met z’n allen ook heel erg. Een oude man zonder hulp thuis, daar wil iedereen iets aan doen. Als je geen zwembad hebt, heb je geen concreet leed.’

Dat een wethouder een begroting op orde moet krijgen en beslissingen moet nemen, begrijpt Tonkens ook wel. Maar in plaats van het sluiten van basisvoorzieningen ziet zij meer in het aanbieden van algemene voorzieningen als een Stadspas waarmee mensen korting kunnen krijgen op van alles. ‘Verzin een regeling, zou ik zeggen.’

En ook hiervoor geldt: laat je inwoners meepraten. ‘Bij decentralisatie hoort ook democratisering. Maar mensen moeten wel benaderd worden om mee te doen, ze melden zich niet spontaan. Denk niet dat je er met internetconsultaties bent. De digitale wereld kan persoonlijk gesprekken en politieke discussies niet vervangen.’

Essaybundel

In de essaybundel De decentralisaties in het sociaal domein: wie houdt er niet van kakelbont? laten zeven essayisten hun licht schijnen over de relatie tussen burger en bestuur, ieder vanuit hun eigen expertise en discipline. Behalve Evelien Tonkens zijn dat Tineke Abma, René ten Bos, Herman van Gunsteren, Arjo Klamer, Pauline Meurs en Martijn van der Steen. Het voorwoord is geschreven door de voorzitter van de Transitiecommissie Sociaal Domein, Han Noten.

De bundel is te downloaden op www.transitiecommissiesociaaldomein.nl.